Op zorg besparen? Kijk naar de structuur!

De kosten van de gezondheidszorg lopen op. De Volkskrant maakte een rondje langs experts en publiceerde gisteren een overzicht van ‘scherpe keuzes’ die de uitgaven kunnen beteugelen. Het was nogal een ratjetoe: van eerst pijnbestrijding en fysiotherapie proberen voordat je bij artrose een nieuwe knie of heup plaatst, wat toch staande praktijk is, tot huur vragen aan mensen die in een verpleeg- of verzorgingstehuis verblijven (er is nu al een eigen bijdrage: die kan oplopen tot 900 euro per maand voor mensen wier partner nog thuis woont, en tot 2470 euro voor alleenstaanden).

Voorts kwam de discussie op levensrekkende medicijnen, vaak op het gebied van kanker. Zulke medicijnen zijn vaak extreem duur en rekken iemands leven meestal slechts met een paar maanden. Intussen staat het de farmaceuten zo ongeveer vrij om ervoor te vragen wat ze willen. Zorg aan sommige patiënten weigeren was de meest heikele optie die genoemd werd.

Wat me opviel, was de beperkte blik: de experts bepaalden zich tot de zorg zelf, op dat ene uitstapje naar de prijsmechanismes achter nieuwe medicijnen na. Maar daaromheen zitten allerlei bedrijfsstructuren en betalingsregelingen, waarvan een deel juist vergemakkelijkt dat het geld er met bakken tegelijk uitgaat.

Zo heeft de versplintering van de thuiszorg en de jeugdzorg die optrad na de decentralisatie in 2015 de opkomst van zorgcowboys in de hand gewerkt: handige jongens en snelle meiden, die soms in hun eentje binnen een paar jaar een miljoenenwinst uit hun zorgbedrijfje naar hun bv weten over te hevelen – en zo de gemeentelijke begrotingen vakkundig in de soep draaien.

Ook de opkomst van tientallen dyslexie-bedrijfjes en paardenknuffelaars zorgde voor een ingrijpende verschuiving: deze verhoudingsgewijs eenvoudige zorg slokt gaandeweg een groter deel van het budget op, wat uiteindelijk ten koste gaat van kinderen met complexe problemen. Zo constateerde Follow the Money vorige maand dat van de tien jeugdzorg-bv’s die de meeste winst maakten, liefst zeven zich bezighielden met dyslexie- en onderwijszorg: laaghangend fruit plukken loont. Instellingen voor complexe jeugdzorg moeten juist steeds vaker op een houtje bijten.

De zorg wordt steeds meer een markt, en dat doet haar geen goed. Inmiddels storten buitenlandse investeringsmaatschappijen zich al op de dementiezorg, je houdt je hart vast. Winstmarges van 10 procent – waarboven een instelling dividend aan haar investeerders mag uitkeren – zijn daar niet ongewoon. Maar dat is allemaal publiek geld dat wegstroomt uit de zorg, en dus doodzonde.

Ook op andere vlakken kan de overheid bepaald meer doen. Een fikse suikertaks instellen, bijvoorbeeld – en niet alleen voor frisdrank. Dat leidt er bewijsbaar toe dat kinderen en volwassenen minder suiker consumeren: goed voor hun tanden en voor hun gewicht, en een grote steun in de strijd tegen diabetes. Dat levert op termijn een enorme besparing op. Laat de vruchten van zo’n suikertaks intussen vooral ten goede komen aan de huidige zorg.

[Beeld:  publicdomainsvectors]

Kaartenhuis

De Ombudsman zei het gisteren voor de zoveelste keer: het gaat fout met het afhandelen van de toeslagenaffaire. De gedupeerden werden getroffen in de periode 2007-2016, en de meesten wachten nu al minstens vijf jaar op de afhandeling van hun klachten. En er zit nog altijd geen schot in: deels omdat er veel meer gedupeerden bleken te zijn dan het ministerie van Financiën had voorzien, deels omdat de afhandeling van klachten erover zo lang duurt dat nu klachten binnenstromen over de afhandeling van de klachten.

Het is om gek van te worden. Het kabinet viel erover, er werd een speciale tegemoetkoming bedacht voor gedupeerden (de ‘Catshuis-regeling’), er werd een nieuwe afdeling bij de Belastingdienst opgezet om de zaak vlot te trekken – en het helpt allemaal amper. De hele boel zakt verder weg in de bureaucratische modder.

Ondertussen zijn de meeste mensen die door toedoen van de overheid met schulden zijn opgezadeld, als wanbetaler zijn geregistreerd, failliet zijn gegaan, hun huis zijn uitgezet, die soms zelfs hun kinderen zijn ontnomen en meer in het algemeen hun leven grondig in de vernieling zagen worden gedraaid, en dit alles meestal op grond van een racistisch geënte verdenking, nog steeds niet gecompenseerd. Ze hebben zelfs niet de toeslagen teruggekregen die onterecht zijn teruggevorderd.

Hoe ingewikkeld kun je het maken? De gedupeerden moeten eerst aantonen dat ze gedupeerd zijn, en daarna buigt een onderbemensde afdeling zich over het bewijsmateriaal – en doet dat van geval tot geval. Aangezien er inmiddels zo’n 47 duizend mensen zich hebben gemeld, gaat die klus nog jaren duren. Moeten ze heus zo lang doormodderen?

De Belastingdienst weet toch wie zij zelf op grond van een algoritme op een zwarte lijst heeft gezet? Dat zijn naar schatting zo’n 10 duizend mensen. Betaal hen meteen hun teruggevorderde toeslagen en incassokosten terug, dan hebben zij tenminste weer ademruimte. Een ander – groot – deel bestaat uit mensen bij wie de volledige toeslag, van vaak tienduizenden euro, werd teruggevorderd omdat ze een klein deel van hun eigen bijdrage, vaak maar een paar honderd euro, niet zelf hadden betaald maar anderen dat voor hen deden. Ook die gevallen moet je er makkelijk kunnen uitvissen en tenminste de onterecht teruggeëiste toeslag opnieuw uitbetalen, en wel meteen.

Ja, de kans bestaat dat er daarbij fouten in het voordeel van de dupeerden worden gemaakt. Maar ja, dat is niet hun fout. Al hun eerdere klachten werden genegeerd. Bovendien is het op individuele basis afhandelen van klachten knetterduur: per dossier is de Belastingdienst gemiddeld 50 uur kwijt. Ruimhartig zijn is niet alleen fair, het is waarschijnlijk zelfs goedkoper.

Maar staatsecretaris Van Huffelen – ze lijkt als twee druppels water op de Rode Koningin uit Tim Burtons Alice in Wonderland – weet van geen wijken. Maar Alice wist: ‘Jullie zijn niets dan een kaartenhuis.’ Iemand moet de kaarten anders gaan delen.

[Beeld: Helena Bonham Carter als De Rode Koningin]

Kniekousen

Hoe ik me voel nu mijn moeder net is gestorven, vragen mensen me. De vraag is lief en attent, maar brengt me in verwarring – want ik weet het antwoord niet. Ik voel me hoofdzakelijk niksig. Of eigenlijk als een prutje: iemand heeft van alles in mootjes gesneden en in een hapjespan gegooid, die op een zacht vuurtje gezet en vervolgens de hele mikmak een tijdlang laten sudderen totdat alles moes was geworden, en niets nog echt herkenbaar.

Een flinke scheut opluchting dat haar lijdensweg (want dat was het voor haar) nu voorbij is. Een handvol bezorgdheid: hoe zal het mijn vader de komende weken en maanden vergaan? Een flinke dosis tevredenheid, ook dat, want hij en ik hebben – hoe raar dat ook moge klinken – veel mooie dagen gehad, vorige week, en eindeloos gepraat. Een snufje perplex: binnen een jaar is de helft van ons gezin gestorven, eerst mijn broer en nu mijn moeder. Een tikkie verloren – ook dat. Wat raar is, want ik was mijn moeder inmiddels al jaren kwijt, en zij zichzelf al helemaal. Een eetlepel moe. Een pietsie wazig. En, om het af te maken, een schep niet helemaal hier.

Of dat een smakelijke maaltijd is? Ik vraag het u af, meneer Sonneberg, ik vraag het u af. (Beter meneer Sonneberg ondervragen dan mezelf: van mij valt voorlopig geen helder antwoord te verwachten.)

Hoe lang duurt het voordat haar oude zelf weer voor dat beeld van dat verschrikte mensje schuift, en ze in mijn hoofd weer wordt wie ze altijd in mijn hart is gebleven? Hoe lang voordat haar fiere karakter en haar pronte verschijning in mijn geestesoog het hulpbehoevende wezen uitwissen dat ze ongewild was geworden?

Ik heb heimwee naar mijn moeder, maar dat had ik al zo lang. Nu hunker ik ineens naar oude herinneringen, herinneringen van ver voor de Alzheimer. In mijn slaapkamer hangt sinds dit weekend een kinderfoto van haar, genomen toen ze drie of vier was. Ze had een blond krullenkopje, mollige armen en beentjes, een bolle toet, en haar witte kniekousen waren tot net boven haar enkels afgezakt. Zo heb ik haar evenmin gekend. Ergens in het midden – tussen dat prille begin en het geploeter van haar weg naar het einde – beweegt zich mijn moeder.

Kinderfoto, genomen op het dak van het huis waar mijn moeder indertijd woonde (Balboastraat, Amsterdam) 

Ook mijn vader zoekt naar oude beelden en grasduint in zijn herinneringen. In haar laatste dagen zag hij plots niet haar in haar bed liggen, moeizaam ademend; hij zag in haar het lijdzame gezicht terug van haar moeder, zijn schoonmoeder.

Mijn oma was geen gelukkige vrouw – haar eigen man maakte haar het leven zuur. Logisch dat dat beeld niet bij mijn moeder past. Waar opa zijn vrouw bedroog en kneiterjaloers werd als iemand eens aardig tegen haar was, viel mijn vader elke man die gecharmeerd was van zijn vrouw enthousiast bij: allicht waren ze enigszins verliefd, wie zou dat nu niet zijn, op een vrouw als zij?

In mijn huiskamer hangt al bijna dertig jaar een portret van hen tweeën. Stralend, verliefd, en in elkaar opgaand. Zo zag ik ook ik haar het liefst.

De laatste volzin

Ze waren op de kop af vijfenzestig jaar, vier weken en één dag getrouwd. De laatste tweeëneenhalve jaar leefden ze gescheiden: hij thuis, zij in een verpleegtehuis honderd meter verderop, wegens vergevorderde dementie. Hij ging sindsdien trouw elke dag op bezoek.

Ze was er diep ongelukkig. Ze snikte vaak, ze schopte machteloos tegen tafelpoten, bonkte met haar rolstoel tegen de muren, ze jammerde dat ze haar moeder nodig had, en bovenal wilde ze weg, weg, weg – naar huis. Maar haar eigen huis herkende ze al lang niet meer. Die ene keer dat hij haar mee terug nam, gedroeg ze zich als een kat in een vreemd pakhuis en mompelde kleintjes dat ze eigenlijk liever naar huis wilde. Ze wilde vooral terug naar vroeger, dacht ik dan.

Ze zakte steeds verder weg. Haar zinnen rafelden in flarden uiteen en haar woorden raakten in de war, en wat ze zei was vaak onverstaanbaar. Een enkele keer kwam er plots een coherente frase uit, drie of vier woorden achtereen in de goede volgorde. Dat voelde van de weeromstuit als een volzin. Het ging toch nog best goed met haar, zei hij dan optimistisch.

Hij bleef trouw komen. Hem herkende ze wel: zodra ze hem zag, lichtte haar gezicht op: de onrust en onvrede verdwenen op slag en haar ogen kregen weer glans. Hij was haar man, zij werd weer zijn meisje. Tien seconden later zakte ze meestal weer weg in haar dommel.

Hij keek dwars door haar nukkigheid en de mist in haar hoofd heen. Hij pakte haar hand, gaf haar een kusje en ging naast haar zitten. Meestal zweeg hij. Er viel niet zoveel meer te zeggen, ze begreep het toch niet, maar hem voelen – dat kon ze wel.

Vorig weekend werd ze plotseling ziek. Ze kreeg hoge koorts, moest overgeven, en werd vre-se-lijk moe. Te moe om wakker te blijven, te moe om te praten, te moe om te eten. Ze schudde na dat weekend hooguit nog met haar hoofd, trok haar schouders licht op, of knikte flauwtjes. Maar wanneer ze hem zag, op de stoel naast haar bed, straalde ze even en trok er een zweem van een glimlach over haar gezicht. Kracht om zijn hand te grijpen had ze niet meer.

Zaterdagavond – hij was bij haar – keek ze op, en fluisterzuchtte tegen hem: ‘…hou van jou…’ Het waren de laatste woorden die ze sprak, haar finale volzin was voor hem. Ze viel daarna prompt in slaap.

Zondagmiddag stokte haar adem, twee of drie minuten later overleed ze. Hij keek stilletjes naar haar, ik hield hem vast.

Het is de allermooiste erfenis die je als kind kunt krijgen: ouders die zo’n onverbrekelijke, standvastige liefde voor elkaar koesteren en die dwars door elkaars makke heen konden kijken. Ouders die opbloeiden zodra ze elkaar zagen. Ouders die elkaar graag kusten, privé en openbaar. Ouders die graag hand in hand zaten, die gearmd over straat liepen, die trots naar elkaar opkeken en blij werden van elkaars nabijheid.

Ouders die vijfenzestig jaar, vier weken en één dag getrouwd zijn geweest.

• • •

Eerdere columns over mijn ouders en mijn moeders dementie:

[Beeld: fragment van een foto van mijn ouders, gemaakt door Gon Buurman, 1990]

Spiegelend staal

Het was ontroerend vanaf de eerste blik. Stond je erbuiten, dan keek je op de roestvrij stalen platen van de zwevende overkoepeling, die tot spiegels zijn gepolijst. Ze strekken zich hoog uit en ontnemen je het zicht op stroken lucht, bomen en gebouwen voor je, en schuiven daar de reflectie van andere gebouwen, bomen en lucht voor in de plaats. Je krijgt een verbrokkeld vergezicht, een gebroken geschiedenis, opnieuw bijeen gemetseld. De wereld werd plots een kaleidoscoop.

Eenmaal afgedaald in het monument werd die ervaring heviger. Ook onder de overkoepeling spiegelde het staal. Wie dicht bij een muur stond en omhoog keek, zag de muur op zijn kop terug en uiteindelijk ook zichzelf ondersteboven weerspiegeld. De wereld was ineens een slag gekeerd.

Loop je er rond, dan zie je overal muren, met allemaal ingemetselde steentjes, ruim 102 duizend ­– elk met een naam erop. Namen van echte mensen, doelbewust afgevoerd uit Nederland en overgebracht naar de vernietigingskampen, en daar vermoord om wie ze waren: joden, Sinti en Roma. Het was een doolhof: de wereld een raadsel.

De eerste naam die ik op een van de steentjes las, was die van Bernard: geboren op 11-11-1940, 1 jaar oud geworden, en toen vermoord. Bernard was nog maar een peuter, en toch werd ook hij vergast in een van de vernietigingskampen. De wereld: een hel.

Het was druk. Overal liepen mensen. Sommigen wandelend, andere her en der namen lezend, enkelen duidelijk op zoek naar een specifieke naam: die van een vader, een tante, een broer of zus. Veel mensen raakten af en toe steentjes aan, ik ook. De wereld: het oproepen van geschiedenissen, de doden een naam geven, en zo weer een plaats voor hen inruimen.

Tussen de muren stonden jonge bomen in stenen perkjes. Ergens bij een hoek van de S – alle naamstenen zijn alfabetisch gerangschikt, en de muren zelf zijn op hun beurt geordend in Hebreeuwse letters, die samen het woord voor ‘In herinnering’ vormen – stonden drie ranke bomen. Daarnaast zat een katje, een jong dier nog, hooguit drie maanden oud. Hij was zwart met witte sokjes, trok zich geen sikkepit aan van het volk om zich heen en rekte zich uit door zijn klauwen in een boom te zetten, zo hoog als hij maar kon. Hij knauwde vervolgens aan de bast en hapte er enthousiast een stukje van af. Het leven, vol onschuld. Bernard, 1 jaar oud.

In Berlijn heb ik het Holocaustmonument daar gezien, het Denkmal für die ermordeten Juden Europas. Ook een doolhof, maar dan zwaarmoedig: een raster van immense betonnen blokken die boven de bezoekers torenen. Daar weegt de geschiedenis loodzwaar op je – misschien wel terecht, het is immers een Duits monument, en de schuldvraag is daar nog pregnanter dan hier.

Dit monument is anders. Het is licht en helder. Het nodigt uit tot aanraken, het zoekt contact. Mensen raken er met elkaar aan de praat. Er lopen zelfs jonge katjes doorheen.

Foto’s: Karin Spaink

Het Holocaust Namenmonument werd op zondag 19 september geopend. Het is bedacht, verdedigd en bevochten door Jacques Grishaver, de voorzitter van het Nederlands Auschwitz Comité, en ontworpen door de Pools-Amerikaanse architect Daniel Libeskind. Er worden nog sponsors voor de naamsteentjes gezocht. Het Berlijnse Holocaustmonument werd op 10 mei 2005 geopend en is ontworpen door Peter Eisenman.

Voor de neezeggers

De voorgestelde coronapas schept een tweedeling tussen wie wel en wie niet is gevaccineerd, beweren critici. Dat is niet waar: een negatieve test volstaat, evenals een bewijs dat je antilichamen draagt en al een infectie hebt doorgemaakt. Ook zonder vaccin kun je dus gerust café in, café uit. Wel even een testje doen, en dat is gratis.

‘Maar mijn privacy dan?’ zegt de weigeraar. Nu, de check zit verpakt in een QR-code, en die is privacy-bestendig: wie zo’n code uitleest, ontvangt verder geen gegevens van je – niet eens waarom je een groen vinkje hebt. ‘De app volgt mijn bewegingen,’ protesteert een ander. Welnee, dat kan-ie helemaal niet. De coronacheck-app slaat alleen je certificaat op, en leest niet uit waar je je bevindt, noch waar je je liet checken.

Wie serieus bezorgd is over zijn privacy, kan beter zijn mobieltje weggooien dan die zorgen botvieren op deze app. (Voorts zou ik ze dringend aanraden hun ‘research’ niet langer op Facebook en YouTube te doen, dat zijn privacy-schenders bij uitstek.) Je kunt trouwens ook een papieren QR-code aanvragen, dan heb je helemaal geen mobieltje of DigID nodig: bel 0800 1421, en je krijgt ’m in de brievenbus.

Verder: het ding is er niet voor jou, maar dient om andermens’ veiligheid te waarborgen. Weiger je anderen te beschermen? Prima, maar dan verspeel je tijdens deze pandemie het recht om naar de kroeg, de film of een festival te gaan. Net zoals je tegenwoordig niet in het café of restaurant mag roken: vanwege de gezondheid van derden.

Wat mij betreft zouden ook gevaccineerde mensen zich moeten laten testen: ook zij kunnen het virus immers onder de leden hebben en zo anderen besmetten. Plus dat ik graag zag dat horeca- en cultuursectorbazen niet alleen de klandizie, maar ook hun personeel om een geldig certificaat kunnen vragen: waarom moeten bezoekers aantonen ongevaarlijk te zijn voor derden, maar medewerkers niet? Dan schiet je nog geen fluit op.

Dit alles betekent niet dat ik voor het kabinetsplan ben. Dat is slecht doordacht en inconsequent. Waarom zouden festivals of muziekpodia slechts op driekwart van hun capaciteit mogen opereren, wanneer je tegelijkertijd van alle bezoekers een geldig certificaat verlangt? Waarom moet je op een terras, in de open lucht, een geldige QR-code laten zien? Ook legt deze aanpak de last van de controle eenzijdig bij het uitgaansleven, dat niet is bedoeld als handhaver.

Bovenal vind ik het bezwaarlijk dat het kabinet – dat nu al acht maanden demissionair is, maar zich daar met de maand minder naar gedraagt – de Kamer niet fatsoenlijk, op voorhand, heeft geconsulteerd over dit plan, maar alweer op zondag iets laat uitlekken dat het twee dagen later bekend maakt, en pas daarna aan de Kamer voorlegt. Dat is bij uitstek een manier om je eigen oppositie te scheppen, neezeggers in de hand te werken, en de tegenstellingen te verscherpen.

Mauwen over ‘segregatie’

Wil je coronavaccinaties weigeren? Dat kan en dat mag, en de reden waarom je weigert doet er niet toe. Pleiten – zoals sommigen nu doen – dat weigeraars medische hulp kan worden ontzegd als zij vervolgens ernstig ziek raken na een besmetting, is volstrekt uit den boze.

De zorg mag, zo lang zij dat aankan, immers nooit en te nimmer adequate hulp weigeren, ook niet wanneer iemands toestand tot op zekere hoogte voorspelbaar was – de zorg helpt ook rokers, een rund dat met vuurwerk stunt, mensen die hun lever kapot hebben gezopen, of de roekeloze die zichzelf of een ander een verkeersongeluk heeft aangedaan. Die laatste krijgt hopelijk wel een fikse boete wanneer hij anderen door zijn gedrag heeft geblesseerd – maar zorg mag hem nooit op die grond worden ontzegd.

De weigeraars rekken hun rechten echter wel erg op. Ze weigeren zichzelf en anderen te beschermen, maar willen daar tegelijkertijd geen enkele consequentie van velen – terwijl je ze op zijn minst kunt vragen voortaan zelf te betalen voor een regelmatige test. Keuzes hebben immers gevolgen, ook voor anderen.

Maar weigeraars mauwen nu over discriminatie en ‘segregatie’ alleen al bij de gedachte aan toegangstesten, terwijl anderen hun best doen zichzelf en elkaar blijvend te beschermen.  Ze beroepen zich op hun lichamelijke integriteit – een recht dat akelig selectief wordt ingezet, want de lichamelijke integriteit van anderen boeit ze kennelijk weinig. (Voorts vind ik sowieso dat we dat recht zeer armoedig interpreteren: door laks toezicht wordt dat bij iedereen die in de buurt van Tata Steel, Schiphol of van een drukke snelweg woont, voortdurend geschonden: daar wemelt het van de vreemde stoffen die je lichaam ongewenst maar onophoudelijk te verstouwen krijgt.)

Het is maar een vaccinatie. Hetzelfde spul dat de bof, mazelen, polio, cholera en kinkhoest in bedwang kreeg, dat kinderen voor een leven met ernstige handicaps behoedde, en sterfte voorkwam. Nogmaals: je mag vaccinatie afwijzen, maar anderen in gevaar brengen – zoals de mensen die zich niet kunnen laten vaccineren, of bij wie vaccins door onderliggende ziekte of noodzakelijke medicijnen niet goed werken – is nooit een recht.

En waar ik privacy een groot goed vind – en ik zeg dat als een van de oprichters van privacy-voorvechter Bits of Freedom – is ook dat in mijn ogen niet onaantastbaar. Net zoals ik het recht heb te vragen of mijn visite gevaccineerd is, of anders te eisen dat ze een maskertje dragen voordat ik ze binnenlaat – vind ik dat een cafébaas of restauranthouder mag weten of zijn personeel beschermd is voor hij ze op zijn klandizie loslaat, dat zijn klandizie zelf ook recht heeft dat te kunnen weten, en dat mensen die dicht op elkaar moeten werken – bijvoorbeeld in de bouw, en in de zorg – van hun collega’s op aan moeten kunnen.

We hebben immers allemaal kunnen zien wat er gebeurt als dit virus woekert en verder muteert. Daar lijdt iedereen onder.

Hats off!

Van het eerste weekloon van mijn eerste vakantiebaantje – ik stond drie weken achter de metersbrede mangel in een industriële wasserij, ik was 16 – kocht ik nagellak, twee T-shirtjes en een lp: Kimono My House, van de Sparks. Ik heb altijd een zwak voor ze gehouden.

Vandaar dat ik opveerde toen ik The Sparks Brothers aangekondigd zag: een documentaire over de gebroeders Mael, die al vijftig jaar samen de band vormen. Russell was de mooie van de twee: de frenetiek dansende dandy met de krullen en de kopstem, die moeiteloos de hoogste tonen haalde; Ron was de onbeweeglijke toetsenist, die zo vaak als hij kon met uitgestreken smoelwerk rechtstreeks in de camera keek en zodra hij daarop betrapt werd, zich getergd afwendde, vaak met rollende ogen. Ron had bovendien een Hitler- of Chaplin-snorrretje. Of hij daarmee een van de twee wilde personifiëren, en zo ja wie, was nooit helemaal duidelijk.

Samen schiepen ze een unheimisch imago: de toy boy en de psychopaat. Zoals iemand in de documentaire zegt: ‘Ze zagen er helemaal niet uit als een band. Ze zagen eruit als twee mensen op een uitstapje van de kliniek.’ De legende wil dat John Lennon, toen hij ze bij een popprogramma op tv zag, subiet Ringo Starr opbelde en verbaasd tegen hem zei: ‘You won’t believe what’s on the television. Marc Bolan is playing a song with Adolf Hitler.’

Afgelopen weekend zag ik die documentaire. Tweemaal, zelfs. Het was een feest. Ze waren beter dan ik me herinnerde (‘the best British band to ever come out of America’) en pas nu drong tot me door hoeveel muzikanten ze hebben beïnvloed – wat ze, bizar genoeg, later vaak op de reprimande kwam te staan dat zij zich door Queen, The Pet Shop Boys, Kraftwerk of New Order lieten inspireren, terwijl het precies andersom was.

Ze nemen niets serieus, zijn extreem slim en theatraal, en drijven overal de spot mee – vooral met zichzelf, of met producers die wilden dat ze hitjes maakten of met de wind meewaaiden – maar hebben tegelijkertijd onverbiddelijk hun eigen weg gekozen, al betekende dat soms dat ze jaren op een houtje moesten bijten.

Sinds een jaar of wat krijgen ze erkenning als de godfathers die ze zijn; hun samenwerking met de Schotse indie-rockband Franz Ferdinand in 2014-15 was een nieuwe doorbraak. De broers Mael waren toen al 69 (Ron) en 66 (Russell).

De ris mensen in die in de documentaire opdraaft om hun eer aan het duo te betonen – van Tony Visconti, Todd Rundgren en Giorgio Moroder tot Jeff Beck, Flea, Neil Gaiman en Alex Kapranos – is imposant. Ze zijn inderdaad ‘de favoriete band van je favoriete band’, zoals de tagline van de documentaire beweert. Maar het wordt nergens een hagiografie: daarvoor is regisseur Edgar Wright te doortrapt. Hij maakt slapstick-achtige cuts, houdt afstand, ook visueel, en laat je geregeld van je stoel rollen van het lachen.

Had ik een hoed gedragen, dan had ik hem afgenomen – met een zwierig gebaar, en rollende ogen.

Met oorlog breng je geen vrede

Los van alle ellende – voor zover dat kan, tenminste, want de beelden van het vliegveld bij Kabul zijn haast niet om aan te zien: mensen met doodsangst in hun ogen, ouders die in paniek hun kindje doorgeven, in de hoop dat een ander het mee zal nemen, weg het land uit – los van al die ellende dringt een vraag zich op. Wat is in ’s hemelsnaam het nut van oorlog?

Kun je, zoals de Verenigde Staten al sinds de Vietnamoorlog in de jaren ’60 volhouden, inderdaad ‘the hearts and minds’ van de bevolking veroveren nadat je een land eerst bent binnengevallen, en het vervolgens aan gort hebt gebombardeerd? Vietnam, Irak, Afghanistan – overal speelt die vraag.

Kun je als buitenlandse macht ooit nog op goede voet met de bevolking komen te staan, wanneer je die eerst als collateral damage hebt behandeld? Wanneer je met drones argeloze bruiloftsgasten hebt opgeblazen, en de kinderen van een land collectief hebt verweesd? Wanneer je, zoals Nederland in Srebrenica overkwam, in de positie raakt dat je onderdeel wordt van een burgeroorlog en je jezelf machteloos laat gebruiken door de overheersende partij?

Maken zulke oorlogen de taak van de internationale blauwhelmen – die hoofdzakelijk afstand tussen de strijdende partijen pogen te scheppen – niet duizendmaal moeilijker dan die al is?

Steeds meer ga ik geloven dat het enige dat je kunt doen voor een land dat in burgeroorlog verkeert, niet bestaat uit dat land invallen, maar uit lokale initiatieven versterken en waar je maar kunt de nood lenigen. Pleisters plakken, voedsel en schoon water verstrekken, schooltjes oprichten, de lokale pers helpen, ziekenhuizen bouwen, dorpsraden consulteren. En wanneer die schooltjes en ziekenhuizen worden gebombardeerd, met koppig optimisme weer van voor af aan beginnen.

Het werk van Artsen Zonder Grenzen, het Rode Kruis, Reporters Sans Frontières is moeilijk, maar zaait minder wantrouwen en biedt uiteindelijk meer perspectief. Je bouwt geen democratie met legers; die metsel je met geduld, vertrouwen, overtuiging, standvastigheid en betrouwbaar zijn. Tegen dictatoriale regimes en terroristische groeperingen bestaat geen quick fix – alleen stug volhouden, in samenwerking met de bevolking.

Niet dat je internationaal met lege handen hoeft te staan. Ook sancties kunnen werken, net als fondsen intrekken, beslag leggen op de rekeningen van oorlogsfinanciers en regimes uitsluiten van internationale gremia. Maar daar win je weinig mee – je voorkomt hooguit erger. De lokale democratie versterken is het enige dat werkelijk perspectief biedt.

Maar dat betekent ook dat je strenger moet zijn tegen regismes die nu nog overwegend als ‘friendly’ worden beschouwd. Van Jair Bolsonaro en Vladimir Poetin tot Recep Tayyip Erdoğan en Viktor Orbán – wees strenger tegen hen, al was het maar omdat het weinig helpt om daar toe te staan wat je elders verwerpelijk zegt te vinden.

De slogan uit de jaren zestig – make peace, not war – was zo dom nog niet.

[Beeld: Wikimedia]

Demissionair (maar niet heus)

Het gedrag van het kabinet wijst op maar één ding: de regering acht zichzelf niet langer demissionair en meent over zijn eigen val, en over de verkiezingen, heen te kunnen regeren. Er worden nieuwe bewindslieden aangesteld, zonder dat iemand zich afvraagt hoe je als bewindsman in een demissionaire positie kunt worden benoemd.

De verkiezingen waren vandaag op de kop af vijf maanden geleden, maar de kabinetsformatie achten de onderhandelaars kennelijk zo irrelevant dat ze gerust een maandlang vakantie dachten te kunnen nemen. Laat het land maar dobberen. Rutte regeert wel stilletjes door.

Intussen doet de regering er alles aan om de positie van de Kamer te ondergraven. Mark Rutte is demissionair premier en tevens fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer; Sigrid Kaag is vicepremier en Kamerlid voor D66, Carola Schouten is minister en Kamerlid voor de ChristenUnie; de net benoemde staatssecretarissen Steven van Weyenberg en Dennis Wiersma blijven aan als Kamerlid voor D66 respectievelijk de VVD. Hoe durf je: tot de regering toetreden, en tegelijkertijd je functie als controleur van datzelfde kabinet aanhouden.

Zelfs Kameruitspraken doen er kennelijk niet meer toe. Begin juni nam de Kamer een motie aan die het kabinet opdroeg Afghaanse tolken die voor het Nederlandse leger hadden gewerkt, versneld naar Nederland te halen. Die motie werd tweeëneenhalve maand lang genegeerd en getraineerd (‘We weten zelf niet wie voor ons heeft gewerkt’), totdat het dit weekend te laat bleek te zijn. Een kabinet dat een motie negeert die de Kamer met een grote meerderheid heeft aangenomen, is gewoonlijk een halszaak – maar nu een demissionair kabinet dat doet, komt er een Kamerdebatje na, als mosterd na de maaltijd.

Ook de rechter krijgt de middelvinger van het kabinet. Wordt het ministerie van Hugo de Jonge op zijn vingers getikt omdat het de Wob ondermijnt en in strijd met de wet verzoeken om informatie uitstelt, dan gaat VWS zich niet stilletjes in een hoekje dood zitten schamen, maar besluit het in beroep te gaan en huurt een leger extra juristen in.

Over een dikke maand is het Prinsjesdag, dan wordt de rijksbegroting gepresenteerd. Hoe stelt Rutte zich dat voor, met een demissionair kabinet dat de wil van de Kamer negeert en dat besluit dat de stem van de kiezer geen urgentie kwestie is? Stelt zo’n kabinet een miljoenennota op, alsof er niets aan de hand is? Wil Rutte-III echt over zijn eigen graf heen regeren?

Naar huis, naar huis met dat hele kabinet, zei de Kamer. Eerst nog wat regeren, zei Likkepot. Waar halen we de legitimiteit vandaan, vroeg Langelot. Daar veeg ik mijn reet mee af, zei Ringeling. Sssst! Niet aan de Kamer verklappen, waarschuwde het kleine ding. Duh, de Kamer – dat zijn wij toch ook? zei Duimelot.

En dan straks klagen dat het wantrouwen jegens de politiek is toegenomen, en weer mooie praatjes houden over macht en tegenmacht en over versterking van de democratie.

[Beeld: Engin Akyurt | Pixabay | fragment]