Kniekousen

Hoe ik me voel nu mijn moeder net is gestorven, vragen mensen me. De vraag is lief en attent, maar brengt me in verwarring – want ik weet het antwoord niet. Ik voel me hoofdzakelijk niksig. Of eigenlijk als een prutje: iemand heeft van alles in mootjes gesneden en in een hapjespan gegooid, die op een zacht vuurtje gezet en vervolgens de hele mikmak een tijdlang laten sudderen totdat alles moes was geworden, en niets nog echt herkenbaar.

Een flinke scheut opluchting dat haar lijdensweg (want dat was het voor haar) nu voorbij is. Een handvol bezorgdheid: hoe zal het mijn vader de komende weken en maanden vergaan? Een flinke dosis tevredenheid, ook dat, want hij en ik hebben – hoe raar dat ook moge klinken – veel mooie dagen gehad, vorige week, en eindeloos gepraat. Een snufje perplex: binnen een jaar is de helft van ons gezin gestorven, eerst mijn broer en nu mijn moeder. Een tikkie verloren – ook dat. Wat raar is, want ik was mijn moeder inmiddels al jaren kwijt, en zij zichzelf al helemaal. Een eetlepel moe. Een pietsie wazig. En, om het af te maken, een schep niet helemaal hier.

Of dat een smakelijke maaltijd is? Ik vraag het u af, meneer Sonneberg, ik vraag het u af. (Beter meneer Sonneberg ondervragen dan mezelf: van mij valt voorlopig geen helder antwoord te verwachten.)

Hoe lang duurt het voordat haar oude zelf weer voor dat beeld van dat verschrikte mensje schuift, en ze in mijn hoofd weer wordt wie ze altijd in mijn hart is gebleven? Hoe lang voordat haar fiere karakter en haar pronte verschijning in mijn geestesoog het hulpbehoevende wezen uitwissen dat ze ongewild was geworden?

Ik heb heimwee naar mijn moeder, maar dat had ik al zo lang. Nu hunker ik ineens naar oude herinneringen, herinneringen van ver voor de Alzheimer. In mijn slaapkamer hangt sinds dit weekend een kinderfoto van haar, genomen toen ze drie of vier was. Ze had een blond krullenkopje, mollige armen en beentjes, een bolle toet, en haar witte kniekousen waren tot net boven haar enkels afgezakt. Zo heb ik haar evenmin gekend. Ergens in het midden – tussen dat prille begin en het geploeter van haar weg naar het einde – beweegt zich mijn moeder.

Kinderfoto, genomen op het dak van het huis waar mijn moeder indertijd woonde (Balboastraat, Amsterdam) 

Ook mijn vader zoekt naar oude beelden en grasduint in zijn herinneringen. In haar laatste dagen zag hij plots niet haar in haar bed liggen, moeizaam ademend; hij zag in haar het lijdzame gezicht terug van haar moeder, zijn schoonmoeder.

Mijn oma was geen gelukkige vrouw – haar eigen man maakte haar het leven zuur. Logisch dat dat beeld niet bij mijn moeder past. Waar opa zijn vrouw bedroog en kneiterjaloers werd als iemand eens aardig tegen haar was, viel mijn vader elke man die gecharmeerd was van zijn vrouw enthousiast bij: allicht waren ze enigszins verliefd, wie zou dat nu niet zijn, op een vrouw als zij?

In mijn huiskamer hangt al bijna dertig jaar een portret van hen tweeën. Stralend, verliefd, en in elkaar opgaand. Zo zag ik ook ik haar het liefst.

De laatste volzin

Ze waren op de kop af vijfenzestig jaar, vier weken en één dag getrouwd. De laatste tweeëneenhalve jaar leefden ze gescheiden: hij thuis, zij in een verpleegtehuis honderd meter verderop, wegens vergevorderde dementie. Hij ging sindsdien trouw elke dag op bezoek.

Ze was er diep ongelukkig. Ze snikte vaak, ze schopte machteloos tegen tafelpoten, bonkte met haar rolstoel tegen de muren, ze jammerde dat ze haar moeder nodig had, en bovenal wilde ze weg, weg, weg – naar huis. Maar haar eigen huis herkende ze al lang niet meer. Die ene keer dat hij haar mee terug nam, gedroeg ze zich als een kat in een vreemd pakhuis en mompelde kleintjes dat ze eigenlijk liever naar huis wilde. Ze wilde vooral terug naar vroeger, dacht ik dan.

Ze zakte steeds verder weg. Haar zinnen rafelden in flarden uiteen en haar woorden raakten in de war, en wat ze zei was vaak onverstaanbaar. Een enkele keer kwam er plots een coherente frase uit, drie of vier woorden achtereen in de goede volgorde. Dat voelde van de weeromstuit als een volzin. Het ging toch nog best goed met haar, zei hij dan optimistisch.

Hij bleef trouw komen. Hem herkende ze wel: zodra ze hem zag, lichtte haar gezicht op: de onrust en onvrede verdwenen op slag en haar ogen kregen weer glans. Hij was haar man, zij werd weer zijn meisje. Tien seconden later zakte ze meestal weer weg in haar dommel.

Hij keek dwars door haar nukkigheid en de mist in haar hoofd heen. Hij pakte haar hand, gaf haar een kusje en ging naast haar zitten. Meestal zweeg hij. Er viel niet zoveel meer te zeggen, ze begreep het toch niet, maar hem voelen – dat kon ze wel.

Vorig weekend werd ze plotseling ziek. Ze kreeg hoge koorts, moest overgeven, en werd vre-se-lijk moe. Te moe om wakker te blijven, te moe om te praten, te moe om te eten. Ze schudde na dat weekend hooguit nog met haar hoofd, trok haar schouders licht op, of knikte flauwtjes. Maar wanneer ze hem zag, op de stoel naast haar bed, straalde ze even en trok er een zweem van een glimlach over haar gezicht. Kracht om zijn hand te grijpen had ze niet meer.

Zaterdagavond – hij was bij haar – keek ze op, en fluisterzuchtte tegen hem: ‘…hou van jou…’ Het waren de laatste woorden die ze sprak, haar finale volzin was voor hem. Ze viel daarna prompt in slaap.

Zondagmiddag stokte haar adem, twee of drie minuten later overleed ze. Hij keek stilletjes naar haar, ik hield hem vast.

Het is de allermooiste erfenis die je als kind kunt krijgen: ouders die zo’n onverbrekelijke, standvastige liefde voor elkaar koesteren en die dwars door elkaars makke heen konden kijken. Ouders die opbloeiden zodra ze elkaar zagen. Ouders die elkaar graag kusten, privé en openbaar. Ouders die graag hand in hand zaten, die gearmd over straat liepen, die trots naar elkaar opkeken en blij werden van elkaars nabijheid.

Ouders die vijfenzestig jaar, vier weken en één dag getrouwd zijn geweest.

• • •

Eerdere columns over mijn ouders en mijn moeders dementie:

[Beeld: fragment van een foto van mijn ouders, gemaakt door Gon Buurman, 1990]

Noorderzon II

Wat te doen, wat te denken – en nog lastiger: wat te voelen? – nadat je ontdekt dat je broer in Portugal de benen heeft genomen en vermist is, en je kort daarna hoort dat-ie daar zelfmoord heeft gepleegd?

Mijn vader had al een eerdere, jarenlange verdwijning van zijn kind doorstaan, en geeft niet om rituelen. Wat hem betreft hoefden we Martins lichaam dus niet te repatriëren. Aan het bijwonen van een begrafenis in Portugal – temidden van vreemden, allemaal verstrikt in hun eigen leed, waaraan hij part noch deel heeft gehad – had paps al helemaal geen behoefte, zodat wij samen besloten om maar niet te gaan. Liever zelf, onder ons, op onze voorwaarden, stilstaan bij Martins dood.

Dan was er de ex-echtgenote. Zij had Martin tien jaar eerder, na zijn eerste jarenlange vermissing, uit de modder getrokken en hem een solide basis verschaft. Alles wat hij niet kon opbrengen, regelde zij voor hem. Ze krikte hem op, ze stutte hem, ze streek zijn leven glad. Ze zorgde ervoor dat hij nu wel zijn belastingen opgaf (en betaalde) en zijn afspraken over aangenomen werk nakwam. Ze vergaf hem bovenal dat hij rancuneus kon zijn over haar aansporingen en haar steun.

Zij is het beste dat hem ooit is overkomen. Door haar kon hij zich toeleggen op zijn vakmanschap; zo werd hij een uitmuntende klavecimbelrestaurateur. Dat hij het geld dat-ie daarmee verdiende, jarenlang voor haar – en voor hun gezamenlijk huishouden – achterhield, vergaf ze hem.

Toen was er plots die nieuwe liefde. Martin raakte begin dit jaar in de ban van een ander, blies achteloos zijn huwelijk op en vertrok halsoverkop naar Portugal, vol romantische plannen, en vertelde iedereen hoe ‘vreselijk’ zijn vrouw hem al die jaren had behandeld.

De nieuwe liefde werd binnen een paar maanden een nieuwe ex. Ze vroeg namelijk door, en geloofde niet alles wat hij zei. Hij werd vervolgens nurks, bot, soms hardvochtig; af en toe hing zelfs de dreiging van geweld in de lucht. Aan al wie het wilde horen, vertelde Martin hoe ‘vreselijk’ zijn nieuwe liefde hem behandelde.

Intussen was veel mensen – vrienden, en mensen voor wie hij werk deed (of beter: liet liggen) – duidelijk dat mijn broer in crisis verkeerde. Mensen sprongen bij: mijn vader gaf hem op zijn verzoek geld, zakenrelaties boden werk, vrienden zeiden dat hij bij hen kon komen wonen totdat hij weer op de been was.

Martin negeerde al die handreikingen. Hij liep weg bij de ex, en pleegde zelfmoord.

Van al die mensen – de bewonderende vakgenoten, de ex-echtgenote, de ex-geliefde, de oude vrienden, de perplexe kennissen – kreeg ik de afgelopen week stapels mails. Wat daaruit opdoemt, is geen aangenaam beeld.

Ja, mijn broer was een ongeëvenaard vakman. Maar ook: hij loog tegen de klippen op om dat ‘spontane’ en ‘gekwelde’ beeld van zichzelf dat hij zo graag projecteerde – the romantic artist is suffering – hoog te houden. Hij bedroog mensen, verzweeg wat hij deed, ontkende zijn eigen aandeel in elk conflict, herschreef zijn geschiedenis routineus zodat hij er zelf beter vanaf kwam, en maakte juist degenen van wie hij het meest hield, zwart zodra hem dat beter uitkwam. Hij deed kortom alles om zijn eigen twijfelachtige gedrag te rechtvaardigen, en vragen daarover te vermijden.

En iedereen die oprecht van hem hield, zit nu met de gruzels.

[Beeld: Martin, april 2020.]

Noorderzon

Jaren geleden, nadat een liefdesrelatie kapot was gegaan en mijn broer zijn leven volledig had laten ontsporen – hij liet al zijn werk uit zijn handen vallen, stalkte zijn ex, en brak zelfs bij haar in – klopte Martin in nood bij me aan. Een halfjaar lang heb ik geprobeerd zijn schulden op orde te brengen en uithuiszetting te voorkomen.

Enerzijds was hij dolblij met die hulp, anderzijds saboteerde hij die waar hij maar kon.

Hij heeft in die periode herhaaldelijk halfhartige zelfmoordpogingen gedaan, meestal van het kaliber: ‘ik drink nu in één keer een hele fles wodka leeg,’ terwijl hij op voorhand zowat iedereen daarvan op de hoogte stelde. Ik heb dat jaar zeker drie keer zijn voordeur geforceerd. Eén keer wilde hij zich verhangen voor het huis van de ouders van zijn gestalkte ex, maar zag daarvan af ‘omdat het regende’.

Hij wilde wel mijn hulp, maar niet mijn inmenging: nog jaren later verweet hij me mijn ergerlijke ‘bedilzucht’.

Hij nam uiteindelijk de benen, en verdween met de noorderzon. Niemand wist waar hij was, en al helemaal niet of hij nog leefde. Zijn telefoon en paspoort bleek hij in de Seine te hebben gegooid, onderweg naar Italië.

In die periode sprak ik daar geregeld over met vrienden: broer vermist, ja nee geen idee of hij nog leefde. Ik vertelde hoe zwaar dat voor onze ouders was. Hoe ga je om met een kwijt kind? De reacties verbaasden me: veel mensen bleken familieleden kwijt te zijn en geen idee te hebben waar die uithingen. Het voelde alsof iedereen zweeg over zulke immense pijn en zulk verlies.

Hij dook weer op, jaren later. Martin meldde zich met de mededeling dat hij zou gaan trouwen. Wij blij, uiteraard. Maar al snel bleek dat we het over alles mochten hebben, behalve over zijn eerdere verdwijning, en al helemaal niet over onze pijn. Hij eiste dat we deden alsof er nooit iets was gebeurd.

Mijn broer was complex. Liefdevol en behulpzaam voor iedereen die op afstand was, maar compleet incapabel om een ruzie uit te praten met mensen die hem na stonden.

Hij was geniaal. Hij leerde zichzelf cello en klavecimbel spelen (hij kwam zelfs over de vloer bij Gustav Leonhardt), was een subliem timmerman, en werd uiteindelijk de beste restaurateur van klavecimbels ter wereld. Maar bij het geringste intieme conflict bevroor hij, en was niets ooit zijn schuld – alles lag altijd aan anderen. Hij weigerde systematisch zijn eigen aandeel onder ogen te zien.

En hij was een full-blown complotdenker. The whole package: van 5G en Bill Gates tot MH17 en 9/11. Vervolgens weet hij alle ergernissen over zijn gedrag aan ons onvermogen om die complotten te onderkennen.

Eerder dit jaar nam hij opnieuw de benen, ditmaal naar Portugal, in de zucht naar een nieuwe liefde. Die liep spaak zodra zijn nieuwe vriendin hem onderhield over zijn gedrag. Dit weekend hoorde ik eerst dat Martin opnieuw vermist was, en twee dagen later dat hij dood was gevonden – zelfmoord.

Ik weet me geen raad met dit verlies. Soms houd je van iemand, tegen de klippen op.

[Beeld: Martin, juli 2020]

Oude angsten

Haar zinnen maakt ze nog zelden af, en ze praat zacht. Meestal komt er weinig meer dan wat flarden uit haar mond, een gebroken ketting van woorden.

‘…zo bang…’

Ze knijpt krampachtig in mijn hand, haar knokkels worden er wit van. Met mijn vrije hand streel ik haar arm.

‘Kun je me vertellen waar je bang voor bent?’ vraag ik. Ze kijkt me niet-begrijpend aan. Die zin is te ingewikkeld. Nieuwe poging. ‘Waar ben je bang voor?’

‘Dat ik…’ Haar stem stokt, ze snikt kort, haalt oppervlakkig adem. ‘Dat ik … verkeerd doe.’

‘Wat doe je dan verkeerd?

‘Weet niet.’

Even later heeft ze het over ‘slaan’. Dan: ‘slagen’.

Ineens gaat me een licht op. ‘Ben je bang voor je vader?’ vraag ik.

Ze kijkt me aan en knikt.

Haar vader is ruim veertig jaar dood, misschien al vijftig jaar. Jo Stolk was een arrogante, bombastische man die zijn vrouw bedroog en het huishouden tiranniseerde. Hij jatte het vlees van mijn moeders bord, prikte met een vork in haar arm als ze hem tegensprak, sloeg meerdere Spaanse rietjes kapot op haar rug en haar billen, sloot haar op in de bezemkast en zette haar een keer in de winter ’s nachts op straat, terwijl ze niet meer aanhad dan ondergoed en een dun jasje.

‘Och meisje toch,’ zeg ik tegen haar. ‘Weet je: hij mag hier niet binnenkomen. Ik zal de zusters waarschuwen dat ze je vader nooit mogen binnenlaten. We zullen je beschermen.’

Ze knijpt in mijn hand. Even later loop ik naar de verpleging om ze te zeggen dat mijn moeders angst, tenminste soms, haar dode vader geldt. Iemand maakt subiet een aantekening in haar dossier: ‘Tegen mevrouw zeggen dat haar vader hier niet kan komen.’

Even later stijgt de paniek weer. ‘Wat moet ik nou,’ mompelt ze verslagen.

‘Volhouden,’ zeg ik, ‘en veel toetjes eten.’ Ze is tegenwoordig dol op toetjes.

‘Dat is toch duur!’ zegt ze, bijna verontwaardigd, met wat voor haar doen een volzin is.

‘Ik betaal,’ stel ik haar gerust. ‘Heus, ik verdien genoeg voor extra toetjes.’ Ze moet lachen.

De volgende dag zit ze vast in een akelige groef. Ze zegt weinig anders dan ‘Ik wil naar huis’ en ‘Ik wil hier weg’, afgewisseld met kort gesnik. Met haar rechtervoet schuift ze dwangmatig over de vloer. Wil-weg (snik) naar-huis (schuif).

Na een kwartiertje geven mijn vader en ik het op, we dringen niet tot haar door, en onze aanwezigheid lijkt haar alleen maar ongelukkiger te maken. Als we buiten staan, zegt mijn vader: ‘Ik weet me soms geen raad.’

Ze wil dood, weten we. Maar dat mag niet, dat kan niet. Ze heeft euthanasiepapieren, maar ze heeft niets getekend dat van toepassing is bij dementie. Ze kan haar wil niet meer kenbaar maken, behalve met gesnik of met wanhoop.

Nooit geweten dat je iemand van wie je houdt, zo innig de dood kan toewensen.

[Beeld: PicRepo, public domain]

Meisje achter de schutting

Ze weet steeds minder, daardoor wennen de dingen hopelijk makkelijker. Wat er vanmorgen is gebeurd, is ’s middags al weggezakt in een onbereikbaar ver verleden. Soms lijkt ze een eend met een dik verenpak, waar alles ongemerkt vanaf glijdt: water, blijdschap, opluchting, verdriet. Ze kan plotseling snikken en twee minuten later zit ze star voor zich uit te kijken, of zakt ze zoetjes terug in slaap. Je weet niet of het verdriet was, of dat haar lichaam een manier zocht om spanning te ontladen, nu ze verder schier bewegingsloos is. Ik hoop altijd dat zo’n snik weinig anders is dan een boertje: een ontsnapte oprisping.

Al een week voordat de verpleegtehuizen verplicht op slot gingen, besloten ze bij haar de boel dicht te gooien. Dat vonden mijn vader en ik pijnlijk, maar verstandig. Je kunt zo’n afdeling vol dwalende en soms dwarse demente mensen niet aan de anderhalve meter afstand houden, en als er één ziek wordt, vallen ze geheid allemaal om. Mijn vader was benauwd dat ze hem dan over een paar weken niet meer zou herkennen, maar hij zit in haar hart gegrift, hem vergeet ze nooit.

Nu staat hij al bijna anderhalve maand elke middag bij de schutting die het terras achter haar afdeling omzoomt. Hij kan net over de omheining kijken. Hij waarschuwt de verpleging als hij er staat, dan rijden ze zijn lief naar buiten. Als ze hem ziet, klaart haar gezicht bij toverslag op. ‘Dag meisje,’ zegt mijn vader. ‘Dag man van me,’ zegt mijn moeder dan, trekt een halve glimlach (haar andere mondhoek wil niet meer meedoen) en sukkelt weer in slaap.

Er valt weinig te converseren. Ze praat te zacht en er komen geen zinnen meer uit haar mond, alleen losse woorden en flarden. Maar ‘man van me’ – dat weet ze nog. Sommige dingen vergeet je nooit, zelfs niet als je hersenen bijna zijn verdwenen. Zulke woorden huizen niet in je brein, maar in je zintuigen en al je vezels.

Er valt weinig te zeggen. Ze reageert amper. Soms zegt mijn vader vier keer hetzelfde, om de tijd te vullen. Daar merkt ze toch niets van: haar kortetermijngeheugen is immers erg kort. En ze is blij als hij iets tegen haar zegt, zelfs al wordt ze er niet altijd wakker van, want aandacht – dat merkt ze wel. Na vijf minuten gaat mijn vader weer weg. ‘Tot morgen, meisje.’

Ze wordt opperbest verzorgd. De verpleging föhnt haar haar, brengt haar lippenstift op, en lakt zelfs haar nagels. Daar slaapt ze gewoon doorheen, maar ze voelt zich er later wel prettiger van, denk ik. Mijn vader in elk geval wel: ze oogt dan een beetje meer als de vrouw die ze was. Zijn meisje.

Hij mag nu officieel op bezoek, als hij een mondkapje voordoet en beschermende kleding aantrekt, maar dat wil hij niet. Hij is bang dat ze dan van hem schrikt. Of hem niet herkent.

Hij wacht op het moment dat hij haar hand weer kan vasthouden, haar een kusje mag geven, en kan zeggen: ‘Dag meisje van me.’

 

[In betere tijden: 1990. Foto: Gon Buurman]

De kosten van langer leven

We staan aan de vooravond van een fikse golf van een ziekte waar velen van ons nu al te veel mee kampen, omdat (een van hun) ouders die heeft. Momenteel hebben ruim 280 duizend mensen in Nederland de diagnose dementie, en 100 duizend heeft de ziekte al wel, maar de diagnose nog niet; 80 duizend van alle mensen met dementie wonen in een verzorgings- of verpleegtehuis. Driekwart woont nog thuis, met hulp van hun geliefden, familie en buren (en de thuiszorg).

Het is na kanker en hart- en vaatziekten nu de derde doodsoorzaak. Maar dementie kon alleen maar een volksziekte worden omdat we tegenwoordig over de hele linie langer zijn gaan leven, en – hoe wrang – we verhoudingsgewijs minder snel doodgaan aan kanker en hart- en vaatziekten. Want de botte waarheid is: hoe ouder je wordt, hoe groter de kans dat je dementie krijgt. Dementie is de wraak van de tijd op onze goede gezondheidszorg.

De voorspellingen zijn somber: in 2040 zullen naar schatting ruim een half miljoen mensen de ziekte hebben; dat is bijna een verdubbeling van het huidige aantal. Een geneesmiddel of ziekteremmer is niet in zicht.

Hoe verder ik mijn eigen moeder zie wegzakken, hoe meer ik ervan overtuigd raak dat ik deze beker, mocht hij zich aandienen, aan mijzelf voorbij laat gaan. Want het is geen zacht wegzakken, dat van haar. Alle verhalen van ‘ach, ze genieten nog zo,’ ben ik als zuivere dementiekitsch gaan zien.

Mijn moeder wilde, toen ze nog helder was, ook beslist niet zo worden: ze had al haar wensen besproken, haar euthanasieverklaringen lag klaar, maar door die rotziekte zelf raakte ze de draad dusdanig kwijt dat ze maandenlang ontkende dat er ook maar iets mis was, gevolgd door periodes van woest verzet, wantrouwen en achterdocht, en maanden waarin ze vooral vaak zachtjes huilde en diep ongelukkig was. Ze wilde geregeld dood – maar niet consistent genoeg dat we daar werk van kon maken, nog los van het feit dat er amper artsen zijn die mensen die aan dementie lijden, willen helpen te sterven. Dus deden we niets.

En nu zit ze daar maar. De andere dames op haar afdeling zijn al even inert. Ze legt soms haar hoofd op tafel, in haar handen, en soms snikt ze geluidloos. En ze wil graag met mijn vader mee en bij hem slapen. Ze leeft in het moment, maar daarin gebeurt amper iets – want wat er gebeurt, vergeet ze weer snel.

Ik heb me voorgenomen dat ik mezelf ver voor die tijd van kant maak. En ik ben niet de enige, getuige de grote aantallen mensen die naar een laatste-wil-pil zoeken of die graag het een dosis van befaamde poedertje van de Coöperatie Laatste Wil zouden bemachtigen.

Statistiek houdt geen rekening met paradoxen. Naarmate meer mensen uit de eerste hand meemaken hoe verwoestend dementie huishoudt, en hoe ingrijpend en moedeloosmakend die ziekte is voor de zieke zelf en voor zijn of haar intimi, zullen meer mensen – zo vermoed  ik – zeggen: ik niet. Ales om niet dement te worden.

[Beeld: Pixabay]

Niets is wat het lijkt

Aan het einde van de gang staat een bankstel voor het raam, geflankeerd door een staande lamp en een kamerplant op een bijzettafeltje. Heel huiselijk. Pas van dichtbij zie je dat het tafereel van verf is en als camouflage voor een deur dient – een deur die vanaf deze kant alleen open kan wanneer je een code intikt op een toetsenbordje dat verstopt zit in de schildering.

Voor de mensen binnen is de deur een bank, niet langer herkenbaar als de uitgang naar hun oude leven. Voor de mensen die de code kennen is dit de gesloten afdeling, het almaar kleiner wordende wereldje waarin hun geliefden langzaam hun oude herinneringen, hun routines en uiteindelijk zichzelf verliezen, en langzaam inert worden.

Ze is dol op haar kat: een grijsbruin tenger diertje met extreem lange poten. Maar ze was hem steeds vaker kwijt. Toen ze nog boven woonde, buiten het schilderij, bij haar man, wilde ze aldoor weten waar de kat was gebleven. Zelfs als hij opgerold op haar schoot lag te slapen, vroeg ze ongerust: ‘Waar is Mickey eigenlijk?’ We kochten een robotkat voor haar, bedoeld voor wanneer ze naar beneden moest verhuizen. Een pluizige, mollige, oranje-witte knuffel die kon mauwen, snorren, een poot opheffen en op zijn rug rollen. We doopten hem Loulou.

De eerste middag beneden pruttelde ze: ‘Wat een akelig nepding.’ Twee dagen later lag hij bij haar op bed, zat-ie bij haar op schoot, praatte ze tegen hem zodra hij mauwde en noemde ze hem Mickey. Ze raken onafscheidelijk, en omdat hij mauwt wanneer ze te lang stil is, weet ze meestal waar hij is en komt dan zelf ook even tot leven. Dan aait ze hem, en zegt zoete woordjes. ‘Ach mannetje van me… Dag lieverd.’ Daarna doezelen ze allebei weer weg. Mijn vader was van plan de echte Mickey vaak mee te nemen als-ie op bezoek zou komen, maar durft dat niet meer: hij wil de schone schijn niet verstoren.

Boven jammert Mickey om haar, en ligt mijn vader ’s nachts zonder haar in bed.

Mickey bekijkt Loulou
Mickey bekijkt Loulou

Ze is dol op chocolade en glaasjes port. Mijn vader neemt die voor haar mee, maar ze weet niet goed hoe dat ook alweer ging. Hoe krijg je zo’n doosje bonbons open? Haar vingers zijn krachteloos, ze pulkt lukraak aan de verpakking, en nadat we haar helpen en de chocolade voor haar op een schaaltje leggen, eet ze de bonbons achter elkaar op, alsof ze een verplichte boterham wegwerkt. Ook het nippen is haar ontglipt: een portglas leegt ze in twee ferme slokken.

Boven kon ze soms plotseling uit haar stoel opstaan, ineens ongerust over iets, wijzend naar een tafel of naar iets anders. Dan stopte ze vaak halverwege, middenin een beweging of in een zin: wat was er ook alweer? Ze was het kwijt. Ze zocht nog even, in haar omgeving en in zichzelf, maar het was allang weg. Dan ging ze maar weer zitten.

Ze zit steeds vaker. De deur is een bank. De robot is een kat. Loulou is Mickey. Boven is beneden. Bonbons zijn brood. De wereld lijkt een illusie. Maar ze blijft altijd mijn moeder.

Dobberend

Mijn moeder verkruimelt langzaam. Er brokkelen elk seizoen weer oude vaardigheden bij haar af. Eerst kon ze niet langer autorijden, later niet meer rekenen of koken – terwijl ze in die dingen vanouds een ster was, en daar veel eer mee inlegde.

Tegenwoordig suft ze vooral in haar luie stoel, en kan ze het ontbijt alleen nog ‘klaarzetten’ wanneer mijn vader elke stap begeleidt met gedetailleerde instructies: ‘De yoghurt gaat in de schaaltjes, die staan daar al klaar. Kijk, daar is het emmertje met yoghurt. Dan haal je eerst het deksel daarvan af. Hier ligt een lepel, die steek je nu in de emmer, en dan schep je de yoghurt daarmee in de schaaltjes. Goed zo, de eerste schep zit erin. Nu nog een schep. Nee, eerst de lepel weer in de emmer, en dan…’

De wereld vervaagt voor haar, tijd wordt fluïde. Soms vraagt ze bezorgd wie er nu op mijn katje past, aangezien ik al drie dagen bij hen ben – terwijl ik pas een paar uur geleden ben gearriveerd. Ze kan soms iets vragen op een toon alsof ze gewoon het gesprek voortzet, terwijl ze ingaat op iets wat niemand heeft gezegd. Of misschien reageert ze op een opmerking van een maand of twee geleden.

Categorieën zijn voor haar nog wel intact, maar daarbinnen is het een vage bedoening. Met Kerst wilde ze zich optutten: het belang van een verzorgde verschijning zit diep ingeprent. Maar hoe dat precies in zijn werk gaat, zulk optutten, wordt steeds raadselachtiger, en make-up is per slot van rekening allemaal make-up. Zodat ze, toen mijn vader poolshoogte kwam nemen in de badkamer, haar lippen stond op te verven met nagellak. Nadat hij rustig zei dat ze wellicht het verkeerde spul te pakken had, wilde ze het kwastje onderin het flesje proppen, zoals je een lippenstift in zijn huls opbergt.

Mijn hart breekt tien keer per dag wanneer ik bij ze ben.

‘Waar is Mickey eigenlijk, zit-ie bij jou?’ vroeg ze me afgelopen zaterdag, plots ongerust. Mickey is hun kat, en haar lust en leven: ze wil om het half uur weten waar het diertje is. Mickey lag rustig bij haar op schoot te slapen.

Mijn moeder dobbert al jaren in de zee van Alzheimer. Ze gaat gaandeweg vaker koppie-onder, en de periodes dat ze weer boven water komt, worden minder frequent. De Alzheimer hapt met steeds steviger kaken naar haar en trekt haar onder de zeespiegel.

Maar ze zit godlof ook vast aan een lijntje, een band die haar steeds weer even naar boven haalt, voor zolang het duurt: mijn vader hengelt haar telkans naar haar oude leven terug. Met engelengeduld legt hij haar desnoods vier keer in een kwartier precies hetzelfde uit. Met eenzelfde geduld helpt hij haar elke dag met haar oefeningen, en metselt hij aan haar ego: ‘Nu deze voet. Ja, goed zo, en nu nog een keer. Geweldig! Je hebt het nu al vier keer gedaan. Lukt de vijfde keer ook nog, denk je? Je wordt er steeds beter in!’

Mijn moeder dobbert in een zee van Alzheimer en van liefde. Tot nu toe wint mijn vader.

Broos weefwerk

Elke dood van een intimus is een ramp voor de nabestaanden. Ongeluk, ziekte, euthanasie, zelfmoord – het maakt uiteindelijk bar weinig uit Altijd is er het gapende gemis, het verlies, de schrik, de rouw. Bij euthanasie kun je jezelf enigszins trachten te troosten dat je vriend, je moeder, je kind verder lijden gelukkig is bespaard, maar de aanvankelijke onthutsing over de dodelijke ziekte die ze trof, wordt er niets minder om.

Ik blijk totaal niet bestand te zijn tegen de dood van degenen van wie ik houd, de ontwrichting van mijn leven na de dood van mijn hartsvriendin getuigt daarvan. We praten als samenleving niet vaak over rouw, maar ik denk dat iedereen er terdege van doordrongen is hoe ontzagwekkend de impact van de dood van een goede vriend, een geliefd familielid is.

Ook mensen die zelf dood willen weten dat. In de jaren dat ik dagelijks meelas in zelfmoordfora ontdekte ik dat de laatste lijm die mensen aan het leven kleeft, hun angst is voor het effect van hun zelfmoord op hun intimi. Hun liefde voor vrienden en familie was het laatste restje lijm dat hen aan het leven kleefde. Zelfmoord pleeg je bijna altijd pas, zo leerde ik daar, wanneer je je eigen leed niet meer kan wegstrepen tegen het leed dat je anderen met je dood berokkent.

De afgelopen jaren ben ik de zelfmoord vaak nabij geweest. De spullen had ik allang al in huis, als onderdeel van een beschermingsmaatregel: ik heb altijd gedacht dat mijn point of no return ver voor de grenzen van de euthanasiewet zouden vallen.

Waarom ik het tot nu toe niet heb gedaan? Bottom line: uit liefde voor anderen. Kommernis over de kat, bezorgdheid dat mijn vrienden zich ten onrechte schuldig zullen voelen, maar vooral: omdat ik het mijn ouders niet wil aandoen. Ik houd mijn leven vol teneinde het hunne niet te schaden.

Intussen wil mijn moeder zélf dood, nu ja, soms dan. In het dagelijks leven redden zij en mijn vader het vrij goed, ondanks haar voortschrijdende dementie. Maar zodra de omstandigheden haar forceren na te denken over hoe het er momenteel met haar voorstaat, kan ze alleen maar diep ellendig snikken dat ze dood wil.

Mijn vader wijdt zijn leven tegenwoordig volledig aan het hare. Mocht mijn moeder er op enig moment niet meer zijn, dan heeft hij werkelijk niets meer over om voor te leven. Zij is zijn ziel en zaligheid.

En toch: als ze écht dood zou willen, dan zou hij haar laten gaan, ongeacht wat dat voor hem betekent. En als hij na haar dood wil gaan, zou ik hem dat van harte gunnen, al zou het mijn eigen hart breken en weet ik dan werkelijk niet meer wat mij nog overeind moet houden.

Je gebruikt je eigen verdriet toch immers niet als chantagemiddel?

We hangen aan elkaar, we houden elkaar overeind. Maar liefde en leven is een broos weefwerk, en we kunnen nooit van iemand eisen dat hij of zij doorleeft om ons eigen leven in het gareel te houden.