Onze bureaucratie is failliet

Onze bureaucratie woekert maar door.

We hebben zo’n 25 GGD’en in Nederland, elk met een eigen registratiesysteem, wat nogal lastig bleek te zijn toen medewerkers van callcenters er afspraken voor coronatesten en de uitkomsten daarvan in moesten registreren. Ze waren veel tijd kwijt met het uitzoeken hoe elke GGD de gegevens gebruikte. Ook bleek het systeem lek.

We hebben tegenwoordig circa 19 manieren om vast te leggen of iemand al tegen corona is gevaccineerd, en zo ja, waarmee en wanneer. Terwijl we ongeveer weten hoeveel mensen er in Nederland zijn gevaccineerd, is er op centraal niveau geen enkel zicht wie dat zijn, zodat het plan voor een coronapaspoort in duigen viel. Daarop kwam men op het idee het oude vaccinatieboekje te gebruiken, maar sommige regio’s waren daar aanvankelijk dan weer op tegen.

Bij de Jeugdbescherming zijn grote wachtlijsten. Hoeveel kinderen en gezinnen daar in totaal wachten totdat ze iemand krijgen toegewezen, weet niemand: er is geen centrale registratie, en elke regionale jeugdbeschermingsorganisatie pakt de wachtlijstenregistratie anders aan.

Tegelijkertijd wordt het beleid noch de uitvoering ervan beter van al die bureaucratie. In tegendeel.

Voor het aanvragen van zorg voor zulke kinderen heeft elke gemeente weer andere systemen ingericht. Ik leerde afgelopen weekend dat jeugdbeschermers onderling appgroepjes hebben waarin ze elkaar helpen uitzoeken voor welke hulp in welke gemeente ze welk aanvraagformulier moeten gebruiken. Overal moet dat namelijk anders. Het kost ze handenvol tijd – en ze hebben maar twee uur per week, per gezin. Dan is hun budget op.

Gemeenten klagen dat ze te veel geld kwijt zijn aan de jeugdzorg, maar weten niet te vertellen welke bedragen ze aan welk zorgbedrijf hebben betaald; daar hebben ze geen goede overzichten van.

Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft het afgelopen jaar 5,1 miljard uitgegeven die het niet kan verantwoorden: er zijn gewoonweg geen bonnetjes van. Soms is niet eens duidelijk of er wel iets is geleverd boor het betaalde geld. Dat probleem komt niet alleen door corona: het speelt al twintig jaar bij VWS, legde de president van de Algemene Rekenkamer afgelopen weekend in NRC Handelsblad uit. 5,1 miljard: dat komt aardig in de buurt van de begroting van heel Amsterdam.

En intussen is de bureaucratie leidend geworden voor hoe burgers worden bejegend. We lijden onder die bureaucratie, vooral wie minder geld heeft of minder goede connecties. Mensen worden er makkelijk op afgerekend wanneer ze een overheidsformulier verkeerd invullen. Of ze worden vanwege een algoritmische beslissing verdacht gemaakt, en vervolgens plant het label dat ze fraudeurs zouden zijn zich ongecontroleerd voort, door alle systemen heen – zelfs in die mate dat de overheid niet meer weet hoe die valselijk beschuldigde mensen nog van dat onheuse label kunnen worden afgeholpen.

Iets meer centrale regie, iets minder bureaucratie – het zou geen slecht idee zijn.

[Beeld (fragment): Mariann Szöke / Pixabay]

Wormenbak FAQ

[Updated, nov. 2021: mijn informatie over ‘wormenthee’ was fout, die heb ik aangepast. Verder ben ik van een gestapelde bak overgestapt op een enkele losse bak, dat beviel me beter. Half november, ruim een half jaar nadat ik ben begonnen, heb ik mijn eerste bak ‘geoogst’: ik heb de wormen naar een verse bak overgezet en de compost gezeefd. De oogst: 5,5 kilo mooie, rulle compost!]

Feeding the worms’, Danusha Lameris:

Ever since I found out that earth worms have taste buds
all over the delicate pink strings of their bodies,
I pause dropping apple peels into the compost bin, imagine
the dark, writhing ecstasy, the sweetness of apples
permeating their pores. I offer beets and parsley,
avocado, and melon, the feathery tops of carrots.

I’d always thought theirs a menial life, eyeless and hidden,
almost vulgar—though now, it seems, they bear a pleasure
so sublime, so decadent, I want to contribute however I can,
forgetting, a moment, my place on the menu.

Introductie:

Een paar weken geleden (begin mei) ben ik een wormencompostbak begonnen. Aangezien ik bij iets nieuws meestal full nerd ga, heb ik me intussen ingelezen over het wel en wee van compostwormen. Al snel merkte ik dat iedereen wel iets zei, maar haast niemand alles. Vandaar dat ik mijn eigen FAQ heb gecompileerd: de lijst van Frequently Asked Questions. (Commentaar, vragen en aanvulingen zijn van harte welkom!)

Met ‘mijn’ wormen lijkt het goed te gaan. Wel ben ik op zoek naar een boek over de sociologie van wormen. Communiceren ze, en zo ja hoe? Vormen ze kolonies? Hebben ze een groepsgevoel? Hoe reageert een groep wormen als er ineens nieuwelingen bij komen? Herkennen wormen elkaar? Werken ze samen, en helpen ze elkaar? Weten ze wie hun eigen babies zijn, en wie hun ouders? Is verwantschap relevant? Herkent een regenworm een compostworm of potworm als soortgenoot?

Weten ze van elkaar dat er verderop een extra lekker hapje ligt, en zo ja: hoe geven ze dat door? En sowieso: hoe weet een worm eigenlijk waar eten ligt? Hij heeft immers geen oren, ogen of neus – misschien is het een kwestie van net zolang kruipen totdat je iets eetbaars tegenkomt.

Slapen wormen? Zijn ze overdag actiever dan ’s avonds, of maakt dat ze niet uit? Hoe verdedigen ze zich tegen mogelijke vijanden, of tegen barre omstandigheden? Migreren ze? Hoe nemen ze licht waar?

Waarschuwing:

Heb je een bak met een deksel? Let dan op wanneer je de bak even open hebt gehad. Kijk voordat je het deksel terugzet of er niet ergens een wormpje in de rand zit. Nu ik peuters en kleuters in de wormenbak heb, zie ik geregeld een ieniemienie exemplaar dat zich precies in de knik van het deksel heeft gevlijd. (Een puber of een volwassen worm heb ik daar nog niet aangetroffen.)

Een jonge onderzoeker in de binnenrand van het deksel (dat voor de foto ondersteboven ligt). Aan de luchtgaatjes kun je zien hoe klein zo’n wormenpeuter is: de gaatjes zijn 2 millimeter.

Als je het deksel er weer op doet, plet je zo’n avonturier misschien. Daarom inspecteer ik de binnenkant van het deksel tegenwoordig voordat ik het terugzet. Ik heb een botermesje met een dunne, ronde bovenkant in de buurt liggen, waarmee ik ze uit de rand kan vissen en ze daarna voorzichtig in de bak kan terugzetten. Bijna elke keer vind ik wel een jonkie; soms meerdere.

Het deksel duw ik naderhand goed aan, maar dat helpt onvoldoende: de peuters passen zowat overal tussenin. Wat beter helpt: de condens op de binnenkant van het deksel geregeld weghalen. Een droog oppervlak is minder uitnodigend.

Inhoudsopgave:

• Wat weet je inmiddels over (compost)wormen en hun gedrag?

Het zijn bedrijvige diertjes, met weinig gevoel voor mijn en dijn. Ze kruipen achteloos over, tussen en onder elkaar door of liggen bovenop elkaar, zonder dat iemand daar last van lijkt te hebben.

Ze zijn sterk: als je er eentje oppakt, verzetten ze zich met kracht en proberen je met rap kronkelen te ontglippen. Ze krullen en strekken zich dan van links naar rechts, in een soort Sint Vitusdans, om aan je greep te ontkomen. (Dat ze een beetje glibberig zijn van het vochtlaagje op hun huid helpt daar wel bij.) Vandaar ook hun Engelse bijnaam: wrigglers, oftewel kronkelaars.

Op hun ringsegmenten zitten haartjes – ook wel ‘borstels’ genoemd, in het Latijn: setae – waarmee ze zich voortbewegen, in combinatie met zichzelf eerst samentrekken en dan lang maken. Zo kunnen ze ook klimmen, zelfs tegen gladde verticale wanden op. Kennelijk kunnen ze hun borstels plotseling intrekken: dan glijden ze niet kalmpjes naar beneden, maar laten ze op de grond ploffen. Of misschien doen ze dat door zich om te rollen: die borstels zitten immers allemaal aan één kant, als een soort rudimentaire pootjes. Wanneer je ineens op je rug tegen een wand hangt, val je natuurlijk.

Het duurde even voor ik snapte dat een worm een buik- en een rugkant heeft: het was me al opgevallen dat sommigen een iets donkerder kant hadden, en na verloop van tijd kreeg ik door dat zodra ze begonnen te kruipen, ze eerst die donkere kant boven draaiden. Kennelijk is de lichte kant hun buik, waar de borsteltjes zitten.

Ze kruipen overigens net zo makkelijk voor- als achteruit. Hun kopkant is iets donkerder van kleur, hun kontkant is bleker.

De etages van mijn wormenbak hebben een smal richeltje, waar een nieuwe etage op steunt. Ze vinden het leuk, of prettig, om op dat richeltje te liggen of daar treintje of stapelbed op te spelen: allemaal achter elkaar rondjes over de richel kruipen, of er bovenop elkaar liggen.

Vier wormen op en onder elkaar op de richel (de vierde is een jonkie, links van de andere drie: je ziet ’m haast niet)

Ze zijn snel. Als je de bak opendoet – en dat doe ik nog steeds vaak, om even te kijken hoe het met ze is, en hun omgeving op nare geurtjes of schimmels te inspecteren – schieten de wormen die net hun eten aan het voorbereiden zijn door er hun enzymen op achter te laten, flip flap floep weg. Even krioelt alles, en dan rest stilte. Knisperende stilte. Hier kun je horen hoe de rondscharrelende wormen in mijn compostbak klinken (het fragment duurt 19 seconden, en je moet een beetje opletten – in het echt is ’t overtuigender). Sindsdien weet ik hoe ‘smikkelen’ klinkt.

Ze lijken soms ont-zet-tend lang, makkelijk een handbreedte. Een worm kan zich, als-ie zich uitrekt, zeker vier of vijf keer zo lang maken als-ie is wanneer hij zich terugtrekt. Ook lijken ze het leuk te vinden zich dubbel te vouwen en langs zichzelf heen te glijden.

Soms, wanneer er een grote worm bovenin de bak kruipt, leg ik mijn wijsvinger tegen de binnenrand, vlak voor de neus – of de staart – van die worm. Ik hoop dat-ie ook eens over mij heen kruipt, ik wil graag weten hoe dat voelt. Maar steeds maakt de worm pas op de plaats zodra hij mijn vingertop raakt, beweegt secondenlang niet, en begint dan schielijk aan een terugtrekkende beweging. Ik vermoed dat ik te zout ben voor ze.

Geen zin in eten, maar wel in avontuur? Dan maar omhoog, of opzij! (Let ook op het stel linksonder: daar lift een kleintje bovenop een grotere worm mee.)

Wie het eerst is!

Wat betreft hun anatomie: wormen zijn koudbloedig. Ze hebben geen tanden. Ze kruipen over hun voedsel heen en laten daar zo bacterien en enzymen op achter die het spul ‘voorkauwen’. Na een paar dagen is het voedsel voorverteerd en kunnen ze het opzuigen.

Ze hebben geen longen; wormen ademen door hun huid, en als die uitdroogt en verhardt, gaan ze dood. Als ze uit je wormenbak kruipen, zullen ze niet verder komen dan een metertje of twee, en vervolgens stikken. Wordt de omgeving te nat, dan verdrinken ze. (Daarom kruipen regenwormen bij zware regenval naar het aardoppervlak.)

De belangrijkste organen bevinden zich in het voorste deel van het dier. Wanneer je een worm in tweeën snijdt (why the fuck would you even consider that?), groeit die niet uit tot twee wormen, zoals de volksmond wil; het stuk met de kop vormt een nieuwe worm, maar het stuk met de staart sterft.

Een worm heeft geen ogen of oren, maar kan wel licht en trillingen waarnemen. Vooraan, in de kop, heeft hij piepkleine hersentjes. Daar zit ook een mini-mondje: als je goed kijkt naar de kop van een worm die rondtast, zie je een lichter gekleurd dingetje verschijnen dat-ie uitsteekt en intrekt. Dat is z’n mond.

Illustratie: de anatomie van een worm [bron: pinterest]

Wormen hebben vijf gepaarde hartjes, bij elkaar dus tien hartjes. Ik vind dat fascinerend: waarom zijn die hartjes gepaard, en waarom hebben ze er zoveel?

Het zijn tweeslachtige dieren: ze hebben, voor in hun lichaam, zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. Tijdens de voortplanting wisselen twee wormen hun sperma uit. Ze liggen dan omgekeerd naast elkaar, en de bevruchte eitjes transporteren ze naar de ring (het clitellum, of minder wetenschappelijk: het zadel), die bij vruchtbare wormen goed zichtbaar is: die is lichter en verdikt. Voor zover ik begrijp scheiden ze die ring vervolgens af. Daarin vormen zich coconnetjes, die eruit zien als een kleine citroen, waaruit later de jongen worden geboren. De cocon wordt donkerder naarmate hij ‘rijper’ is. In principe kunnen de jongen al na drie weken worden geboren, maar een cocon kan ook in sluimerstand raken: zelfs na een jaar kan er nog kroost uit een goed bewaarde cocon komen.

In het beste geval verdubbelt de wormenpopulatie zich elke drie maanden.

Een compostworm kan onder optimale omstandigheden liefst 7 jaar oud worden. [naar boven]

Welke soorten zijn er?

Voor compostering worden in Nederland meestal twee verwante soorten wormen gebruikt: de Eisenia fetida en de Eisenia hortensis.

Eisenia fetidaDe Eisenia fetida (ook wel: tijgerworm, red wriggler, European wriggler) is de kleinste van de twee (gewoonlijk is-ie uitgerekt niet groter dan 10 cm). Hij komt oorspronkelijk uit Europa, maar is inmiddels op vrijwel elk continent te vinden.

De fetida is roodbruin geringd, met witte strepen tussen de segmenten, en donkerder dan zijn neef hortensis. Het is een rustig type: hij zal de bak niet snel verlaten. Hij kan per dag ongeveer zijn eigen gewicht in afval wegwerken en omzetten in vermicompost. Daarbij slinkt het volume van je afval tot 20 procent. Deze wormen kunnen één tot vijf jaar oud worden. Een vruchtbare fetida kan elke week een cocon leggen, en daar zitten drie tot vijf pukkies in.

Frank Wasse, een ervaren wormenkweker, beschrijft de fetida als volgt, in vergelijking met de hortensis:

  • Iets plattere worm, en iets ‘slapper’
  • Minder bewegelijk
  • Roder, met minder duidelijke strepen
  • Donkerder geslachtsorgaan (de ring om het lijfje, ook wel het ‘zadel’)
  • Zit graag in een vochtige omgeving
  • Kan iets meer warmte aan
  • Er zitten meer jongen in een cocon.

(Hier meer over de fetida.)

De Eisenia hortensis (ook wel: Dendrobena veneta / European nightcrawler) is groter, tot wel 20 cm in uitgerekte vorm, en bruinroze: egaler van kleur dan de fetida. Ook de hortensis is van oorsprong Europees. Het is een iets onderzoekender type: de hortensis trekt erop uit, en zal – zeker in het begin – aanstalten maken de bak te verlaten. Dit is ook bij uitstek de worm die geregeld rondjes bovenin de bak maakt.

De hortensis eet iets minder dan de fetida, heeft een voorkeur voor ‘bruin voer’ zoals karton, en is beter bestand tegen slechte condities. Als-ie lang niet heeft gegeten, wordt de hortensis lichter van kleur en oogt hij wat bleekjes. Een vruchtbare hortensis legt elke 8 tot 10 dagen een cocon, met daarin één nakomeling.

De vergelijking van Frank Wasse van de hortensis ten aanzien van de fetida:

  • Ronde worm
  • Iets vleziger en steviger
  • Kan een springbeweging maken als je ’m wilt opppaken
  • Heeeft duidelijker strepen
  • Heeft een lichter gekleurd zadel (het geslachtsorgaan)
  • Heeft een iets gelere (of lichtere) staart.

(Hier meer over de hortensis.) [naar boven]

• Wat vinden compostwormen lekker?

Houd in gedachten dat de wormen in feite niet het voer zelf eten; ze zuigen de smurrie op die ontstaat nadat het eten door bacteriën en enzymen is voorverteerd. Pas na een paar dagen sabbelen ze zelf aan de halfvergane randjes van wat je ze eerder hebt voorgeschoteld. De wormen bevorderen dat proces door uitgebreid over het eten te kruipen en zo de bacteriën te verspreiden en hun eigen enzymen erop achter te laten. Die doen het voorwerk. Pas daarna gaan ze zelf aan de slag. Dat proces wordt in deze video met een handige analogie uitgelegd: wormen eten geen salade, maar de soep ervan.

Compostwormen houden van groente en fruit. Verwen ze af en toe met koffiedik, thee (*) of oesterzwammentaart. Ze houden niet van ui, hete pepers en knoflook en zijn geen fan van citrusvruchten. Snijd het afval klein: dan is er meer oppervlak om overheen te kruipen en enzymen op achter te laten; dat zorgt voor een snellere voorvertering. Ook ‘kapot’ voer is makkelijker voor te verteren: snijd druiven open, kneus of scheur slablaadjes, etc.

(*) Theezakjes blijken tegenwoordig deels van plastic te  zijn: vaak zijn ze aan elkaar gelijmd, en soms zijn ze van nylon. Niet gezond voor de wormen dus. Ik zou ze alleen losse thee geven, geen zakjes!

Experimenteer door soorten afval naast elkaar te leggen, en kijk wat het snelst weg is. (De mijne blijken werkelijk dol te zijn op courgettes en komkommer.) Sluit elke laag ‘groen’ af met een laagje karton of ander ‘bruin’ voer. Voldoende karton is belangrijk voor een goede zuurgraad, de zuurstoftoevoer in de bak en de vochthuishouding.

Droog materiaal kunnen ze niet eten; daarom is een vochtig klimaat essentieel voor de compostering – en sowieso voor de overleving van de wormen zelf. Let op: terwijl de bovenlaag vrij nat kan aanvoelen, kan de bak onderin een stuk droger zijn. Je kunt, als je compostbak eenmaal op gang is, aan de hoeveelheid wormenthee zien of alles goed gaat: neemt die af, dan wordt je bak wellicht te droog.

Wormen worden dik en bleek wanneer het voedsel te nat is. Meng er in dat geval wat droge bladeren, karton of papiersnippers door. Keer de bovenste laag voorzichtig om met een lepel en maak aan de oppervlakte enkele gaten voor de afvoer van vocht.

Haal rottend voedsel altijd uit de bak. [naar boven]

• Wat is groen en bruin voer?

Bruin voer is rijk aan koolstof: karton, papier (geen glanzend papier), koffiedik (mag met filter), losse thee, versnipperd snoeihout, zaagsel, dode bladeren, stro, hooi en maiskolven. Bruin voer is slow food.

Groen voer is rijk aan stikstof: tuin- en keukenafval, aardappelschillen, fruit- en groenteresten, biologische bananenschillen, resten uit de groente- en siertuin en groen snoeiafval. Groen voer is fact food.

Rood voer is taboe: gekookte groente- en fruitresten, zuivel en kaas, vet en olie, zout en suiker, pasta, brood, vlees, botten, snijbloemen en niet-biologische bananenschillen (die bevatten gif). Doe rustig aan met ui, en wees spaarzaam met schillen van citrusvruchten. Voer geen versgemaaid gras: dat gaat broeien en zorgt voor oververhitting in de bak.

Strooi altijd een laagje grit over het voer dat je de wormen geeft. Grit is scherp spul: denk aan gemalen eierschalen, lavameel of zand. Wormen hebben dat nodig om het voedsel in hun verteringskanaal te vermalen. [naar boven]

Karton, aspergeschillen en koffiedik

• Wat is de ideale voedselverdeling?

Gebruik minstens 20 procent karton en kranten, en maximaal 30 procent koffiedik. Dek elke laag groen afval af met een laagje karton of met proppen van klein gescheurde kranten. Strooi om de twee weken een eetlepel mineralen in de bak, bijvoorbeeld lavameel.

Als je een dikke laag ‘groen’ afval hebt, kan er geen zuurstof bij. Je krijgt dan anaerobe compostering. Dat gaat enorm stinken en er ontstaat een slijmerige massa, waarin je wormen stikken. [naar boven]

• Waarom is karton belangrijk?

Voor de zuurgraad, voor de vochtregulatie (karton is een prima vochtabsorbeerder) en voor de luchtigheid. Vooral golfkarton zorgt door de fijne kanaaltjes voor de toevoer van zuurstof in je wormenbak. Het vochtige, met afvalsap doordrenkte karton is voorts een ideale hechtingsbodem voor allerlei micro-organismen.

Scheur het karton in stukken van circa 5 cm. Je kunt ook (kranten)papier gebruiken: scheur dat in stukjes en maak daar propjes van (voor extra lucht), of haal het door de versnipperaar. Kies liever niet voor gebleekt papier. Mijd glanzend papier (zoals glossy’s), dat neemt amper vocht op en zit vol inkt. Drukinkt is tegenwoordig vervaardigd op sojabasis en kan geen kwaad, maar sommige mensen gebruiken liever geen krantenpagina’s met kleurenadvertenties.

Karton en papier natmaken moet zeker in het begin, wanneer je de wormen net in de wormenbak hebt gezet: dan is er nog geen vocht dat uit afval vrijkomt. Na verloop van tijd kun je gewoon droog karton op het afval leggen; het wordt vanzelf nat.

Nat karton als afdeklaag kiezen kan ook goed (dan is het bovendien makkelijker te scheuren). Karton droogt snel op, en een te droge omgeving is een groter probleem voor wormen dan een te natte. [naar boven]

Een peuter op een schijfje komkommer. Je kunt de poepjes in zijn darmkanaal goed zien.

• Hoe start je op?

Maak de kweekgrond waarin je wormen kreeg, goed vochtig. De vuistregel: als je een handje ervan uitknijpt, moeten er een paar druppels tussen je vingers lopen. Maak een bedje van vochtig, verkreukeld karton in de bovenste ring en strooi daar de vochtige kweekgrond met de wormen op uit.

Laat de wormen geleidelijk wennen aan het eten van keukenafval. De eerste dagen geef je af en toe een paar lepels uit het zakje wormenvoer dat je bij je wormen hebt gekregen. Je hoeft niet veel voedsel toe te voegen: de kweekgrond bevat voldoende om de wormen een paar weken in leven te houden. Begin na een week voorzichtig wat afval toe te voegen.

Geef je wormen in het begin vooral niet teveel afval. Begin met een handjevol om de dag en voer de hoeveelheid geleidelijk op. Als je bak begint te stinken, geef je je wormen meer eten dan ze aankunnen, en dan gaan ze misschien dood.

Je kunt elke paar weken voorzichtig met een schepje of lepel in de compost graven om te kijken of de wormen floreren en of het composteringsproces goed op gang komt. [naar boven]

• Wanneer (en hoeveel) kun je ze voeren?

De wormen horen een paar centimeter onder de oppervlakte te zitten, net onder het afval. Zitten ze dieper, dan heb je ze teveel eten gegeven. Zitten de wormen aan de oppervlakte en is er bijna geen voedsel meer over, dan hebben ze serieus trek in een hapje (of eigenlijk: een slokje).

Volg deze vuistregel: de laag vers keukenafval mag niet dikker zijn dan 5 cm. Inmiddels weet ik dat het beter is ze eens per week te voeden, en hun eten te begraven onder een laagje bedding of compost (dit om te voorkomen dat je fruitvliegjes of andere ongein aantrekt).

Graaf geregeld op de plaasten waar je eerder hebt gevoed, om te controleren of het ook echt op is. Tegenwoordig voed ik ze op een vaste plaats: nieuw voedsel kan daar afbreken totdat het eetbaar is voor je wormen, en intussen doen ze zich tegoed aan het rottende voer. Als het onverwerkte voedsel zich opstapelt, wacht dan met voeren tot de wormen het al aanwezige voedsel opgegeten hebben.

Heb je een stapelbak? Roer dan geregeld door de bovenste bak om te controleren hoe diep het onverwerkte afval zit. In een gezonde bak zit de afgewerkte compost ongeveer 5 cm onder de bovenste laag. In de onderkant van de bovenste ring/bak en de lagen daaronder zou het voedsel volledig omgezet moeten zijn in wormenmest.(Nou ja: bijna. De nerven van balderen en de schillen van avocado’s vergen meer tijd.) In de compost vlak onder het voedsel zouden ook eitjes van de wormen moeten zitten; die leggen ze in verse compost, vlak onder het voedsel waarvan ze nog aan het eten zijn.

Heb je een enkele bak? Dan kun je het voedsel in een van de hoeken van de bak of in het midden ervan geven. Als je wilt experimenteren met een ‘nieuw‘ soort voedsel, kun je daar eerst een kleine portie van geven, ingegraven in een hoekje van de bak – dat heet pocket feeding. Op die manier kunnen ze de kat uit de boom kijken, en als het niets voor ze is, laten ze het links liggen. Dan weet je dat ze dat niet blieven.

Pocket feeding is ook handig om te bezien hoeveel je wormen eigenlijk eten. Je begint in hoek A, en de volgende week geef je eten in hoek B (en check je hoe het met A staat), De week daarop voed je ze in hoek C, en inspecteer je A en B. Als je dat een maand lang doet, krijg je een goede indruk hoe veel en hoe snel je wormen eten. [naar boven]

De hortensis mag graag rondjes trekken bovenin de bak. Soms krijg ik associaties met hamsters in een loopradje.

• Kruipen de wormen niet uit de bak?

Wanneer ze net in hun nieuwe onderkomen zitten, zullen ze de bak uitgebreid verkennen. Je zult ze, bij inspectie, overal in de bak aantreffen. Zijn ze eenmaal gewend, dan zullen ze niet snel op excursie willen – behalve wanneer het niet pluis is in je wormenbak.

Heb je de bak binnen, dan kun je de eerste week het licht aanhouden in de buurt van de bak. Wormen houden niet van licht, en om dat te mijden blijven ze liever binnen. [naar boven]

• Hoe ‘organiseer’ je de bak?

Dat hangt een beetje van het soort bak af, maar de meeste hebben verschillende lagen (emmers, of ringen) die je op elkaar stapelt. In de een-na-bovenste leg je een laag gesnipperd nat karton; daarop schud je voorzichtig de zak met het substraat en de wormen leeg. In de bovenste ring leg je weer nat karton, en daar bovenop wat voer. De wormen zullen door de gaatjes tussen de verschillende ringen heen en weer kruipen.

De bovenste bak, met het voer, vul je geregeld aan. Hij zal steeds flink slinken: van wat je erin gooit, blijft ongeveer een vijfde als compost over, en een flink deel daarvan zal in de bak eronder vallen. Zit de bovenste bak vol, dan zet je daar een schone, lege ring bovenop. Die bedek je weer met nat karton en hup, je kunt weer verder met voeren.

Wanneer alle ringen vol zijn – de meeste mensen hebben er drie, voor grotere huishoudens (of met veel snoeispul) kun je er vier nemen – haal je de onderste ring weg. Die zit inmiddels vol met compost en al het voer zal verteerd zijn. Doe de compost in een zak (of verspreid die in je tuin), en je hebt weer een lege ring die bovenop kan.

De onderste ring weghalen is overigens nog niet zo makkelijk: de wormenton is al met al nogal zwaar. Wat ik doe: wat kranten uitspreiden, het deksel van de bak halen en omgekeerd op de kranten neerleggen, twee stenen tegenover elkaar in het deksel leggen en daarop de bovenste ring zetten. (De stenen dienen om wat afstand tussen deksel en ring te houden: bijna altijd zijn er wormen die juist van de ene ring naar de andere kruipen; zou je de ring zonder stenen ertussen op het deksel zetten, dan plet je die wormen – en dat is niet de bedoeling). De andere ringen kun je dan stuk voor stuk voorzichtig op de bovenste ring zetten, net zolang tot je bij de onderste bent. Haal die er tussenuit en zet de overige ringen in omgekeerde volgorde terug.

Haal de compost uit de verwijderde ring en maak hem goed schoon. Gebruik water, geen schoonmaakmiddelen. [naar boven]

• Er zit schimmel in de wormenbak!

In de eerste stadia van het composteringsproces kan een wollige grijzige schimmel ontstaan. Die is niet schadelijk en heeft geen effect op de wormen. Sterker: schimmels zijn belangrijk voor de wormenbak. Grote witte vlokken op het afval zijn ook niet erg. Na een aantal dagen zijn die weer verdwenen. Mocht zo’n vlok te lang blijven liggen, dan kun je die eruit halen. De wormen eten die kennelijk liever niet. [naar boven]

Een schimmelwaas waarover ik licht bezorgd was, temeer daar ik de wormen minder zag. Ik heb het na twee dagen, toen het een donsje begon te worden, verwijderd (de plukjes opgepikt met een pincet); daarna zag ik weer meer wormen. Kennelijk was het een goed idee om het weg te halen.

• Last van fruitvliegjes?

Zorg dat je het keukenafval steeds bedekt met een dikke laag karton. Proppen natte kranten of dode bladeren zijn ook geschikt. Een hennepmatje voorkomt zowel het in- als het uitvliegen van de fruitvliegjes. Wat ook helpt: de zuurgraad verlagen (fruitvliegjes zijn dol op zuur) met wat extra lavameel. Je kunt tevens een fruitvliegjesval naast je wormenton zetten (en naast je fruitschaal).

Doorbreek desnoods de cyclus door het deksel van je wormenbak gedurende drie weken af te dekken met een vochtige doek. Je kunt in de bovenste ring een laagje zand of een hennepmatje leggen en je wormen drie weken niet voeren; vliegjes die uit de eitjes kruipen, kunnen dan nergens heen en gaan dood. [naar boven]

• Er groeit iets raars in mijn wormenbak!

Tussen het afval zitten soms ook dingen die kunnen ontkiemen, en dat doen ze dan: de wormenbak is immers rijk voorzien van compost, en lekker warm en vochtig. Bij het substraat waarin ik mijn eerste wormen kreeg, van een wormenhotel uit de Amsterdamse Pijp, zaten kennelijk ook zaadjes, want al na een paar dagen kwam er iets groens op.

Ik pluk de kiemen er soms uit, maar je kunt ze ook laten groeien. Uit nieuwsgierigheid heb ik vijf ontkiemde zaadjes in een potje gedaan, dat nu in de vensterbak staat: ik wil graag weten wat eruit komt. (Ze groeien, maar ik heb nog steeds geen idee.) Ook een ongebrande pinda die tussen de doppen zat die ik in de bak had uitgestrooid, ontkiemde enthousiast.

Onbekende kiem in mijn worrmenbak, inmiddels vaste klant. De glanzende zwarte dingen eromheen zijn wormenpoepjes: de vermicompost.

Een andere vaste gast in wormenbakken zijn paddenstoelen. Niks aan de hand, de wormen lusten ze best.  Ze zijn trouwens ook dol op oesterzwammentaart. Dat is de ‘koek’ die overblijft nadat je oesterzwammen op koffiedik hebt geteeld. Na de oogst van de zwammen kiep je je kweekemmertje om en snijdt die in zes of acht punten. Je begint een nieuwe zwammenteelt met een taartpunt – verkruimeld, vochtig gemaakt en gemengd met vers koffiedik – en je verkruimelt een taartpunt voor je wormen. Dubbel gerecycled! (De rest van de taart kun je uitstrooien in je tuin, als je die hebt.) [naar boven]

• Ik zie geen wormen in de bak?

Meteen nadat je het deksel hebt opgetild, zie je er geheid een paar wegschieten voor het licht (dat kunnen ze onverwacht rap: ze floepen zo weg) – je stoort ze dan in hun dagelijkse bedrijvigheid, zoals over het voer kruipen om daarop hun enzymen achter te laten. Je kunt wel zien dat ze langs zijn geweest: glanzende sporen over het karton, en overal kleine, korrelige poepjes: de humus. En mits je zelf stil bent, kun je ze horen knisperen: je hoort dat ze in beweging zijn.

Wanneer ze hun nieuwe huis hebben onderzocht, zullen de wormen uit het zicht blijven en zich verstoppen in de compost of net onder de bovenste voedsellaag. Komen ze massaal naar boven, dan is dat een signaal om je wormenbak te onderzoeken op problemen, zoals het vochtgehalte of de zuurgraad. Of ze hebben honger! Want hongerige wormen trekken naar de oppervlakte.

Je weet dat je een gezonde bak hebt wanneer die niet stinkt, en je zowel grote als kleine wormen in je bak ziet. De kleintjes zijn het bewijs dat ze zich vermenigvuldigen. [naar boven]

• De wormen liggen ineens allemaal op een hoop bovenin!

Bij grote stress zullen de wormen massaal naar boven komen en met z’n allen op een kluitje gaan liggen: ze vormen dan een wormenknoop. Ze doen dat bijvoorbeeld wanneer de omgeving te nat is (dan zullen ze verdrinken, dus snellen ze naar de oppervlakte), te zuur, of te heet.

Onderzoek je bak goed om te bekijken wat er aan de hand is. Als er te veel voer ligt en de laag afval te dicht wordt, gaat het broeien in de bak. Schap dan de bovenste laag weg en voeg wat karton toe, voor extra luchtigheid en zuurstof. Ventileer de bak een paar dagen door het deksel eraf te halen (en leg er een doek op om te voorkomen dat de wormen je hotel verlaten, of zet er een felle lamp boven).

Ook trillingen – bijvoorbeeld van een wasmachine in de buurt – kunnen zo’n paniekreactie veroorzaken. [naar boven]

• Wanneer heb je te veel wormen in je bak?

Tijgerwormen planten zichzelf snel voor, ze verdubbelen elke drie maanden in aantal. Na een tijdje zul je merken dat er meer zijn en het afval sneller ‘op’ is. Maar er zullen nooit te veel wormen komen: de diertjes vinden vanzelf een evenwicht tussen de hoeveelheid voedsel, de beschikbare ruimte en hun eigen aantal.

Mocht je toch vinden dat er te veel wormen in de bak zitten, dan kun je altijd een handjevol weggeven aan iemand die een wormenbak wil opstarten. Nieuwe jonge wormen nemen dan snel de plaats van hun voorgangers in.

Heb je een tuin? Dan kun je daar je overtollige wormen in loslaten. Leg ze in hoopjes op de grond, met wat van hun eigen compost eroverheen ter bescherming (voor je het weet pikken de vogels ze op). Ze zullen zich snel een weg in de grond banen. [naar boven]

Vruchtbare compostworm, met zichtbaar clitellum [bron: Wikimedia]

• Hoe werkt de voortplanting?

Vruchtbare wormen vormen een ring om hun lijfje. Ze gaan naast elkaar liggen, in tegengestelde richting, met de ringen tegen elkaar aan. Daaruit vormt zich dan een soort speekselfilm die beide wormen omvat; daarbinnen wisselen ze onderling sperma uit. Dat proces duurt een paar uur.

Daarna verhardt de ring zich en werkt de worm zich eruit. Deafgeworpen ring wordt een cocon, waarin de eitjes groeien. De worm legt een maand lang eitjes in zo’n ring, ongeveer één per week. De cocon is ongeveer zo groot als een rijstkorrel; in het begin is-ie helderwit, later wordt hij donkerder. In een cocon zitten, afhankelijk van het soort worm, één (Eisenia Hortensis) tot vier (Eisenia Fetidia) wormenjongen.

De eitjes kunnen makkelijk een jaar overleven en komen onder goede omstandigheden met een week of drie uit.

Pasgeboren wormpjes zijn ongeveer anderhalve centimeter lang, en groeien snel. Na twee tot drie maanden zijn ze zelf vruchtbaar. [naar boven]

Cocons van de fetida, al iets ouder

• Wanneer (en waarom) gebruik je lavameel?

Lavameel zorgt ervoor dat de wormenbak niet te zuur wordt. Voeg elke vier tot zes weken een handje lavameel toe om de compost pH-neutraal te houden. Voeg meteen lavameel toe wanneer je dunne katoendraad-achtige witte wormpjes ziet. Deze potwormen (enchytriads – ze zijn 3 tot 30 millimeter lang, en pigmentloos) zijn onschadelijk, maar zijn een indicatie dat de compost te zuur of te nat is. De ideale pH-waarde is neutraal.

Lavameel is ook nodig als grit: hard spul waarmee de wormen in hun verteringskanaal het eten vermalen. Andere leveranciers van grit: zand, en gemalen eierschalen.

Potwormen [bron: Wormenkwekerij Wasse]

Helaas eten potwormen levend organisch materiaal. Dat betekent dat ze dus ook wortels van planten kunnen eten. Met andere woorden: je wilt ze eigenlijk niet in je compost hebben.

Langhoornmug

Eenmaal volwassen verandert de potworm in een mug: eentje uit de familie Keroplatidae (langhoornmuggen).

In een verhouding van 240 gram per vierkante meter is lavameel trouwens ook een goede meststof voor je tuin, speciaal waar je zure condities wilt tegengaan (en je die meer alkalisch wilt maken). [naar boven]

• Hoe snel begint het composteringsproces?

In de eerste maand moeten de wormen wennen en zullen ze weinig eten; hun honger komt op gang zodra ze in hun gewone doen raken. Kort daarna kun je ook gezinsuitbreiding verwachten: ze gaan zich voortplanten. Dan moeten er meer mondjes worden gevoed, en kun je de hoeveelheid afval langzaam opvoeren.

In de loop van de tweede maand kun je de eerste vloeibare plantenvoeding aftappen, afhankelijk van de vochtigheid van het menu dat je de wormen serveert.

Een handvol keukenafval heeft zes tot acht weken nodig om volledig in compost te worden omgezet. De meeste mensen wachten echter totdat alle ringen van de wormenbak vol zijn voordat ze de compost uit de onderste ring oogsten. Als je continu voedsel toevoegt, zal dat normaal gesproken zes tot twaalf maanden duren. [naar boven]

• Wat is wormenthee?

[Rectificatie:] Net als veel beginnnelingen dacht ik dat het lekwater uit een wormenbak (Engels: leacheate) wormenthee is. Maar lekwater is gewoon dat: overtollig vocht, dat je onderaan je bak kunt opvangen. In een goed functionerende wormenbak heb je geen lekwater: de vochthuishouding is er op orde.

Wormenthee (Engels: percolate) is iets anders. Je maakt het door compost en water te mengen, en die mix te laten fermenteren en te beluchten. Het schijnt super-pokon voor je planten te zijn, en er zijn recepten voor te vinden op internet. Maar gewoon wormencompost aan je potaarde toevoegen is een stuk simpeler. [naar boven]

Inmiddels weet ik dat wormen even makkelijk vooruit als achteruit kruipen, en dat ze vaak bovenop en langs elkaar langs de wand van de wormenton liggen.

• Wanneer is de onderste ring goed gecomposteerd?

Je kunt aan de inhoud zien of het spul volledig gecomposteerd is: het is dan zwarte, rulle aarde geworden. Meestal zijn de wormen inmiddels naar boven verhuisd, waar het voedsel is, maar het kan zijn dat er nog een verdwaalde worm in de onderste bak zit. Wanneer je de compost voor kamerplanten gebruikt, kun je even zoeken of er nog een worm in zit. Gebruik je de compost voor de tuin, dan kan zo’n verdwaalde worm gewoon meeverhuizen. [naar boven]

• Wat als de onderste nog niet volledig is gecomposteerd?

Er kunnen meerdere redenen zijn waarom de bovenste ring al vol is voordat de onderste ring volledig is gecomposteerd: van een te lage temperatuur tot te veel afval. Je hebt een aantal opties:

  • Kijk of de compost in de onderste twee ringen zover geslonken is dat je de inhoud ervan kunt samenvoegen.
  • Haal de grootste stukken onverteerd afval uit de onderste ring en doe die in de bovenliggende ring. De onderste ring bevat nu vooral compost, en kan in je tuin worden geleegd.
  • Pak een teil of emmer en doe daar de inhoud van de onderste ring in. Laat deze bak afgedekt op een rustig plekje staan, terwijl de wormen hun werk voltooien. Tegen de tijd dat (bijna) alles is omgezet in compost, kun je de wormen terugverhuizen naar hun hotel, en de emmer in de tuin legen.

Maak daarna de onderste ring goed schoon (met water, nooit met zeep) en zet ’m bovenaan. Dit is je nieuwe afvalbak. [naar boven]

Een hortensis die weinig heeft gegeten, oogt wat bleekjes. Deze heeft kennelijk een vijfgangenmenu achter de rug, of het is een afwijkend type: niet eerder zag ik zo’n donkere worm in de bak.

• Hoe versnel je het composteringsproces?

  • Snijd het afval klein: hoe kleiner het voer, hoe groter het oppervlak dat de enzymen kunnen bewerken. Dan kunnen de wormen het sneller opeten. Maar maal het niet tot moes: dan kan er geen lucht meer bij, en stikken je wormen.
  • Net als mensen worden wormen actief van cafeïne, en actieve wormen hebben meer honger: doe meer koffieprut in je wormenbak. (Koffieprut is sowieso goed: de verhouding koolstof/stikstof ervan is ideaal.)
  • Zorg voor meer compostwormen in je wormenbak. Een wormenkolonie kan zich in drie maanden tijd verdubbelen, en kan dan ook de dubbele hoeveelheid afval verteren. Moedig de voortplanting aan met wat extra koffieprut. [naar boven]

• Hoe haal je de wormen uit de onderste ring?

Daar zijn allerlei methodes voor. Het meest gegeven advies: kiep de onderste ring om in een emmer en dek die af met doorzichtig plastic. Dan kunnen de wormen er niet uit, maar door het licht – dat ze steevast mijden – zullen ze zich ingraven. Haal na een paar uur de bovenste laag compost weg totdat je wormen ziet, en herhaal dit procedé een paar keer, net zolang totdat de emmer leeg is.

Er is ook een andere manier, maar die is not for the faint of heart. Leeg de onderste ring in een flinke emmer. Neem een rijpe banaan en snijd die doormidden; eet de ene helft op. Graaf een kuiltje in de compost, stop de andere helft er met schil en al in en bedek die met een laagje compost. Dek de emmer goed af. Wacht vijf tot zeven dagen, en graaf de halve banaan er dan voorzichtig uit: de schil zal nu tjokvol wormen zitten. Haal de kluwen wormen eruit, leg die in de bovenste ring van je bak, en woel de kluit wormen voorzichtig los. De half afgekloven schil kan er gewoon bij.

Nu is je emmer vrijwel wormenvrij. Voor de zekerheid kun je het procedé nog een keer herhalen, maar dikke kans dat je zo bijna alle wormen verzameld (en verhuisd) hebt die eerder in de emmer zaten.

Deze truc leerde ik van een YouTube-video van Beansie – en ja, als je die kluit wormen uit de bananenschil haalt, oogt het nogal, eh, vlezig. Waarschuwing van Beansie: de wormen ogen vrij indolent nadat je ze hebt opgeschept; dat komt omdat ze dicht opeengepakt in de schil zaten, en wel wat lucht kunnen gebruiken. Zodra ze weer in een gewone bak liggen en je ze voorzichtig loswoelt, beginnen ze te bewegen een graven ze zich rap naar beneden. [naar boven]

• Stinkt het?

Een gezonde wormenbak stinkt niet; die ruikt naar verse bosgrond met een vleugje van de etensresten die je recent hebt gevoerd. Compostwormen eten je afval op zodra het begint te rotten, nog voordat de bacteriën die de stank veroorzaken zich kunnen ontwikkelen.

Als je bak begint te stinken, geef je je wormen dus kennelijk meer eten dan ze aankunnen. Stank kan ook ontstaan als er te weinig zuurstof in de wormenbak zit. Check of de gaatjes in de bodem van de ring niet verstopt zijn. Je kunt ook overtollig afval verwijderen en wat extra karton toevoegen.

Zorg dat de laag afval nooit meer dan 5 cm dik is. [naar boven]

De wormen zijn lekker bezig. Het witte stukje links is een deel van de oesterzwammentaart.

• Waar zet je zo’n bak?

Je wormenton kan in de tuin, op het balkon, in de keuken, of waar je maar plaats hebt. Er zijn ook mensen die in hun buurt een gezamenlijk wormenhotel onderhouden (zie ‘buurtcomposteren’). Er zijn kleine wormentonnen (de ‘wormenkruk’), grote, chique uitgevoerde en zelfgekluste exemplaren, gemaakt van een paar op elkaar gestapelde emmers.

Zorg dat je wormenton of -bak niet te heet staat: in de volle zon wordt de temperatuur in de bak te hoog, en dat kunnen je wormen met de dood bekopen. Zet hem op een schaduwrijke plaats. Staat je bak ook ’s winters buiten, pak hem dan in een dikke laag bubbeltjesfolie als het vriest. Wanneer het koud wordt, zullen je wormen minder actief worden (en dus minder afval kunnen verwerken). De ideale temperatuur voor wormen is tussen de 15 en 25 graden.

De mijne staat in de badkamer, naast de wc. In mijn tuintje wordt het ’s zomers snel heet en er zitten veel mieren, die ik er liever niet als extra gasten in heb. Een tweede voordeel: de temperatuur is er constant, dus mijn wormen kunnen gestaag dooreten. Derde voordeel: ik loop net effies sneller met een handje voer naar de wc dan naar buiten. [naar boven]

• Op vakantie?

Een werkende wormenbak een tijdje alleen laten, zonder tussentijdse voeding, is geen enkel probleem: de diertjes kunnen makkelijk vier weken zonder. De wormen reguleren hun activiteit naar gelang de hoeveelheid voedsel die voorhanden is. Vergeet niet voor vertrek alle vloeistof af te tappen en meng wat karton of versnipperd krantenpapier in de bak. Zet de kraan open met een bakje eronder, om overtollig vocht op te vangen.

Je kunt je buren vragen om af en toe een handje wormenvoer in de bak te strooien. [naar boven]

• Waar dient het (her)startpakket voor?

Het complete (her)startpakket bevat hennepmatjes, lavameel, wormenvoer en kweekgrond. De kweekgrond heb je nodig als je wormen het zwaar hebben gehad (vanwege een hete zomer of een extreem koude winter, of weinig eten hebben gehad tijdens je vakantie). Wormenvoer gebruik je als je wormen moeten aansterken of als je de buren vraagt je wormen te voeren bij langere afwezigheid. Hennepmatjes helpen bij het tegengaan van fruitvliegjes; je legt ze bovein de bak. Lavameel voorkomt een te zure bak en helpt tegen fruitvliegjes en potwormen. Daarvan kun je sowieso elke veertien dagen wat in de bak strooien. [naar boven]

• Bronnen

[naar boven]

EarthBNB

Sinds een week of wat heb ik nieuwe huisgenoten. Nogal veel: inmiddels een paar honderd, schat ik. Ze hebben geen longen en in de open lucht stikken ze binnen het kwartier; als hun omgeving te nat is, verdrinken ze. Ze hebben liefst tien hartjes, die gepaard in hun lijfje zitten: vijf setjes van twee. Ze zijn verrassend sterk: als ze kronkelen, voel je de kracht waarmee ze zich verzetten. (Ik durf alleen de grote op te pakken, bij de kleintjes ben ik enigszins benauwd dat ik ze bezeer.)

Mijn huisgenoten zitten in een wormenton, waar ze mijn huis-, tuin- en keukenafval voor me composteren. Plus een boel karton, dat ze nodig hebben voor de cellulose. Ze zijn nu hard bezig de doos waarin zij en hun nieuwe onderkomen hier arriveerden, in stukjes en beetjes op te eten: een prachtig voorbeeld van de kleinschalige recycling waarvoor ik ze in huis heb gehaald.

Maar een roedel compostwormen verzorgen is iets anders dan omgaan met een kat of hond: je kunt niets aan hun snoetjes aflezen. Je moet hun gedrag bestuderen, en kijken of het goed gaat in hun EarthBNB. Dat kost tijd: je ziet de invloed van elke ingreep op z’n vroegst een paar dagen later. Alsof je een olietanker bestuurt, een mammoetschip gemaakt van tijgerwormen.

Omdat het levende have is, heb ik met de aanschaf ook een verantwoordelijkheid op me genomen – dat klinkt wellicht plechtig, of misschien zelfs licht potsierlijk, ‘verantwoordelijkheid jegens wormen’, maar je kunt niet iets levends in huis halen en dat dan door je eigen nonchalance laten sterven.

Dus zit ik tien keer per dag op mijn knieën stilletjes voor de wormenbak en kijk. Een dag nadat ik vers eten – mijn afval, hun lekkernij – voor ze heb neergelegd, verschijnen overal kleine poepjes op de mangoschillen en tussen de broccoliroosjes, en zie ik glimmende sporen op het karton. Ha: daar zijn ze geweest. Soms zie ik ze wegschieten als ik het deksel optil, wormen kunnen onverwacht snel zijn: ze duiken dieper in de bak, weg van het licht. Ik zie soms al kleine wormenbaby’s. En altijd hoor ik het geknisper van hun gewroet, net onder de oppervlakte.

Het blijkt buitengewoon leuk te zijn om te verkennen wat leven in een bak met afval doet, en om van spul dat je normaal bij de vuilnis gooit iets nuttigs gemaakt te zien worden: compost en plantenvoeding.

Wat ik niet had verwacht: die diertjes veranderen mij – nou ja, een beetje. Vorige week overwoog ik in de supermarkt even om een pak fijngesneden groente te kopen. ‘Lekker voor mijn wormen,’ dacht ik, voordat ik mezelf tot de orde riep: afval kopen is een brug te ver, en nogal contraproductief. Wel kocht ik voor het eerst biologisch geteelde bananen. Gewoonlijk maal ik daar niet om, maar ik was gewaarschuwd dat gewone bananenschillen vol gif zitten. Ik kocht biologische teelt – niet voor mij, maar omdat ik gezonde schillen aan mijn commensalen wilde geven.

Naschrift: Aangezien ik bij iets nieuws meestal full nerd ga, heb ik me intussen uitgebreid ingelezen over het wel en wee van compostwormen. Al snel merkte ik dat iedereen wel iets zei, maar haast niemand alles. Vandaar dat ik mijn eigen Wormenbak FAQ heb gecompileerd: de lijst van Frequently Asked Questions.

[Beeld: crabchick / Compost worms (fragment) / Some rights reserved]

Keuzes hebben consequenties

Voor corona speelde deze discussie: mogen ouders weigeren hun kind te vaccineren en het toch naar een kinderdagverblijf brengen, waar het andere kinderen kan infecteren met ziektes die permanente handicaps of de dood kunnen veroorzaken?

Ouders hebben het recht te weigeren hun kind te vaccineren. Betekent dat ook dat ze het recht hebben andermens’ kinderen ophet kinderdagverblijf in gevaar te brengen? Want kleintjes kunnen niet meteen worden ingeënt.

Niet-ingeënte peuters worden tot die tijd uitsluitend door groepsimmuniteit beschermd: ze zijn veilig zolang niemand in de omgeving een van die ziektes kan krijgen. Maar wanneer de vaccinatiegraad daalt – wat na al enige tijd gaande is – lopen zulke kleintjes ineens meer risico. Aanvankelijk speelde dat vooral in de protestantse Bible Belt, waar geregeld uitbraken van bijvoorbeeld mazelen en meningokokken plaatsvinden. Maar de afgelopen jaren daalde de vaccinatiegraad ook elders dusdanig dat deskundigen zich zorgen maakten: de groepsimmuniteit zakte tot nabij de ondergrens.

Dat had veel te maken met een vals geloof dat de mazelen-bof-rodehond vaccinatie autisme zou veroorzaken (in het leven geroepen door wetenschapsfraudeur Andrew Wakefield). Daar kwam een New Age-achtige notie bij dat het ‘beter’ was wanneer het afweersysteem van het kind zelf zou leren zulke ziektes te bestrijden (wat overigens precies is wat vaccinatie doet), en dat inenting ‘kunstmatig’ zou zijn, of vooral de kas van Big Pharma zou spekken.

Maar nu zitten we ermee. Er is argwaan jegens de coronavaccinaties, nog meer dan bij kindervaccinaties. En dezelfde discussie dient zich binnenkort aan: moet het consequenties hebben wanneer mensen een inenting tegen corona weigeren?

Inmiddels neig ik naar ‘ja’. We stellen, juist vanwege de veiligheid van derden die anders onwillekeurig slachtoffer kunnen worden van iemands hoogstpersoonlijke keuzes, vaker grenzen aan de grenzen van iemands vrijheid.

Zo mag je niet zonder rijbewijs een auto besturen. In een auto moet je bovendien, voor je eigen veiligheid, verplicht een gordel dragen. Wie op een brommer rijdt, moet een helm op. Wie aan het verkeer deelneemt, mag niet dronken zijn. Wie een veroordeeld stalker is, mag niet in het onderwijs werken.

Daar gaat een redenering achter schuil die een solide precedent vormt: iedereen heeft een grote mate van vrijheid, maar die wordt beperkt door de mate waarin je een ander met je eigen gedrag en gemaakte keuzes kunt benadelen.

Aangezien corona bewezen in staat is om een hele samenleving lam te leggen, en niet iedereen zich ertegen kan laten vaccineren – wie al een gecompromitteerd immuunsysteem heeft, bijvoorbeeld vanwege een kankerbehandeling, kan zich doorgaans niet laten inenten – denk ik dat de noodzaak van groepsimmuniteit boven de individuele keuze uitstijgt.

Je hoeft je niet te laten vaccineren, maar accepteer dat je daarvoor een aantal rechten moet inleveren. Net als wie straalbezopen is.

Kop in het zand

Moe zijn we ervan, het is welletjes geweest. We willen weer uit, vakantie vieren, op terrasjes hangen, flirten op straat, weg met die maskertjes, vrienden en familie zoenen en innig omhelzen. De hoogste tijd voor versoepelingen! Het gaat toch al beter?

De vaccinatiegraad in Nederland is echter laag, hoewel de inentingen gelukkig op stoom komen. Het is daarom zeer de vraag of ze ons in al die buitenlanden waar wij naar hunkeren, wel willen hebben: zij zijn weliswaar afgeschaald naar geel, maar Nederland zelf valt vooralsnog onder de dieprode gebieden. Ik zou ons niet graag over de vloer hebben.

Onderliggend tekent zich een breder probleem af: kortzichtigheid en zelfzucht. We lijken collectief te geloven dat, zodra we hier de boel enigszins op orde hebben, we het gewone leven kunnen oppakken. Alles als vanouds, niks meer aan het handje.

Maar als corona ons iets heeft geleerd, is het dit: de hele wereld gaat ons aan en no man is an island. We weten nu dat de hele wereld knarsend tot stand kan komen door een verkouden vleermuis die ergens in China uit een boom wordt gemept en vervolgens op een markt ter consumptie wordt aangeboden. Waarom houden we onszelf dan voor dat de huidige kwart miljoen nieuwe besmettingen per dag in India, nota bene vrijwel zeker een onderrapportage, ons niet aangaan? Waarom denken we onze ogen daarvoor te kunnen sluiten?

Het beste dat we kunnen doen, maar ja, daar heb je betere leiders voor nodig dan wij in de aanbieding hebben, is na nationale inspanningen om iedereen gevaccineerd te krijgen, die operaties als de wiedeweerga uitbreiden naar de rest van de wereld – brandhaarden eerst.

In Honduras, Venezuela en Nicaragua heeft minder dan 1 procent van de bevolking de eerste dosis gehad, de meeste landen in Afrika zitten onder de 2 procent. Dat is deels een kwestie van geld, deels van logistiek, maar vooral van een schreeuwend tekort aan vaccins. Intussen zijn de rijke landen die aan het hamsteren.

Via Covax zouden vaccins aan armere landen worden gedoneerd. Dat doen we mondjesmaat. En soms schepen we ze, zoals epidemioloog Amrish Baidjoe recent in Buitenhof uitlegde, zelfs op met onze afdankertjes: Zuid-Soedan en Malawi kregen 60 duizend doses, maar die waren nog slechts twee weken houdbaar.

Als we andere landen niet uit solidariteit willen helpen: dan desnoods uit welbegrepen eigenbelang. Elk gebied dat een nieuwe coronabrandhaard wordt, heeft immers de potentie de bakermat van nieuwe mutaties te worden – dat is eerder in Engeland, Brazilië, Zuid-Afrika en India gebeurd. Dan is het wachten op een mutant die de huidige generatie vaccins te slim af is, en voor je het weet begint het hele circus overnieuw.

Dit is geen tijd voor nationalisme, egoïsme of kortetermijndenken. Zie de wereld zoals zij is: verbonden tot in al haar vezels. Wat een ander aangaat, is ook voor u belangrijk. Wat u schaadt, schaadt ook een ander.

[Beeld: Tmaximumge / PxHere / fragment / CC0]

De bevrijding die dat niet was

Net als André van Duin ga ik voor Dodenherdenking liever naar het Homomonument dan naar het monument op de Dam. Toen Van Duin afgelopen dinsdag wel op de Dam aanwezig was, en daar een ontroerende speech hield, sprak hij met liefde over het Homomonument. ‘Dat wij in Nederland sinds 1987, als eerste in de wereld, zo’n monument hebben, tekent onze vrijheid: de vrijheid dat iedereen hier zichzelf mag zijn, zonder dat iemand anders daar wat van zegt.’

De geschiedenis was wranger dan dat. Het Homomonument kwam tot stand omdat homo-organisaties jarenlang bij de officiële Dodenherdenking werden geweerd. Meelopen in het formele defilé mochten ze niet, laat staan een krans leggen. Hun aanwezigheid werd gezien als provocatie jegens andere oorlogsslachtoffers en -getroffenen.

Ook in boeken over de Tweede Wereldoorlog was amper aandacht voor de homovervolging. Erger: nog lang werd gedacht dat homoseksuelen – en zij die daarvoor versleten werden – eigenlijk een plaats in een Duits kamp verdienden. De geallieerden zouden in 1948 nog bevestigd hebben dat criminelen, moordenaars en homoseksuelen in hun ogen met recht in het kamp hebben gezeten; in 1953 herhaalde de Duitse overheid dat rijtje (en voegde daar de zigeuners nog aan toe).

Toen de homobeweging opkwam, vanaf eind jaren zestig, waren de meer activistisch ingestelde homo’s het zat: ze vroegen niet braaf toestemming om mee te mogen doen, ze deden het gewoon. Twee van hen speldden zichzelf roze driehoekjes op, die voor de homo’s waren wat de gele ster voor de Joden was, en togen naar de Dam. Maar toen zij hun krans met roze linten wilden neerleggen, werden ze gearresteerd. De krans werd vernield. Dat was op 4 mei 1970.

Er was al langer gefantaseerd over de mogelijkheid om een eigen monument op te richten; deze gebeurtenis gaf daaraan een flinke impuls. Pas in 1979 kreeg dat idee handen en voeten, toen gemeenteraadslid Bob van Schijndel pleitte voor een homomonument. Er kwam een stichting, er kwam geld, de gemeente wees een locatie aan, en er kwam een ontwerp.

In september 1987 werd het Homomonument officieel in gebruik genomen: het allereerste monument ter ere van de homoseksuelen die door de nazi’s vervolgd, in kampen geïnterneerd en vergast werden. De eerste Dodenherdenking daar vond plaats op 4 mei 1988, pas 33 jaar geleden dus – liefst 43 jaar na afloop van de oorlog.

Eén keer mocht ik er spreken, op 4 mei 1995. Dat was de eerste keer dat er vertegenwoordigers van alle strijdkrachten in uniform aanwezig waren: het leger, de marine, de luchtmacht en de marechaussee. Zij droegen ook iets op hun borst: geen roze driehoek of Jodenster, maar een rij lintjes. Het ontroerde me mateloos.

Pas op 4 mei 2012, bij de 25e Dodenherdenking bij het Homomonument, was daar voor het eerst een officiële vertegenwoordiger van de Nederlandse regering aanwezig.

[Beeld (fragment): Charles Roffey | vai Flickr | Some rights reserved]

De omkering aller waarden

Vandaag, op 4 mei, herdenken we de slachtoffers van het fascisme: de joden die zijn vergast door de nazi’s, de politieke gevangenen die zijn gefusilleerd, de homoseksuelen die werden vervolgd, de tweelingen die als medisch experiment zijn gebruikt, de dwangarbeiders die werden afgebeuld totdat ze er dood bij neervielen. De burgers die werden gebombardeerd, werden opgepakt bij razzia’s, die de mond werd gesnoerd, die op de bon moesten leven en uiteindelijk bloembollen moesten eten.

Oorlog is vrede. Vrijheid is slavernij. Onwetendheid is kracht.

Morgen, op 5 mei, is Nederland In Opstand, de groep van de extreemrechtse Tinus Koops, van plan te demonstreren op het Malieveld in Den Haag. Hun motto: ‘Bevrijdingsdag moet weer de dag van de vrijheid worden.’ Deze week stelde Forum voor Democratie voor de zoveelste keer de coronamaatregelen gelijk aan de Duitse bezetting: ‘Op 5 mei herdenken wij 75 jaar vrijheid: 1945 – † 2020’.

Feiten zijn leugens. Bescherming is bezetting.

Rik Rutten, politiek verslaggever van NRC Handelsblad, liep gisteren in een uitgebreid twitterdraadje de ondertekenaars van Forums ‘vrijheidsherdenking’ na: allemaal corona-ontkenners, complotdenkers en extreem conservatieve of zelfs extreemrechtse organisaties. Een van de ondertekenaars typeert Nederland als ‘een totalitaire staat’. Een andere meent dat corona een groot complot is: alles is van hogerhand ‘gesimuleerd en vanaf januari [2020] uitgerold’. Het RIVM en de Wereldgezondheidsorganisatie zijn marionetten van de jood Soros, en hun maatregelen zijn onderdeel van een complot tegen de burgers.

Ontkenning is waarheid. Vaccinatie is gif.

Er doemt een notie van ‘vrijheid’ uit dit gedachtengoed op die zich alleen maar laat karakteriseren als: niemand mag mij in de weg staan. Mijn vrijheid is het hoogste goed, waarvoor alles moet wijken.  Ik ben belangrijker dan jij. Mijn rechten wegen zwaarder dan die van iedereen die meer risico loopt dan ik, of die bescherming behoeft. Zij doen er niet toe – ik wel.

Solidariteit is onderdrukking.

Maar vrijheid die ten koste gaat van anderen, is geen vrijheid – het is armzalig verpakt eigenbelang. Denken dat anderen er niet toe doen, is niet hetzelfde als burgerrechten verdedigen: het is arrogantie. Vrijheid is, net als solidariteit, iets wat alleen bestaat met, door en dankzij anderen. Je bent niets en niemand zonder de mensen om je heen, en elk mens is tot in zijn haarvaten met de levens van anderen verbonden – en juist dat is wat we nu zo schrijnend zien, met de coronacrisis.

Want de zelfzucht van de enkeling brengt talloos veel anderen in gevaar. Omgekeerd danken nu absurd veel mensen hun leven aan de opoffering van anderen: denk aan de excessieve inspanning van de mensen in de zorg.

We danken onze vrijheid zelden aan onszelf alleen, en nooit aan extreemrechts.

[Beeld: Homomonument Amsterdam, foto bewerkt door BoBink / via Wikimedia / CC0]

Huishouding

Het was een degelijk gesprek bij Buitenhof: de Nationale Ombudsman schoof aan, de vicepresident van de Raad van State, plus de president van de Algemene Rekenkamer. Zat Nederland in een bestuurscrisis? Het ging over wetgeving die te complex was en daardoor onuitvoerbaar, over dichtgetimmerde regeerakkoorden waar niemand nog een vinger tussen kreeg, over de moeizame verhouding tussen het parlement en de regering, over hun eigen adviezen die vaak waren genegeerd, en natuurlijk over de tegenmacht, waarvan iedereen tegenwoordig de mond vol heeft, de premier incluis.

Een term die vaak viel was ‘informatiehuishouding’. Daar schortte het aan, die moest echt beter. Het klonk alsof de overheid helaas de weg was kwijtgeraakt in haar eigen paperassen en daardoor tekortschoot in haar taak. Het was evident een probleem, maar klonk tegelijkertijd overzichtelijk: als iets dat een legertje archivarissen gerust kon oplossen.

Maar het is een eufemisme van de bovenste plank, een gekuiste term die het echte probleem verhult: dat de overheid informatie doelbewust achterhoudt. De overheid dupeert daarmee specifieke burgers – getuige de slachtoffers van de toeslagenaffaire, die jarenlang niet is verteld dat zij voor fraudeurs werden versleten, laat staan waarom. Toen dat eindelijk boven tafel kwam doordat die burgers gingen procederen, en de overheid hen inzage in hun dossiers moest geven, kregen ze hun eigen dossiers zwartgelakt terug. Zelfs in hun rechtszaken verzaakte de overheid relevante documenten te produceren.

Ook journalisten worden gedupeerd: die moeten steeds vaker procederen om stukken te bemachtigen waarop ze volgens de Wet openbaarheid bestuur (wob) recht hebben. Het Platform Authentieke Journalistiek is al twee jaar bezig documenten over Shell te verkrijgen, en ontdekte recent dat ambtenaren op hoog niveau hadden vergaderd om te verzinnen hoe ze dat wob-verzoek konden dwarsbomen.

En de Kamer? Die wordt helaas geregeld voorgelogen door Rutte en zijn kabinet: over bonnetjes, over dividend-memo’s, over functies elders, en zelfs over het doelbewust achterhouden van informatie aan de Kamer.

Een kabinet dat bijwijlen liegt en een overheid die burgers en journalisten vijandig bejegent – dat is geen kwestie van ‘informatiehuishouding’. Dat is een verziekte situatie, die om een fundamentele verandering vraagt.

Juist nu we te maken hebben met een lawine van nepnieuws en valse berichten, mensen steeds meer moeite hebben feit van fictie te scheiden, nu sommige politici openlijk feiten ontkennen, en trollen zelfs een Kamercommissie wisten te bedotten met een nepgezant van de Russische oppositieleider Navalny, is het essentieel dat de overheid zelf zich altijd betrouwbaar betoont en openheid betracht. Want zodra je het gezag niet meer kunt vertrouwen, brokkelt alles af, zelfs de tegenmacht.

Het gaat niet om de informatie, maar om de machtsverhouding. Zodra de overheid zich niet wenst te laten controleren, onttrekt zij zich aan de democratie.

[Beeld: fragment uit de vrijgegeven kabinetsnotulen, pagina 16]

Een blokje om met je vuilnis

Het is klein leed, ik geef het grif toe, maar de ergernis duurt al maanden – en dat telt ook. Bovendien oogt het smerig: de stroom afval naast de ondergrondse afvalcontainers. Sinds begin vorig jaar staan ze ook in mijn buurt, en het werd er bepaald niet schoner op. Bijna altijd staat er troep naast.

Maar dat ligt aan ons, begrijp ik. ‘De gemeente zet die zak niet naast de container,’ berispte wethouder Laurens Ivens (SP) de burgers vorige week via Het Parool. ‘We moeten met elkaar beseffen dat dit een collectieve inspanning is. De wethouder kan dit niet allemaal oplossen en de vuilnisman ook niet.’

Maar dat doen mensen ook, zich inspannen en zoeken naar oplossingen. Mijn lieve, oudere buurman van om de hoek brengt zijn afvalzak tegenwoordig al weg als die halfvol is: hij woont op tweehoog en heeft hartklachten, de container is honderdvijftig meter verderop. Een vollere zak ernaartoe dragen lukt hem gewoon niet. Soms zie ik de buurman na zo’n poging ontmoedigd terug sjokken, halflege vuilniszak nog in de hand: de container was weer eens vol. Hij heeft zijn vuilnis weer mee naar huis genomen.

Zelf ga ik tegenwoordig eerst poolshoogte nemen: ik loop naar de container om te zien of daar nog iets in kan, en zo ja, dan ga ik naar huis, bind de vuilniszak dicht, til hem in mijn Canta, rijd ermee de container, dump er mijn afvalzak, rijd terug naar huis, parkeer mijn Canta en ga weer naar binnen. Want anders dan de buurman kan ik een halfvolle vuilniszak geen honderd meter dragen, dan is mijn sjouwarm nadien een paar uur ontregeld.

Toen het vuil gewoon werd opgehaald, wist je precies waar je aan toe was: elke woensdagochtend en zaterdagochtend kon je je troep buiten zetten – of, in andere buurten, op andere vaste dagen – en een paar uur later was alles keurig weg. Ging bijna altijd goed, op de shit van een onverlaat na die zich had verslapen.

Stond er naast het afval een oud krukje, een bijzettafeltje of een fotolijst? Dan kon je dat meenemen, als je er toevallig emplooi voor hand. De lokale morgensterren vonden er geregeld iets van hun gading. En bij de neerzetplekken stonk het nooit nadat de mannen van de vuilnis hun ronde hadden gedaan.

De ellende is: met die containers weet je nooit waar je aan toe bent. Kan-ie nog iets verstouwen? Zo nee: wanneer wordt-ie leeggehaald? Zijn daar vaste dagen voor? Zo ja, welke dan? Die informatie is nergens te vinden. Evenmin wie je kunt bellen als het kreng weer eens verstopt zit. Afgelopen vrijdag zat er iets klem in de container; dagenlang kon niemand zijn afval erin kwijt. (Ik was best trots op de buurt dat er zondagmiddag pas één vuilniszak naast stond, en hoop van harte dat de voormalige eigenaar ervan geen boete heeft opgelopen.)

Het voelt als een loterij met vooral veel nieten. Alle regelmaat is weggenomen, en verruild door willekeur, heel veel boetes, en een boze wethouder die ons bovendien de schuld geeft.

[Beeld: Afvalwijzer Amsterdam, Stadsdeel Centrum, jan. 2021]

De matties van de ministers

Al langer piekerde ik hoe het kabinet er nu een noodwet over de avondklok doorheen kon jagen die de juiste grondslag miste. Dat de Kamer het niet doorhad, kan ik me voorstellen: die beschikt niet over een gespecialiseerd leger ambtenaren. Maar Justitie en Binnenlandse Zaken wel. Had er niemand met kennis van grondrechten bij een topambtenaar aan de bel getrokken? Had geen enkele stafchef zijn of haar minister gewaarschuwd dat die op het punt stond te blunderen? Ik kon het me slecht voorstellen.

Tot ik een interview met Onno Ruding hoorde, oud-minister van Financiën onder Lubbers, in de jaren ’80. Ruding haalde daarin uit naar de Algemene Bestuurdienst; de pool van hoge ambtenaren, die geregeld van directoraat – en soms ook van ministerie – moeten wisselen, als waren ze deelnemer aan een stoelendans zonder nieten. Dat kwam neer op systematisch afbreuk doen aan het belang van vakkennis, vond Ruding: zo schiep je een generatie van generalisten, die eerder manager waren dan specialisten. Er zouden veel meer vakinhoudelijke eisen aan hun benoeming moeten worden gesteld.

Ruding liet de term ‘bontkraag’ vallen: topambtenaren die als een beschermlaagje om de nek van hun minister klitten. Hoogleraar Roel Nieuwenkamp schreef in 2014 een boek over deze ‘functioneel-gepolitiseerde’ topambtenaren: Schaduwpolitici, bontkragen en blokkendozen. Ze fungeren eerder als ministeriële entourage of hofhouding dan als kritische deskundigen; ze zijn er meer om hun minister te stutten en steunen dan om solide beleid te bepleiten en als advocaat van de burgers treden ze zelden op, omdat zulks hun minister niet behaagt.

Hoge ambtenaren hebben geleerd de minister te dienen, in plaats van het land en de burgers. Alles uit loyaliteit. Alles, uiteindelijk, ook om niet zelf ten onder te gaan: niet op alle ministeries en overheidsorganen is de cultuur even prettig. Interne kritiek is ook onderling minder welkom, zelfs in die mate dat-ie makkelijker stokt in plaats van vrijelijk stroomt. De Belastingdienst zette nota bene de jacht in op haar eigen klokkenluiders toen de toeslagenaffaire ontlook.

En ineens realiseerde ik me: dit hoort ook bij de Rutte-doctrine, of beter: het is er een gevolg van. Als je als ambtenaar wordt geacht een minister te beschermen die geen fundamentele kritiek duldt, dan houd je gaandeweg gewoon je bek, zegt drie keer ja en amen tegen je baas, legt pro forma wat zout op een slak om te bewijzen dat je toch ergens toe dient, en denk je ondertussen: ‘Struikel dan maar over je eigen rotwet. Ik bemoei me er niet meer mee.’

En dan wacht je braaf tot je bij het volgende ritje van de carrousel op een andere toppositie bent beland. Lang leve de stoelendans. Met je bontkraag.

Tip voor Tjeenk Willink: tegenmacht hoort ook in de ambtenarij thuis. Schaf de Rutte-doctrine af, en zorg dat topambtenaren de luis in de pels van hun minister kunnen zijn. Dat is beter voor het beleid.

[Beeld: Siren-Com [fragment], CC BY-SA 3.0, Wikimedia]