Kunst en commotie

JAARLIJKS MOGEN EEN aantal uitverkoren kunstenaars bij het Prins Bernhardfonds iets ontwerpen voor een non-profit organisatie. Uit de ingeleverde voorstellen maakt het fonds een keus; de uitverkorenen mogen in overleg met de begunstigden hun plannen vervolgens uitwerken, de kunstwerken worden door het fonds aangekocht en komen daarna op de plaats in kwestie te staan. Prachtig, zou je denken: zo komen kunstenaars aan het werk en worden allerlei instanties gratis van kunst voorzien.

Karin Arink is een gelauwerd beeldhouwster. Ze won eerder de Prix de Rome en heeft diverse grote tentoonstellingen op haar naam staan. Ooit mocht ik een middag in haar atelier doorbrengen om haar werk te bekijken; ik ging er in stille verwondering en vol ontzag weg. Arink maakt lichamen. Grote beelden – naar ik aanneem levensgroot – van tot op heden ongekende creaturen. Lichamen die spierstelsels zijn, of beweging, of botstructuur. Ze zijn broers en zussen van de schepsels van Francis Bacon en Clive Barker. Net als de figuren van Bacon zijn Arinks lichamen op het eerste oog onaf, of erger: kapot. Je zou kunnen denken dat ze lichaamsdelen kwijt zijn, dat ze gedemonteerd zijn en opnieuw, door een wreed kind, in elkaar zijn gezet. Dat ze, zoals Arnulf Rainer dat doet met zijn portretten, venijnig en agressief bekrast zijn met een scherpe pen. Dat ze mishandeld zijn, slachtoffers van oorlogen en ongelukken, of, prozaïscher, van rotting en verval.

Maar dat is niet waar. Hun kalme houding bewijst het: ze horen zo, ze waren altijd al zo, er is geen wreedheid aan te pas gekomen anders dan die van het lot. Ze zijn zo geboren. Dit is hun normale verschijning; alleen trekken ze overdag, in de gewone wereld, in de nabijheid van dagelijkse mensen die zo monsterlijk kunnen zijn, meer kleren en botten en vlees aan om niet de aandacht te trekken en om te voorkomen dat ze uitgestoten worden vanwege hun verschijning. Bij Arink zijn ze naakt, onopgesmukt – en ze vertederen en dwingen ontzag af. Hun onbeschaamdheid is onthutsend, hun kracht formidabel, hun schil broos doch sterker dan elk pantser, en ze zijn zo open en kwetsbaar als geen mens zou durven zijn. Als schoonheid genadeloos is, dacht ik daar in dat atelier, dan is het hier. Chapeau, Arink!

Arink koos een psychiatrische inrichting en mocht, na overleg met een contactpersoon aldaar, een beeld maken dat in de tuin geplaatst zou worden. Ze had foto’s van de plek: een enigszins verwilderde tuin, met daar omheen een kring van bomen. In het midden had ooit een katholiek beeld gestaan van een Christus met een open hart (‘vlammend hart’, in het jargon). Arink maakte op basis van die door bomen besloten en tamelijk intieme plek, met de neergehaalde Christus als een beeldrijm in haar hoofd, een open lichaam dat omhoog reikte, een figuur wier ledematen met haar lichaam vergroeid waren als de takken van de omringende bomen met hun stammen; ik moest denken aan Daphne die, teneinde aan de bronstige Apollo te ontkomen, zich tot een laurierboom transformeert liever dan zijn slachtoffer te worden. Het was een sterk beeld: iemand die met beide benen op de grond stond, die met kracht omhoog reikt, die open en vergroeid is, en temidden van soortgenoten stond: de bomen. Het beeld werd door het fonds en de directie geaccepteerd en geplaatst.

Maar de bewoners wisten van niets. Sommigen waren al ontzet geweest toen de voortuin van de inrichting gefatsoeneerd werd en alle bomen waren neergehaald; nu was de voortuin tot hun ongenoegen een strakke vlakte veranderd, een leegte waar alle hoekjes, schaduwen en bergplaatsen waren weggesaneerd. De directie had geoordeeld dat de voortuin een ‘open karakter’ diende te krijgen. En plots kwam, pontificaal midden in die platte tuin, een beeld te staan dat alle ogen naar zich toe trok. Niets geen intimiteit, niets geen voorzichtig benaderen, niets geen bijbehorende omgeving: hier was geen ontkomen aan. En het was geen zoetig beeld, zo helemaal in z’n eentje in die leegte.

Sommige bewoners dachten dat hier gespot werd met hun pijn, met hun angsten. Anderen dachten dat hier een beeld stond dat hun lijden moest personifiëren, en lang niet iedereen vond dat aangenaam. Ze spraken er onderling over; de commotie steeg; iemand pakte het beeld uit protest met wc-papier in. Sommige therapeuten wakkerden het vuur aan en meenden prompt dat het beeld ‘de behandeling van hun cliënten in de weg stond’.

Na een week of twee ontploften de bewoners en eisten ze van het inrichtingsbestuur dat het beeld weggehaald zou worden. Maar dat mocht helemaal niet, ontdekte de directeur van de inrichting nadat hij het contract met het Prins Bernhardfonds er nog eens op had nageslagen: het beeld zou minstens een jaar moeten blijven staan. De directie had overigens wel degelijk toestemming gegeven voor het beeld, maar had onderwijl de tuin waarvoor een sculptuur werd bedacht, met de grond gelijk gemaakt.

Vorige week was er een gesprek tussen een aantal bewoners en de beeldhouwster. De meeste bewoners verzachtten hun standpunt aanzienlijk naar aanleiding van Arinks verhaal over haar motieven en de betekenissen die ze in haar beelden zoekt. Sommigen bleven bij hun opvatting dat ze het een ‘eng’ beeld vonden; de meesten echter begrepen Arinks drijfveer om te willen verbeelden hoe een lichaam van binnenuit verbeeld kan worden, en vonden haar werk zelfs zeer geslaagd, maar bleven van mening dat het hier, kaal en naakt in hun voortuin, misplaatst is – het zit ze te dicht op de huid. Liever hadden ze dat het verhuisde naar de tuin achter het hoofdgebouw, een grote Engelse tuin met veel intieme plekken, en dan mochten er wat hun betreft graag meer beelden bij, zelfs een complete beeldentuin van Arink werd als optie genoemd – maar dat allene, dat pontificale, dat frontale zinde ze niet. Helaas, zo meldde de directie, was de Engelse tuin juist met ingang van het aanstaande jaar verkocht (wat evenmind aan de bewoners bekend was gemaakt).

Arink zelf onderwijl vindt het ronduit akelig dat haar werk hier dit effect heeft. Ze wil wel iets teweeg brengen, maar mensen voortdurend herinneren aan de moeilijkheden waardoor ze in die inrichting beland zijn, is niet haar bedoeling. Bovendien beoogt ze helemaal niet om iemand een spiegel op te houden.

Niet Arinks beeld is misplaatst. Directies die over ieders hoofd heen beslissingen nemen, die tuinen weghalen en beelden neerzetten zonder wie dan ook te consulteren, die zijn dat.

*

[Eerder hield ik een lezing over het werk van Karin Arink; verschillende beelden van haar zijn daarbij afgebeeld.]


Schrijf een reactie

E-mail adressen worden niet getoond noch aan derden doorgegeven.
Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *