Verdomd: verdoemd

O HEMEL. HEB IK mij jarenlang verre proberen te houden van welke vorm van religie ook, word ik opeens nolens volens zij aan zij gezet met priesters. Tot hun collega gebombardeerd.

Zal ik gewoon maar meteen aanschuiven aan het avondmaal en all the way meedoen, in de kerstvakantie de bijbel uit mijn hoofd leren en full-time priester worden na mijn examen zo rond Pasen? Zou het paars van kerkelijke hoogtijdagen me staan? Ik vrees van niet, maar zo’n zwarte robe voor daags lijkt me wel gedistingeerd. En als priester heb ik tenminste een fijn aureool van herderlijkheid, is mijn abstinentie zelfgekozen en een geldig toelatingsbewijs voor de hemelse deurwaarder bovendien. Ach nee, dat helpt ook al niet – los van het feit dat ik die altaartrappen waarschijnlijk niet opkom met mijn stoel – want ik ben nog mevrouw ook en dan schijn je het celibaat niet professioneel te mogen bedrijven. Op pauselijk bevel veroordeeld tot de seksuele blessurebank, zonder maandelijkse overschrijving wegens het hoeden der schapen. Ik moet abstineren vanwege zijn. Ik mag niet meer, ik moet net als de clerus verplicht celibatair.

Heeft U het niet gelezen soms? ‘Gehandicapten die niet in staat zijn een gezin te stichten en te onderhouden, mogen ook geen seksueel verkeer hebben. [..] Het verbod op seksualiteit voor onhuwbare gehandicapten vloeit voort uit de koppeling tussen seksualiteit en huwelijk.’ Aldus, volgens de Volkskrant, de moraal-theoloog Bonifazio Honings van de pauselijke Lateranen-Universiteit. Bonifazio Honings, welk een zoete naam; Bonifazio Honings, welk een wrede woorden.

Geen seksueel verkeer voor onhuwbare gehandicapten. O jé, dacht ik aanvankelijk. Maar toen ik er serieus over begon na te denken viel het eigenlijk verschrikkelijk mee.

Want ik wi­l bijvoorbeeld helemaal niet trouwen. Geen mislukter prothese dan de echt, en mijn huwelijksring zou vast even snel doorslijten op mijn wielen als de handschoenen waarmee ik mijn handen tegen bandeneelt poog te beschermen, aangezien mijn hart de stabiliteit van de wereldpolitiek evenaart. Telkens weer nieuwe en verrassende coalities of brandhaarden. En als ik dat hart nu in de handen van een ander leg, wil dat niet zeggen dat het a) daar tot in lengte mijner dagen blijft kloppen, b) dat hij of zij mi­j om persoonlijke of politieke redenen huwen wil of kan, laat staan dat dat van mij mag, noch dat c) zulks wenselijk zou zijn omwille van politieke of persoonlijke motieven. Dus die viel al af. Onhuwbaar wil ik juist graag zijn, onhuwbaar is my middle name.

Voorts roept de term ‘verkeer’, in deze context geplaatst, bij mij altijd de meest bizarre associaties op met filevorming, uitlaatgassen, politie-agenten te paard en patserige Ferrari’s; met stoplichten en zebrapaden, met snel- en ventwegen, met piepende remmen en onschuldig overreden fietsers. Ik moet dan altijd opeens verschrikkelijk aan de ANWB en aan de NVSH denken, en dat dan nog bloot ook… Nee merci. Seksueel verkeer hoef ik dus ook al niet. Ik wil alleen maar kozen en minnen met degeen die mijn hart vasthoudt, of gewoon samen midzomernachtelijk de stad op stelten zetten. Houden van en dat dan reciprook, dat wil ik, voor mijn part in een autoluwe stad.

Een gezin stichten en dat bovendien onderhouden: ajasses nee. Kinderen hoef ik niet, aan mijn kat heb ik mijn handen al meer dan vol. Mijzelf en mijn tuin onderhouden lukt met enige discipline nog net, ook al heb ik daarbij tegenwoordig iemand nodig die het huis voor me schoonboent benevens veel formulieren van het GAK en de GMD om mij tenminste financieel een beetje op de been te houden. Ik ben moreel, fysiek noch psychologisch opgewassen tegen een gezin; niet nu ik gehandicapt ben, niet voor ik gehandicapt raakte. Een gezin heeft zich voor mij altijd eerder in de regionen van enge nachtmerries bevonden dan in de contreien van wenkende perspectieven.

Samengevat: ik was in de ogen van de paus allang invalide, zelfs toen ik – al was het maar theoretisch – de honderd meter in anderhalve seconde kon lopen. Dus dat hij mij, bij monde van Bonifazio Honings, officieel buiten de orde plaatst is alleen maar prettig; daar sta ik graag. Goed gedaan, Bonifazio! Eindelijk verdoemd, met stempels en lakzegels, via een omweg alsnog van hogerhand goedgekeurd als kwalijk exemplaar van het specimen. Leve het verderf!

Alleen moet hij wel oppassen, die Paus. Homosuelen mogen wel zijn maar niet doen. Echtelieden mogen wel trouwen maar niet her. Vrijgezellen mogen wel kijken maar niet aanraken. Priesters mogen wel dromen maar niet doen. Echtelieden mogen wel doen maar niet behoeden. Dames mogen wel geloven maar niet zegenen. Gehandicapten mogen wel bestaan maar niet verkeren.

Steeds minder mensen mogen wat ze wel doen. Voor je het weet komen daar vreemde coalities uit voort. Met brandhaarden, en handenvol lege kerken. En dat allemaal op pauselijk bevel.

Complot

AANGEZIEN DAMESDAMES OP de buis geheel ontbreken en Medisch Centrum West nog iets goed heeft te maken (ontnam zij het tv kijkend volk recentelijk niet Guus, die bekeerd raakte?) werd het tijd voor een actiegroep: Maak Reini Lesbisch. Reini tobt al maanden in de serie, met de drank, met haar leeftijd, en vooral met haar vent. Het actiecomité: »Wat Reini nodig heeft, is een vrouw. Een leeftijdgenote waar ze op kan bouwen, die haar verzorgt als ze moe maar tevreden thuiskomt, die haar bijstaat in de problemen met Lucie, die haar teder en onstuimig omhelst, geestig is, relativeert en minstens maatje 42 draagt.»

Nu wil het geval dat ik juist een paar weken voor de oproep van het actiecomité publiekelijk gesolliciteerd had naar een gastrol in datzelfde MCW. Niet om Reini, maar om dokter Victor Brouwer, die door zijn Liza tegenstribbelend ingelijfd dreigde te worden bij de orenmaffia en die behalve aan een ernstige vorm van kanker ook aan een hoogst progressieve vorm van kwakdenken leek te lijden. Hij geloofde kanker te kunnen bestrijden door tekeningetjes te maken en zei dat elke vorm van medisch handelen waar de patiënt niet in gelooft, om die reden niet zal werken – en devalueerde daarmee de complete geneeskunde tot één groot placebo-effect. Ik wou wel in de serie om Victor uit de klauwen der orenmaffia te redden en hem te leren hoe je gezonder ziek kunt zijn. Maar ik mocht niet van Hans Galesloot, die in De Telegraaf ook nog erg boos op mij werd.

U zult wel begrijpen dat toen het actiecomité en ik elkaar laatst troffen, we fluks bilateraal overleg hebben gepleegd. Konden we niet twee vliegen in één klap slaan? Maar natuurlijk konden wij dat. Wij waren voor geen kleintje vervaard. In no time bouwden we mijn sollicitatie om in een duobaan voor Irene Meyer en mij. Irene zag bij nader inzien persoonlijk af van Reini en ik verdrink in maat 42, en dus verviel het plan Reini. Tessa, op wie wij het vervolgens voorzien hadden, is inmiddels een droeve dood gestorven. Onversaagd hebben wij de volgende scenario’s gewrocht:

1. Reini neemt een andere baan. Een nieuwe hoofdverpleegster dient zich aan: zuster Irene Meyer. Astrid Meeuwis, collega van Victor Brouwer en te lang vrijgezel, voelt zich vreemd smelten bij hun gezamenlijke patiëntenbesprekingen. Wanneer Astrid haar verwarde gevoelens met Guus bespreekt, begint haar iets te dagen. Ze trekt de stoute schoenen aan en nodigt Irene uit voor een werkbespreking bij haar thuis. De dames besluiten ter plekke dat het werk minder belangrijk is dan zijzelve en geven zich over aan aards plezier.

Ondertussen is maatschappelijk werkster Nel met zwangerschapsverlof gegaan en val ik voor haar in. Victor Brouwer raakt geroerd door mijn nuchtere doch diep-menselijke benadering van de patiënten, en samen onderwerpen wij de psychologische rimram die chronische ziektes omgeeft aan een kritische beschouwing. Victor geneest van het kwakdenken en probeert van zijn leven te maken wat er van te maken valt.

2. Een getergd aanhanger van de orenmaffia, wiens ingezonden brieven door de redactie van de Volkskrant werden geweigerd, steekt mij schuimbekkend een dolk in de rug (een gastrol van Hans Galesloot). Ik word gevonden door Irene Meyer, die mij allerijl te MCW aflevert. Dokter Victor Brouwer schrikt van de agressie van de orenmaffia en raakt daardoor gelukkig vatbaar voor tegenargumenten.

Irene, die mij een paar keer komt opzoeken, wordt geraakt door de tedere toewijding waarmee Reini’s dochter Lucy, die inmiddels weer in MCW werkt, mij verpleegt. Lucy, opstandig als altijd, trekt zich van het leeftijdsverschil niets aan en trekt Irene op zekere dag de gehandicapten-wc in, alwaar menige zoen gewisseld wordt. De dames beginnen een wervelende relatie.

3. Irene Meyer loopt een hernia op door een wild rolstoeldansje met mij en moet een ligkuur van zes weken doen in MCW. In het aanpalende bed ligt Vroni, Reini’s zus (een rol van Cox Habbema). Vroni raakt geheel in de ban van Irene’s charmes, en al gauw verzoeken beide dames het verpleegkundig team om een tweepersoons ledikant.

Ik ga schuldbewust doch trouw wekelijks bij Irene op bezoek, ontmoet aan haar bed Victor Brouwer en praat hem de orenmaffia uit het hoofd. Hij geneest door chemotherapie. Victor Brouwer en ik nemen samen dansles en worden de Nederlandse kampioenen rolstoeldansen. We treden op in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Vroni en Irene zitten innig verstrengeld in de ereloge.

MCW, here we come!!!

Het strafbare lichaam

Er zijn geen ongeneeslijke ziekten, alleen maar ongeneeslijke mensen’ stelt de kankerchirurg Berny Siegel. Samen met andere vertegenwoordigers van wat Karin Spaink ‘de orenmaffia’ noemt, meent hij dat ziek of gezond zijn vooral ‘tussen de oren’ wordt bepaald.
Publiciste Karin Spaink, zelf multiple sclerose-patiënte, verzet zich tegen de idee dat ziekte een fout is in de persoonlijkheidsstructuur. Zij geeft een heldere analyse van de new age-theorieëen die ziekte tot een hoogst individuele en met schuld beladen aangelegenheid maken. Hoe het medische verband tussen lichaam en geest mogelijk wel in elkaar zit, verkent zij in het tweede deel van Het strafbare lichaam.

Omslag Strafbare lichaamDetails:

Het strafbare lichaam: de orenmaffia, kwakdenken en het placebo-effect – Uitgeverij Singelpockets – Amsterdam 1992 – ISBN 978-90-413-50589 – 1e druk 1992 – 6e druk 2007 – 7, 50 euro

Bestellen:

Bol.comBrunaSelexyz

Flaptekst:

Er zijn geen ongeneeslijke ziekten, alleen maar ongeneeslijke mensen’ stelt de kankerchirurg Berny Siegel. Samen met andere vertegenwoordigers van wat Karin Spaink ‘de orenmaffia’ noemt, meent hij dat ziek of gezond zijn vooral ‘tussen de oren’ wordt bepaald.

Publiciste Karin Spaink, zelf multiple sclerose-patiënte, verzet zich tegen de idee dat ziekte een fout is in de persoonlijkheidsstructuur. Zij geeft een heldere analyse van de new age-theorieëen die ziekte tot een hoogst individuele en met schuld beladen aangelegenheid maken. Hoe het medische verband tussen lichaam en geest mogelijk wel in elkaar zit, verkent zij in het tweede deel van Het strafbare lichaam.

Uit de recensies:

  • ‘Een uitstekende repliek op de ideeën en vooral de pretenties van het psychosomatisch denken.’ – Beatrijs Ritsema in Vrij Nederland
  • ‘De kracht van Het strafbare lichaam is dat zij de cirkel van factoren die gezondheid en ziekte, genezen en niet genezen bepalen wijd trekt, wetmatigheden afwijst en aantoont dat de dynamiek tussen factoren even persoonlijk als onverklaarbaar is.’ – Hans van Dam in De Volkskrant.

M’n rug op!

SLAPELOZE NACHTEN heb ik ervan.

De WAO is nooit eenvoudig – terwijl je moet wennen aan het verlies van je gezondheid, aan het verlies van je werk, aan het teloorgaan van ambities, andere manieren moet zoeken om je leven in te richten, kortom: moet wennen aan wat zich als verraderlijk lichaam ontpopt heeft, dien je al te verdedigen dat je inderdaad niet meer kunt werken en afkeuring behoeft. Je moet tegenover vreemden bewijzen wat je zelf nog niet bewezen wilt zien. Dat je lichaam niet meer wil, het vlees te zwak bleek.

Diezelfde WAO kreeg de laatste maanden een sterk ethisch stempel: het werd afgekeurd dat wij afgekeurd waren. Wij WAO’ers immers dragen schuld, werd de teneur: wij verzwaren de collectieve lasten, wij zorgen voor torenhoge premies, voor gapende gaten in ‘s rijks schatkist. Wij dragen zoveel schuld dat wij bijkans een hernia oplopen.

Nu blijkt dat nationale tekort – onze schuld – in de ogen van ons aller kabinet dermate groot en angstaanjagend groeiend dat wij gestrafd dienen met een minimumbestaan. Het is niet alleen een morele misstap om in de WAO te belanden, sterker nog: daar blijven wordt verboden. Wij donderen als wij te lang doorleven collectief de bijstand in.

En zo werd ons onherstelbaar lichaam een strafbaar feit. Die WAO blijkt één grote valkuil. En ik val al zo makkelijk, met die MS-knieën van mij. Ik lig in een valkuil, zo diep als ons nationale tekort. Ik kan er niet meer uit, ik moet er uit, en ik klim zo slecht met die benen van mij. Slapeloze nachten heb ik ervan.

*

NATUURLIJK ZIJN ER oplossingen.

De afgelopen week hebben vijf vrienden en twee ouders bezworen dat ze wel een steunfonds voor me willen beginnen. Lief, geruststellend, bemoedigend, maar een privé-oplossing die anderen niet helpt. En ik had eigenlijk graag groot en zelfstandig willen worden, later. Bovendien komt het me voor dat het kabinet zo misbruik maakt van mijn vrienden.

Met een rijke mevrouw of meneer trouwen kan ook. Maar de spoeling zal dun worden, en ik blijk persoonlijk niet erg bestand tegen langdurige relaties. Misschien kunnen die rijke meneren en mevrouwen een pool vormen, dan kunnen wij WAO’ers ze onderling verdelen en soms eens ruilen van meneer of mevrouw.

De aanstaande legalisering van prostitutie biedt, in combinatie met het verruimen van de definitie van passende arbeid, ook soelaas. Op ons rug liggen kunnen wij immers allen nog. Of ik dat lang volhou weet ik niet, noch waar dat de heren WAO’ers laat – in de WW, waarschijnlijk. Naar heren is in dit vak immers weinig vraag.

Doorleven als nu kan ook, zij het tot mijn spaargeld op is. Ooit heb ik bedacht dat als ik te slecht word en niet meer genoeg kan leven, ik mij vastgord in mijn rolstoel en de Wittenburgergracht in zal rijden. Mijn levensverwachting, die statistisch gezien na het vaststellen van de diagnose nog zo’n dertig jaar is, wordt zo even drastisch geminimaliseerd als mijn uitkering. Zo’n vroege dood is trouwens wel romantisch. En geheid veel bezoek op de begrafenis. Maar van mijn vrienden mag ik niet de gracht in.

Rest nog één oplossing: staakt, vrienden, staakt! Huur allen een rolstoel, versper daarmee alle tunnels, vorm onafzienbare files, en rij Wim Kok over z’n tenen. Jut blindengeleidenhonden tegen het kabinet op. Sla Uw vakbondsbonzen met krukken op het rechte pad zodra ze de WAO willen verkwanselen voor die twee rotvakantiedagen. Bezet met wild overspannen ogen de burelen der regeringspartijen. En veel spreekkoren wil ik horen, zo van: hun schuld onze schuld – interfysieke solidariteit! Bij Uw gejoel zal ik eindelijk weer eens lekker slapen.

[Dit stukje, dat de Groene bij hoge uitzondering op de voorpagina plaatste, belandde later in Vallende vrouw als het hoofdstuk “Strafbaar en slapeloos”.]

Procrustes in de lesbowereld

WELLICHT DACHT U vanavond prettig achterover te kunnen leunen voor een openbaar college over versieren, flirten en dating onder lesbo’s. Helaas. Ten eerste is erotiek (zoals ik indertijd al in De Venus van Milo in de betonmolen heb betoogd) altijd iets wat U zelf moet doen, ten tweede heb ik geen enkele behoefte om collectieve fantasieën vorm te geven en daarmee stiekem aan normvoorschrijving te doen, en ten derde wil ik mijn privéstrategieën in deze uiteraard niet finaal verwoesten door ze hier publiek te maken.

Wat ik vanavond wel wil doen is nagaan hoe U, hoe ik, hoe wij als beweging met zulke zaken omspringen. Ik bespeur daarin een aantal vreemde fricties. En vergeeft U mij als ik van tijd tot tijd flink de spot met U drijf – ik doe dat, juist omdat ik het beste met ons voor heb. Laat, indien het U al te gortig wordt, de gedachte dat ik als rechtgeaarde hutspot eigenlijk helemaal geen recht van spreken heb U maar tot troost strekken. Bovendien heb ik het natuurlijk niet over U, maar over Uw buurvrouw.

EROTISCHE FESTIVALS, LINGERIE-presentaties, lezingen over flirten en versieren, tentoonstellingen van dildo’s en vibrators, pogingen een lesbisch erotisch woordenboek samen te stellen, verzoeken om in uitdagende kleding een feest bij te wonen, de zoveelste discussie over lesbo’s en SM, artikelen over dating en one-night-stands: wanneer je het damesdeel van de homopers of van de COC-agenda doorneemt, vliegt de seks je om de oren. Spannende seks wel te verstaan: over recht op en neer, of hoe de lesbische variant daarop in de wandeling ook mag heten, doet men er het zwijgen toe.

Als ik om me heen kijk – deze bijdrage is niet op wetenschappelijk- of literatuuronderzoek gebaseerd, maar op wat ik ‘participerende observatie’ zou willen noemen – valt me echter iets anders op. U voelt zich, als U mij vergunt Uw collectieve seksleven even op de divan neer te vlijen in plaats van in mijn bed, door de bank genomen hoogst ongemakkelijk bij al dit vertoon, om niet te zeggen: beklemd en bekneld, over Uw grenzen getrokken en in vreemde bochten gewrongen. Uw bed lijkt geleend van Procrustes.

Er zijn in het afgelopen jaar verschillende dames op mijn netvlies blijven hangen. De muurbloem op het SM-feest van Slechte Meiden in april 1990 bij voorbeeld, die in minimaal leer gehuld en getooid met een ketting tussen enkel- en halsband niets deed dan afwachtend op een bankje zitten; uitermate decoratief, daar niet van, maar de indruk die ze al doende creëerde was er hoofdzakelijk een van desastreuze zieligheid. Mijn vriendin en ik hoopten vurig dat haar stille gebed dat iemand haar aan die ketting mee zou sleuren en iets ergs met haar zou doen, zou worden verhoord – al was het maar om de agressie die ze in ons opwekte tot bedaren te brengen. Doch tevergeefs; van een zo verpletterend gebrek aan initiatief had niemand terug.

Of de dame op het seksfeest van het COC in september vorig jaar, die me gehuld in broek en jas kwam opbiechten dat ze onder haar bovenkleding een mooie body-stocking droeg, maar dat ze haar jasje niet open of uit durfde doen. Ze had zich voor de spiegel thuis duidelijk een maat groter gedacht dan ter plekke, en kon niet aan haar eigen verwachtingen voldoen – wat de vraag oproept onder welke condities ze die durf wel tentoon zou kunnen spreiden. Als een feest rond seks en met uitsluitend dames aanwezig nog niet de juiste mengeling van uitdaging en bescherming biedt, lijkt me dat ze het hele project voorlopig beter kan opschorten. En dan de dame in Utrecht, die zich maart jongstleden als mede-organisatrice van een avond over erotiek in een prachtige teddy had gehuld en na het officiële deel van de avond helaas razendsnel wegspoedde teneinde zich om te kleden in een gewoner outfit. En tenslotte de kandidate van de Gay Dating Show, die zojuist had geschitterd met snedige en uitdagende antwoorden, maar die een intermediair behoefde om mij te laten weten dat ze me leuk vond. Tussen de toneelvloer en de dansvloer gaapte voor haar opeens een levensgroot gat.

Deze dames lijken mij stuk voor stuk gevallen van meer willen dan durven. En ik vrees dat ze geen incidenten zijn; eerder zie ik ze als exponenten van de groeiende kloof tussen de discussies over seks die in de lesbische beweging worden gevoerd en de dagelijkse praktijk van de individuele lesbo. Ik heb sterk de indruk dat deze fascinatie voor vrijere, of in ieder geval andere vormen van seks hoofdzakelijk verbaal is: it’s the talk of the town, maar een en ander speelt zich naar mijn stellige overtuiging meer in woorden dan in werkelijkheid af. Kennelijk zijn zulke zaken aardig om in gedachten mee te spelen, maar nauwelijks realiteit: tussen droom en daad staan wetten en beperkingen, en praktische bezwaren.

NEEM NU HET veelbesproken ‘dating’, alias de one-night-stand: het oppikken ener dame teneinde de nacht gezamenlijk in de dag over te zien gaan, en tussendoor het bed flink in de war te brengen. Aan die one-night-stand kleeft een serie problemen.

Ten eerste: het kiezen. Wanneer val je op iemand? Aan het ‘vallen op’ gaat mijns inziens, net als aan het oprechte verliefd worden, een beslissingsmoment vooraf: namelijk het plegen van het voornemen, de wens, open te staan voor contact. Pas dan kan het verlangen opbloeien en de jacht worden geopend. Nog afgezien van het feit dat het nemen van een dergelijke beslissing niet iedereen even makkelijk afgaat, is van belang hoe luchthartig U de jacht opneemt. Wanneer bij voorbeeld de tijdspanne tussen opbloeien en vervulling van het verlangen toeneemt of iemand al te geforceerd zoekt, stijgt de inmiddels ontstane behoefte licht tot nooddruftige proporties. Onze gaandeweg gefrustreerd rakende Artemis kan het spel niet langer als spel opvatten en ziet zich aldus getransformeerd tot hoerenloopster: haar jacht mondt uit in window-shopping totdat ze iemand vindt die begeerlijk genoeg en toch nog vrij en beschikbaar is. Of ze ondertussen nog een aangename avond heeft, waar de hele exercitie haar uiteindelijk om te doen was, lijkt me zeer de vraag. Belangrijk voor daten lijkt me dat U zich vooral door het moment en de situatie laat bepalen, niet met scherp omlijnde doelen op pad gaat, en in staat bent de jacht op tijd en onbekommerd af te blazen.

Ten tweede: het versieren. Hoewel de klassieker “Wil je wat van me drinken?” inmiddels is omgebouwd tot het omhulder “Ik bestel nog iets, wil jij ook wat?”, zijn wij niet echt ingesteld op het omschakelen van small talk ter kennismaking naar het daadwerkelijk testen van de interesse van de ander. Wij wachten af wat de ander doet, of hopen op die ene briljante, hoogst originele ingeving die maar niet komen wil. Maar wat is er mis met het beproefde repertoire? Door de eeuwen heen hebben de heren een uitgebreid scala aan zinnen opgebouwd die precies de juiste toon tussen uitnodigen en indekken bevatten. Er lijkt me niets op tegen daar naar believen uit te lenen, tot U zich zelf doorgewinterd genoeg acht om variaties op deze beproefde methodes uit te proberen. Maar hou bij de vrije figuren Dustin ‘Tootsie’ Hoffman in gedachten: in die film vraagt hij zijn vlam bij hun eerste kennismaking precies wat zij zijn alter ego Tootsie eerder in vertrouwen had bekend graag te willen horen – een invitatie in de zin van “Let’s cut the social crap, I think you’re wonderful and I’d love to spend the night with you” – en ontvangt daarop in plaats van een kus een klap.

Ten derde: de mogelijke afwijzing. Veel goedbedoelde pogingen tot het oppikken ener dame floppen volstrekt omdat we slecht in staat zijn haar ‘nee’ sportief op te nemen, als een van de mogelijke uitkomsten van het spel. Er heerst een volstrekt gebrek aan incasseringsvermogen. U meent maar al te vaak dat gans Uw toch zo interessante persoonlijkheid van de hand wordt gewezen (terwijl haar reactie niet noodzakelijkerwijs met U van doen heeft; misschien wil ze een plezierige vrijpartij van de avond tevoren nog even koesteren, heeft ze last van een jaloerse vriendin, of wil ze gewoon op tijd thuis zijn omdat haar kat ziek is). U start een litanie van eindeloos nazeuren: “had ik maar…”, trekt geheel onterecht heel Uw wezen in twijfel, en durft haar de eerste maanden niet meer onder ogen te komen. Wees toch vooral luchthartig. Het was een spel. Om met Jeanette Winterson te spreken: “You play, you win. You play, you lose. You play.”

Ten vierde: het vrijen. Het is werkelijk opvallend hoeveel dames me in de afgelopen maanden hun beklag hebben gedaan over het gebrek aan initiatief bij de tegenpartij; expliciete uitnodigingen, dito vragen en aanwijzingen over prettig en desnoods bijzonder vrijen zijn kennelijk meer dan zeldzaam – bijna non-existent. Maar mogelijk schuilt hier een addertje onder het gras. Als iedereen klaagt over gebrek aan initiatief en duidelijkheid, en er desalniettemin van alles gebeurt buiten het dagelijkse gemodder, kan ik niet de enige zijn die onomwonden opereert – tenzij mijn kennissen- en vriendinnenkring slechts een zeer beperkt segment van de lesbo-scène bestrijkt.

Ten vijfde: de one-night-stand als one-night-stand. Wanneer wij het bed ener dame delen menen wij gelijk het aan onze stand verplicht te zijn met haar te trouwen, ook al is dat huwelijk maar tijdelijk; een neiging die des te sterker wordt naarmate de vrijpartij over en weer bevredigender verliep. We verwarren bovendien napret en nagenieten al snel met een hele of halve verliefdheid. Het kost ons moeite een en ander als een plezierig intermezzo te blijven zien, en de draad van het contact op te pakken waar die eerder lag. (Wat soms neerkomt op: nergens.)

EEN WASLIJST AAN hindernissen, zoals U ziet. En dat dan nog geheel los van het feit dat we bij al het gedruis over dating het genoegen van het uitstel behoorlijk uit het oog lijken te verliezen. Wij onderschatten het belang van het erotisch verheugen. Want wat is er immers leuker en opwindender dan het plezierige, verwachtingsvolle toeleven naar het uur U, de voorpret over de afspraak waarvan je aan je water voelt dat hét gaat gebeuren? Met uitsluitend en alleen de onmiddellijke inlossing van onze wensen, het acuut vervullen en onverwijld uitleven van de hang naar geneugten en lusten zijn we er niet. Dat loopt uit op Saroma-seks, instant-bevrediging zonder voedingswaarde.

Kortgezegd: het klimaat daagt ons nu meer dan vroeger uit tot seksueel experimenteren; gesprekken en artikelen over SM, erotiek, dating, seksspeeltjes en one-night-stands zijn in die zin stimulerend en geestverruimend, en helpen de gedachtenvorming rond wensen en voorkeuren los te zingen van het bestaande. Tegelijkertijd hebben zulke discussies onbedoeld de bizarre eigenschap de meesten van ons het gevoel te bezorgen dat je niet meer echt meetelt wanneer je niet ook een cent in het bakje doet, met als gevolg dat we elkaar soms lijken te willen overtroeven met frivole dan wel geheimvolle biechten. Waar het vroeger de enkeling was die ongeschreven normen wenste te tarten, zoals Bernadette de Wit deed toen ze een asbak in de vorm van een poedelnaakte juffrouw op haar bureau in het COC zette, voelen wij ons nu collectief verplicht elkaar enigszins besmuikt de in onze ogen meest onthutsende waarheden toe te vertrouwen: dat wij Mickey Rourke ergens toch wel geil vinden, dat wij een keer naar het bordeel zouden willen teneinde flink verwend te worden, dat wij het mogelijk eens met een meneer willen doen, dat wij ons afvragen of wij niet wat wilder willen vrijen – en al sprekende voelen wij ons stout en ongemakkelijk tegelijk.

Maar dat Pat Califia een overrompelend verhaal schrijft waarin een dame door haar date op de vuist wordt genomen, hoeft U heus niet persoonlijk op te vatten. Dat een dergelijk verhaal gepubliceerd en besproken wordt, misschien zelfs tot woeste fantasieën leidt, wil nog niet zeggen dat wij, zoals een vriendin van mij het uitdrukte, meteen moeten vinden dat wij allen tot onze ellebogen in iemand hoeven te zitten wanneer wij daartoe zelf geen onstuitbaar verlangen voelen. Wanneer U zo reageert op lopende discussies en ontwikkelingen strekt U zichzelf tot berstens toe op een bed dat te groot voor U is. Gezegend zijn derhalve de dames die zich vrij voelen om vormen van seksuele nieuwlichterij onbekommerd en zonder die van de weeromstuit te veroordelen van de hand te doen als simpelweg niet interessant voor hen. Maar de enige dames die ik ooit hardop heb horen zeggen dat ze voornamelijk moeten giechelen van SM zijn Anja van Kooten Niekerk en de onvolprezen Anneke Vrolijk. En Kipje, maar die was toen geloof ik even dronken als ik.

MAKEN WIJ ONS verbale bed soms enige maten te groot, in de seksuele praktijk van alledag zie ik velen van U zich in een te krap bemeten exemplaar wringen. Ik bespeur bij voorbeeld een neiging om ‘nieuwe’ praktijken eerst theoretisch te willen legitimeren voor ze tot praktijk verheven mogen worden – alsof er tegenover iets of iemand verantwoording afgelegd dient te worden, en het simpelweg zeggen “omdat ik het lekker vind” onvoldoende reden zou zijn. Pas als Joanne Loulan een verhaal over dating afsteekt storten wij ons daar en masse en met vreugde op – hoewel ook dat zoals gezegd vooral een verbale aangelegenheid blijkt. Wij munten uit in het verklaringen zoeken en ideologische exercities plegen, op voorhand of in plaats van, en stellen het verlangen of de behoefte zelden centraal.

En als we dat wel doen, zoals in het geval van de SM-dames, vinden we het noodzakelijk dat verlangen zelf, en de handelingen die daaraan verbonden kunnen worden, meteen ook als feministisch te mogen definiëren – terwijl de term ‘feministisch’ naar het mij voorkomt gereserveerd dient te worden voor het proces van het onderzoeken van en eventueel vorm geven aan dat verlangen, maar niet per definitie van toepassing hoeft te zijn op het resultaat van dat proces.

Dit nog los van het feit dat wij – simpele stervelingen toch – zelden mensen uit één stuk zijn; er vallen tal van wensen, verlangens, voorkeuren en gewoonten in ieder van ons aan te wijzen, die helemaal niet langs welke feministische of lesbische maatlat dan ook gelegd hoeven te worden. De vraag of U zich feminist noemt en de kwestie of U al dan niet van spruitjes houdt, zijn twee verschijnselen die volstrekt niets met elkaar te maken hebben. Toch buigt U zich maar al te vaak over varianten op deze vraag.

In het verlengde van deze verwarring over moraal en ideologie enerzijds en praktijk anderzijds ligt de kern van Uw vreemde verhouding tot mannelijkheid. Want hoewel mannelijkheid fungeert als ijkpunt voor alles wat vies en voos en derhalve niet des lesbo-feministen zou horen te zijn, is en blijft diezelfde mannelijkheid een bron van fascinatie en identificatie. Ook van vrouwelijkheid wenst U immers niet beticht te worden…

U hoopt bij voorbeeld stoer te zijn. Dat leidt tot weinig subtiel taalgebruik waar het seksuele handelingen en aanduidingen betreft; het lesbiaans is, zo stellen Xandra Schutte en Hanneke Kunst, die druk doende zijn het vocabulaire in sexualibus te inventariseren, tamelijk macho; Schutte en Kunst spreken zelfs van linguïstische cross-dressing, oftewel het overnemen van de codes van de andere sekse.

Of neem nu het uitgaanstenue. “Dat je dat durft”, roept U tegen de dame die in lingerie op een feest verschijnt. “Dat je dat doet”, is de onuitgesproken subtekst. Want het hoort niet, vindt U, ook al kijkt U gebiologeerd toe. U bewondert wellicht haar durf, maar houdt diezelfde durf tegelijkertijd verre van Uzelf. Het is immers te vrouwelijk, te sensueel, te gewaagd. Voor sommigen van U is het wellicht ook verbonden met pijn: hoe U vroeger moest maar niet kon of wilde zijn. U vertrouwt het ook niet helemaal. Wat zegt zulke kledij over de seksuele gerichtheid, de politieke stellingname van de draagster? En spoorslags zoekt U verklaringen en excuses voor afwijkende outfits, waarmee U het ongewone fluks onschadelijk maakt: Anneke Vrolijk loopt in chaps omdat ze bij een homoboekhandel werkt en aan de invloed van flikkers lijdt, Anja van Kooten Niekerk mag in een deux-pièces vanwege haar positie, en omdat ze als directeur van het COC hoe dan ook onverdacht is; Bernadette de Wit mag opvallend, omdat die altijd provoceert; ik mag in lingerie, omdat ik over seks schrijf en het idee dat ik er wel pap van lust toch al de overhand heeft. Dat ik het doe omdat ik het mooi en sexy vind blijkt in gesprekken nauwelijks geaccepteerd te worden als argument, wel als ik zeg dat ik daarnaast meen iets extra’s te moeten doen om mijn rolstoel of mijn kruk te relativeren.

Uzelve verschijnt daarom veiligheidshalve doorgaans in broek en overhemd op feesten en partijtjes, of, wanneer er iets extra’s van U wordt verwacht zoals laatst op het erotisch festival in Arnhem, verpakt in leer. Van – om een kleine greep uit het assortissement te doen – driedelig zijden pakken, subtiele splitten, hermelijnen jassen, strakke truitjes, Garbo-voiles, vijftiger jaren jurken, pikant geaccentueerde bilpartijen, debutantenrobes, avondgewaden, glittercostuums, met rood satijn gevoerde vampier-capes, lawaaipakjes, designer chaps, uitbundige Jordaankapsels, openvallende decolletées of (zoals de Engelsen dat zo mooi zeggen) plunging necklines is maar bij een zeer kleine minderheid onder U sprake. Let wel, voor mij hoeft niet iedereen zich in zulke kleding te hijsen – dat zou ook maar gedeeltelijk in mijn belang zijn, aangezien zodra U allen wulps, extravagant, oogverblindend, flamboyant, geraffineerd en uitdagend gekleed gaat, ik als de sodemieter weer iets nieuws moet bedenken.

Waar ik U wel op wil wijzen is dat als onvrouwelijkheid Uw kennelijke referentiepunt is, er toch werkelijk meer onder de zon is dan die onvermijdelijke bandplooibroek. Er is een breed scala aan mannentypen waarop U zich naar believen zou kunnen oriënteren: de mafioso, de pooier, de yup, de gentleman in tuxedo, de relnicht, de latin lover, de camelman, de headbanger, de punk, de cowboy – en zelfs de travestiet. Overigens: wanneer U make-up en feestverpakkingen overlaat aan vermeende provocatrices en femmes, heeft Uw bestudeerde achteloosheid omtrent Uw kleding een vreemde paradox tot gevolg: op die manier koppelt U bij verstek en via de achterdeur uiterlijke verfraaiing en opsmuk alsnog aan vrouwelijkheid. En een dergelijk conservatisme wilt U toch niet op Uw geweten hebben…

*

HELAAS MOET IK U tenslotte nog onderhouden over Uw paradoxale verhouding tot macht. Die spruit voort uit het idee dat macht uitsluitend een negatief, zo niet destructief verschijnsel zou zijn. Om die reden wilt U daar zo min mogelijk mee uit hebben te staan. Maar macht is meer dan alleen een bezoedelingsfactor -gelukkig is het niet zo simpel.

Dat wij seks mogelijk met macht verbinden vinden wij om die reden een vieze gedachte. Als door een mannelijke wesp gestoken springen wij op en brullen als uit één keel “nee, driewerf nee” wanneer Karlein Schreurs ons in een onderzoek vraagt of wij seks wel eens gebruiken om ons macht te verwerven. Dat deel van seks hebben wij keurig netjes toebedeeld aan de meisjes van de Wild Side – wij doen dat niet. In die zin bent U stiekem zelfs blij met de SM-beweging: het simpele bestaan van een groep als de Wild Side waartegen U zich prettig kunt afzetten, maakt dat U zich ontslagen voelt van vraag in hoeverre machtsbeleving rond seks voor Uzelf aan de orde is. In hetzelfde gebaar waarmee U hen verre van U werpt, creëert U Uw eigen schone handen.

Heeft U dan werkelijk geen ervaring met de sensatie zo verleidelijk te zijn dat anderen zich aan U willen overgeven? Heeft U nooit genoten van de gedachte dat dames om U werven? Bent U onbekend met de fantasie dat Uw bevallige verschijning aller ogen op U weet te vestigen? Heeft U Uw geliefde nooit nog pesterig laten wachten op haar orgasme, om te kijken of U haar opwinding tot groter hoogten kon voeren? Heeft U nimmer de wens gekoesterd met Uw spitsvondigheid en scherpe intellect de adoratie van anderen over U af te roepen? Heeft U zich nooit gelaafd aan het idee als hoogst ervaren lesbo een groene pot seksueel in te mogen wijden? Bent U nooit voor een kledingrek in een modemagazijn weggedroomd bij de gedachte hoe deze prachtige zijden blouse U zou doen schitteren als ster van de avond? Heeft U heus nooit de vreugde gesmaakt dat U in staat was iemand alle hoeken van het bed te doen laten zien, of gedacht dat zulks prettig zou wezen? Heeft U nooit iemand seksueel uitgedaagd? Vindt U het niet aangenaam als een aantrekkelijk vrouwspersoon letterlijk naar U smacht? Dat dacht ik al… en toch zijn ook dat vormen van macht.

In de discussie over mishandeling onder lesbo’s zie ik Uw verhulde affiniteit met macht in negatieve zin overigens helaas wel de kop opsteken. In een artikel in Opzij in oktober jongstleden, Dames als dader, constateerde ik “… dat de lesbische beweging makkelijker sympathiseert met de dader dan met het slachtoffer. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de gezonde hekel aan de slachtofferrol die velen hebben opgebouwd”. Toen Anna van den Heuvel vorige maand haar scriptie Als het meer wordt dan een potje knokken presenteerde, verbaasde ik me niettemin over het gemak waarmee dames die ooit hun geliefde mishandeld hadden, zich publiekelijk met zoveel vertoon van oprecht berouw meldden en op meer dan Uw coulantie konden rekenen.

Natuurlijk zijn wij allen gebaat bij het begrijpen van de achtergronden van de handelswijze van daders en beschikken wij voorts over een groot hart, maar ik stoorde me aan het Leger des Heils-achtige karakter van dit bekentenissenfestival. Daar dienen dergelijke schuldbelijdenissen nog een doel: door de vroegere slechtheid en verdorvenheid te exposeren lijkt de huidige, pas verworven verlossing een eens zo groot wonder. En bij ons? Was het hier ook een geval van “Bless me sisters, for I have sinned”? Nee – hier was sprake van fascinatie met daders. Want niemand vroeg zich af wat een dergelijke belijdenis moet betekenen voor de slachtoffers van lesbische mishandeling, die ongetwijfeld ook in de zaal zaten. Een dader past alleen bescheidenheid, ook over haar bekering.

*

RESUMEREND: U DOET zichzelf tekort. U leeft niet theatraal, U wenst niet te schitteren, U leeft niet met het oog ferm en uitdagend op de buitenwereld gericht, U ontbeert ambities. Wanneer U deelneemt aan de Gay Dating Show kiest U geheid de verhoudingsgewijs nette, vriendelijke, aardige dame, en niet de wilde, zotte, exuberante meid. U mijdt dubbelzinnigheid. U ontzegt Uzelf het genoegen van de flirt met de flikker in travestie, terwijl dat juist zo’n fijnzinnig vermaak kan opleveren: het is het spel in zijn zuiverste vorm, met een hoeveelheid dubbele bodems waarbij het Droste-blik in het niets zinkt – zeker wanneer niet zeker is of de drag queen in kwestie inderdaad exclusief homosueel is en, zoals in mijn geval, de vermeende lesbo een hutspot. U mist gulzigheid. Legio zijn de dames die een enkele vinger in hun vagina al te veel vinden, terwijl daar naar verluidt toch een compleet kind doorheen kan (wat ikzelf in de grond een veel onsmakelijker gedachte vind). Dit meer-dan-vol-zitten bij een zo’n geringe hoeveelheid, deze sexuele anorexia, lijkt ingegeven door angst en ideologische weerzin; hoewel ik me terdege realiseer dat bij sommigen pijnlijke ervaringen op het seksuele vlak daar debet aan zijn. Maar pijn in plaats van verlangen als leidraad nemen lijkt me letterlijk en figuurlijk weinig bevredigend. Juist voor vrouwen die dramatische, beschadigende ervaringen hebben doorstaan, is het essentieel zichzelf toe te staan erotiek en lust te verkennen; dat is een overlevingsstrategie, een methode om je niet blijvend tot slachtoffer te laten reduceren.

*

MAAR IK BEN niet ingehuurd om U te kastijden – hoewel het elkaar op ironische toon de waarheid zeggen tot een over & weer plezierige relatie kan leiden. Indertijd heb ik de damessectie van de SM-beweging inhoudelijk verrot gescholden, en toch heb ik met geen enkele groepering binnen het lesbodom een zo aimabele verstandhouding; en dat is niet omdat zij allen masochisten zijn, maar omdat we elkaar hoe dan ook poogden te begrijpen. Daarom nu mijn knieval, mijn oprechte excuses aan Uw adres. Die wil ik U langs een omweg bezorgen.

De afgelopen jaren heb ik samen met fotografe Gon Buurman aan een boek over seks en handicap gewerkt. Dat boek, getiteld Aan hartstocht geen gebrek, zal in september van dit jaar bij uitgeverij Ploegsma verschijnen. Het maken van dat boek was – en daar waren we beiden op voorbereid – een bijzondere en soms slopende ervaring. Verrassend echter was het feit dat ik een aantal parallellen ontdekte tussen de wereld van mensen met een handicap en die van lesbo’s. Natuurlijk is er de voor de hand liggende overeenkomst dat beide subculturen gebaseerd zijn op een proces van uitstoting door en afwijking van de standaardnorm, dat beide als afwijkend en ongewoon worden beschouwd op basis van een geconstrueerd verschil, kortom: dat beide subculturen ontstaan zijn als gevolg van discriminatie.

Frappanter is dat beide groepen zichzelf op het seksuele vlak gedwongen zien een nieuwe start te maken: gehandicapte mensen omdat zij hun seksuele verlangens beleven aan een lichaam dat niet standaard is; lesbo’s omdat zij hun seksuele verlangens beleven aan een partner die niet standaard is. Bij beide groepen spelen maatschappelijke vooroordelen rondom fysieke aantrekkelijkheid en seksualiteit daarbij een grote rol. Gehandicapten zijn gehandicapt en daarom niet aantrekkelijk, potten niet aantrekkelijk en daarom pot, zo wenst de buitenwacht doorgaans te geloven. Voorts zijn hun seksuele praktijken voor het oog van diezelfde buitenwacht nauwelijks serieus te nemen, worden als non-existent of slappe aftreksels van ‘het’ oftewel het meer serieuze werk opgevat. Hooguit wat gezoen en gestreel, dat is al.

Riep te Middelburg een dame die zich recentelijk als lesbo ontpopt had opgelucht dat ze zo blij was met de SEK-special van zomer jongstleden over lesbische seksualiteit, aangezien die zo prettig expliciet was – ze liet hem expres bij familie rondslingeren om hun idee dat het na haar ommezwaai seksueel gezien gedaan was, te ondergraven – in de gehandicaptenwereld wordt reikhalzend naar ons boek uitgezien omdat daarin ferm weerwerk wordt geboden aan het klassieke beeld van de a-seksuele dan wel gedwongen celibataire zielepoot. Tenslotte is de prangende en zielsnijdende vraag “ben ik wel een echte?” beide groepen niet onbekend; voor lesbo’s een vraag die opkomt zodra ze over meneren aan het fantaseren slaan of langere tijd geen zin hebben in hetzij seks, hetzij hun vriendin, voor gehandicapte mensen een vraag die bestaat zolang ze niet in de ernstigste categorieën vallen.

Wat me intrigeert is dat een verschijnsel dat ik als typerend voor de positie van vrouwen – al dan niet lesbisch – had beschouwd, zich in minstens even sterke mate onder mensen met een handicap voordeed: het tot een onontwarbare kluwen verstrikken van seks en strijd. Spreek je de gemiddelde dame over seks, dan is de kans dat ze over moeilijke en pijnlijke ervaringen in die sfeer begint minstens één op twee. Bij het aan de tand voelen van de gemiddelde lesbo verslechtert die verhouding nog. Bij mijn interviews met gehandicapte mensen ter voorbereiding van het boek vertelde iedereen, niemand uitgezonderd, terwijl ik uitdrukkelijk vertelde dat ik op zoek was naar spannende en bijzondere verhalen, aanvankelijk over zijn of haar problemen op dat vlak – bijna alsof ze eerst hun hart moesten uitstorten over de opgelopen pijn voor ze aan de anekdotes en het plezier toe waren. Willen we een stapje verder komen – U, wij, zij, ik – dan is het een voorwaarde aan die kluwen te peuteren; gebeurt dat niet, dan blijft het een onmogelijkheid vrij en onbelast over verlangens na te denken.

Het zal U mogelijk verbazen, maar ik vermoed dat zulk peuteren mensen met een handicap lichter zal vallen dan U. In de homowereld woedt al jaren een discussie over de vraag in hoeverre de seksuele voorkeur als seksuele identiteit moet worden opgevat, over het verschil tussen preferenties hebben en homoseksueel zijn. Zonder dat debat over gedrag versus psyche nu op te rakelen, wil ik erop wijzen dat een vergelijkbare discussie in mijn andere wereld gevoerd is, en in het voordeel van het eerste standpunt is beslecht.

Vandaar ook de verschuiving in het taalgebruik: voor ons is het etiket ‘invaliden’ synoniem aan het ‘homofielen’ waar de homowereld zich met succes tegen verzet heeft. Noemden wijzelf ons aanvankelijk ‘gehandicapten’, later werd dat via ‘gehandicapte mensen’ uiteindelijk ‘mensen met een handicap’. Een term die suggereert dat die handicap maar één van de vele eigenschappen is waar de mensen in kwestie over beschikken en door beïnvloed worden, maar niet die ene allesbepalende en alomvattende bron van ons wezen. Wanneer de handicap of de seksuele voorkeur als eigenschap wordt opgevat in plaats van als identiteit, valt het experiment en het gepeuter een stuk lichter: met gedrag is het makkelijker spelen dan met een identiteit. In het laatste geval is al snel Uw hele hebben en houden in het geding.

Mijn knieval houdt verband met een tweede discussie uit de wereld van mensen met een handicap. Gehandicapte mensen zien zich met twee stereotypen geconfronteerd, zowel door de buitenwacht als door hun eigen vooroordelen, in een proces dat in de homoliteratuur bekend staat als ‘geïnternaliseerde onderdrukking’. Het gaat om het beeld van de zielige invalide versus dat van de dappere gehandicapte, om martelaar versus held. Om de parallel tussen beide werelden even vol te houden, om het beeld van de onderdrukte homosueel versus de flikkertrots en pottenpracht. In de kneuzencultuur nu – U ziet, ook daar kennen wij geuzennamen – komen steeds meer mensen tot de overtuiging dat het hen er in hun strijd uiteindelijk om te doen is met verschil en al normaal te kunnen en te mogen zijn. Om niet meer per se bijzonder gevonden te worden, maar eindelijk eens gewoon: een normaal mens, met goede en slechte eigenschappen, die rond een overigens belangrijk aspect van zijn of haar leven iets meer heeft uit te dokteren dan de gemiddelde medemens.

Ik geloof dat zo’n gedachtengang voor U en mij, bondgenoten in het lesbieuze, van belang is. Wij leven immers nog al te verstokt binnen die dichotomie van martelaars versus helden, en ambiëren dan uiteraard liever die laatste optie. Maar misschien bent U eigenlijk gewoon liever gewoon. Misschien moeten we het motto “opwindend, cultureel en strijdbaar” maar voor de jaarlijkse demonstraties bewaren, en in ons dagelijks leven het formaat van ons bed wat minder groots en meeslepend kiezen. Ik beken dat ik teveel verlang U allen tot heldinnenhoogte op te stoken. Op mijn erewoord: dat ik nu toevallig een licht exhibitionistische inborst heb, zal ik U voortaan niet meer verwijten.

*

ALS IK U dan tot slot nog één ontwikkeling uit de gehandicaptenwereld op het hart mag drukken: probeer hoe dan ook, normaal of niet, Uw leven in te richten op basis van Uw mogelijkheden in plaats van op Uw beperkingen, opgelegd dan wel zelf geconstrueerd of gekozen. Kies Uw bed comfortabel doch op de groei.

Immers, de enige die Uw leven kan in- en aankleden bent uzelf; wacht in hemelsnaam niet tot dat vanzelf of door anderen gebeurt. Ik zie te vaak afwachtendheid, gesymboliseerd in de dame die wil dansen maar niet durft, in de dame die contact wil leggen maar het niet doet. Het is een illusie te menen dat zulks later nog wel kan – al is het maar omdat we sterfelijker zijn dan we wensen te weten, ons lichaam niet dat onverwoestbare en onneembare bastillion is waar we het menen voor aan te mogen zien. Ik zou U zo graag mijn eigen gevoel van urgentie willen overbrengen: het is nu of nooit, en niet alleen omdat ik morgen gans verlamd of ten tweede male halfblind kan ontwaken; het is ook nu of nooit omdat het weinig verheffend is met het oog op morgen, in afwachting van in te lossen verwachtingen te leven. De enige die ooit kan inlossen bent Uzelf – waarom dan niet nu?

[Met dank aan Liesbeth Garritsen, Anneke Reijnders en het COC Amsterdam sectie Middelburg.]

Ooit gevallen op een roze kneus?

DE EEUWIGE VERWARRING: kijkt ze nu naar mij om mijzelf, of kijkt ze naar mijn kruk, mijn rolstoel, mijn gehoorapparaat, mijn blindenstok? Of omgekeerd: kijkt ze me niet aan omdat ze me niet leuk vindt, of omdat ze niet weet hoe te reageren op mijn kruk, mijn rolstoel, mijn gehoorapparaat, mijn blindenstok? En als ik haar aanspreek, keert ze zich dan af omdat ze geen zin heeft in mij of omdat ze afgeschrikt wordt door mijn handicap? Eeuwige vragen, eeuwige problemen.

De ervaring leert dat een roze kneus – een lesbo met een handicap – niet echt lekker in de markt ligt. Niet in de gehandicaptenwereld, niet in damessferen. Zeldzaam zijn de dames die niet terugschrikken voor een aardige flirt met een rolpot; en even talrijk zijn de lesbo’s die nog wel bereid zijn om een verantwoord gesprek te voeren over de aard, de oorzaak en de gevolgen van de handicap, maar de benen nemen op het moment dat er gedanst of verleid zou kunnen worden.

Missen en missers

Waarom heeft U eigenlijk nooit een affaire gehad met een gehandicapte dame?

Omdat U ze niet ziet? Dat kan heel goed – ook in de homowereld zijn de meeste gebouwen niet echt toegankelijk. Als ik bij het COC moet zijn, kom ik gegarandeerd hijgend binnen; maar dat heeft jammer genoeg meer te maken met de onmogelijke hoeveelheid trappen dan met opwinding.

Omdat U niet weet wat U zeggen moet? Wat sneu nu toch, dat Uw ganse repertoire aan openingszinnen en onderhoudende conversaties als sneeuw voor de zon verdwijnt op het moment dat de dame tegenover U fysiek niet geheel en al beantwoordt aan het landelijk gemiddelde. En wat vreemd toch, dat U die zelf op een ruime ervaring kan bogen in het omspringen met mensen en groepen die buiten de norm vallen, U die er zelfs trots op bent niet tot een door-sneegroep te behoren, in dit ene geval opeens met de bek vol tanden staat.

Omdat U niet weet waar U kijken moet? Bang dat U al te nadrukkelijk naar die spastische arm staart, naar die prothese, naar dat litteken? Wat jammer toch dat Uw fixatie op haar handicap U het zicht beneemt op de rest van haar bekoorlijkheden.

Omdat U bang bent een voor haar pijnlijke opmerking te maken? Wees gerust, de meeste roze kneuzen zijn erger gewend, en zijn behoorlijk bedreven geworden in rake antwoorden en zelfspot. U loopt hooguit het risico op Uw nummer gezet te worden, maar kennelijk was dat nodig. Bovendien loopt U dat risico altijd wanneer U toenadering zoekt.

Omdat U roze kneuzen eigenlijk stiekem ergens toch ook wel een beetje zielig vindt? Ach, zielig ben je pas wanneer je hulp nodig hebt en bang bent die te vragen. En bovendien heeft niet elke vrouw bij wie je aan de buitenkant kunt zien dat ze een handicap heeft per definitie meer hulp nodig dan Uzelve. U moet kennelijk ook wel eens over een drempel geholpen worden, al is dat dan geen fysieke.

Omdat U een handicap niet zo aantrekkelijk vindt? Nu betrap ik U toch op een vooroordeel. Het is werkelijk niet de bedoeling dat U op de handicap zelf valt; meestal verschuilt U achter die handicap een aantrekkelijke dame. En als U er even bij stilstaat, realiseert U zich vast dat ook de schoonsten der mensheid ziek kunnen worden of een ongeluk kunnen krijgen. Wij invaliden tellen zelfs een ex Miss Holland in de gelederen, en zelf ben ik van plan een gokje te wagen voor de Miss Wheelchair verkiezingen, als eindelijk iemand zo vriendelijk is die te organiseren.

Omdat U bang bent dat het zo lastig verkeren is met een gehandicapte vriendin? Meestal redden wij onszelf heel behoorlijk, dank U, en van veel handicaps merkt U in het dagelijks gebruik niet zo veel meer. Omdat er goede protheses zijn, wij zo onze eigen categorie hulpmiddelen hebben, en het voor ons van levensbelang is geweest om ons met de hebbelijkheden van ons lichaam vertrouwd te maken.

Omdat U bang bent dat het in bed op niets uitloopt met ons? Doof zijn doet aan het vrijen niet veel af, blinden hebben geoefender vingers dan wie van U ook. Met één hand kunnen wij meer dan U met twee, en bovendien hebben we nooit last van een arm die in de weg ligt. Ooit gezien hoe een kat haar poot even opzij legt om beter bij haar edele delen te kunnen? Sommigen van ons kunnen hetzelfde. Degenen onder ons met een dwarslaesie, die gewoonlijk geen gevoel in hun vagina meer hebben, zijn zo inventief geworden in het ontdekken van de andere mogelijkheden van het lichaam dat het volledige arsenaal van de sekswinkel erbij verbleekt. Van experimenteren weten wij alles.

Weet U – het is meestal Uw spastische gedrag dat ons met de neus op onze handicap duwt. Zelf vinden we die handicap eigenlijk heel normaal, en staan we er niet veel meer bij stil. Die handicap hoort inmiddels bij ons, en heeft ons gemaakt tot wat we nu zijn: doorzetters. Nu U nog.

Rollend de baan op

Natuurlijk is het ons niet komen aanwaaien, net wat U zegt. Er zijn natuurlijk trieste verhalen. Bij voorbeeld dat verhaal wat zich een paar jaar geleden in een verpleegtehuis afspeelde, waar het personeel inmiddels gewend was geraakt aan het idee dat gehandicapte mensen niet automatisch van seksuele gevoelens verstoken zijn. Derhalve werd daar nog wel eens wat geregeld als twee mensen de nacht samen wilden doorbrengen: de betrokkenen bij elkaar in bed leggen, helpen met uitkleden en dergelijke. Tot twee dames het personeel om dezelfde dienst vroegen – toen was het acuut afgelopen, helemaal, ook wat betreft het heteroseksuele verkeer. U kunt zich voorstellen dat die dames er beroerd aan toe waren: niet alleen was hun een heerlijk avondje door de neus geboord, maar ze kregen van hun medebewoners de schuld van de strengere regels.

Maar inmiddels heb ik vooral zoveel mooie verhalen gehoord over mensen met een handicap en seks, dat ik U – mits U beterschap belooft – een kleine bloemlezing daaruit niet wil ontzeggen.

Zo was er die dame die van geen wijken wist: “Ik heb op school nooit iets gehoord over homoseksualiteit, thuis evenmin. Boeken lezen werd onmogelijk gemaakt. Ik kreeg huisarrest toen ik eens naar een vrouwencafé ging. M’n vader vond dat ‘allemaal lesbische wijven, dat komt door het feminisme’; nou, daar heb i­k geen bezwaar tegen! Ik heb altijd van vrouwen gehouden. De eerste keer dat ik lesbische vrouwen zag in het vrouwenhuis dat ik: dat wil ik ook! Hoe het heet, kan mij niet schelen.”

En dat van dan die flikker, die zo zwaar spastisch is dat hij in een electrische rolstoel zit, U weet wel, zo’n rijdend gevaarte. Elke week trekt hij z’n leren outfit aan, doet een riem om met een immens grote koperen gesp, zorgt dat hij gemakkelijk zit en gaat zo de baan op. En reken maar dat hij jongens oppikt.

Of die pot die rolpot werd nadat ze aan een auto-ongeluk een dwarslaesie overgehouden had. Eenmaal thuis na een eindeloze serie ziekenhuizen en revalidatieklinieken was zo’n beetje het eerste wat ze deed een hoer aan huis bestellen, om eens op haar gemak uit te proberen wat ze wel en niet meer kon voelen, en wat ze nú lekker vond.

Verder zou ik de dames onder U die het toch weer eens met een meneer willen proberen, aanraden het onverwijld met een man met een dwarslaesie aan te leggen. Ik heb er een aantal geïnterviewd, en ze beweren stuk voor stuk dat ze na hun ongeluk betere minnaars zijn geworden. Veel geduldiger, en van de weeromstuit ook eindelijk verlost van die rare fixatie op penetratie-en-dat-was-’em-dan.

Mijn eigen mooiste verhaal? Dat komt uit Assen, waar ik de Wereldspelen voor Gehandicapten bijwoonde. Ik heb daar een paar dagen in The Village gebivakkeerd, waar alle deelnemers te vinden waren als ze niet trainden of speelden. Bijna iedereen was gehandicapt, tot aan de pers en de trainers toe, en het was ronduit weldadig om te merken dat niemand op mijn handicap lette. Dat iedereen gewóón tegen me deed.

Bronnen:

  • Het citaat komt uit het boekje “Homo’s met een handicap bestaan niet”, door Agnes van Wijnen, Annemieke van Brandenburg en Rob Tielman, verschenen in 1990 in de Publicatiereeks Homostudies Utrecht deel 16.
  • In september 1991 verschijnt bij uitgeverij Ploegsma Aan hartstocht geen gebrek, een boek over seksualiteit en handicaps, met foto’s van Gon Buurman en tekst van Karin Spaink.

Aan hartstocht geen gebrek

Mensen met een lichamelijke handicap laten op een ontwapenende manier zien hoe zij met hun lichaam omgaan en er plezier aan beleven. Alleen of samen, ieder op eigen wijze in eigen omgeving. Zij poseren zonder spoor van heimelijkheid of schaamte. De tekst onderstreept dat. Hoe gehandicapten hun lichaam ervaren, er soms mee vechten maar er ook mee verleiden en ervan genieten, wordt openhartig beschreven. Dit boek wijkt daardoor af van de gangbare wijze waarop naar hen wordt gekeken: als onderwerp van zorg of medelijden, stiekem of met schroom. Het maakt duidelijk dat een handicap hebben niet betekent dat het lichaam afgeschreven is, tot ballast verworden: het mag dan soms anders functioneren, het functioneert wel degelijk – ook seksueel.

Omslag Aan hartstocht geen gebrekDetails:

Aan hartstocht geen gebrek: handicap en lichaamsbeleving – Foto’s: Gon Buurman – Tekst: Karin Spaink – Uitgeverij Ploegsma/De Brink – Amsterdam 1991 – ISBN 90216-7001-1 – 112 pagina’s

Bestellen:

Probeer het tweedehands

Flaptekst:

Mensen met een lichamelijke handicap laten op een ontwapenende manier zien hoe zij met hun lichaam omgaan en er plezier aan beleven. Alleen of samen, ieder op eigen wijze in eigen omgeving. Zij poseren zonder spoor van heimelijkheid of schaamte. De tekst onderstreept dat. Hoe gehandicapten hun lichaam ervaren, er soms mee vechten maar er ook mee verleiden en ervan genieten, wordt openhartig beschreven. Dit boek wijkt daardoor af van de gangbare wijze waarop naar hen wordt gekeken: als onderwerp van zorg of medelijden, stiekem of met schroom. Het maakt duidelijk dat een handicap hebben niet betekent dat het lichaam afgeschreven is, tot ballast verworden: het mag dan soms anders functioneren, het functioneert wel degelijk – ook seksueel.

Gon Buurman fotografeert al ruim tien jaar. Naast verschillende opdrachten op het gebied van de maatschappelijke hulpverlening maakte ze een serie vrouwenportretten onder de naam Poseuses. Voor het boek Een onbesproken kinderwereld nam ze een groot aantal foto’s van kinderen die de armoede treffend tonen. Zij geeft vaak mensen weer die door de samenleving aan de zijlijn worden gezet en accentueert vooral hun kracht en schoonheid.

Karin Spaink schrijft al zolang ze zich kan herinneren. Vaak zijn erotiek en seksualitieit en de daarmee verband houdende thema’s het onderwerp. Ze publiceerde in verscheidene tijdschriften en schreef bovendien Pornografie, bekijk ‘t maar en De Venus van Milo in de betonmolen. Haar tekst geeft haarscherp en in heldere bewoordingen weer wat de essentie is van handicap, lichaamsbeleving en erotiek.

De Gehandicaptenraad heeft opdracht gegeven tot dit opzienbarende boek waarin de mens centraal staat en niet de handicap.

Het totalitaire universum van Louise L. Hay

U VERKOOPT GOED, mevrouw Hay. Uw boek Je kunt je leven helen verscheen in december 1987, en sindsdien zijn er vijftig duizend exemplaren van verkocht. U staat al anderhalf jaar vrijwel ononderbroken in de non-fictie top tien van Vrij Nederland en de Haagse Post. Een hele prestatie.

Toch bent u een slecht stylist: uw boek staat vol met herhalingen, kromme redeneringen en Reader’s Digest-achtige anecdotes. U adstrueert uw stellingen met een enkel voorbeeld, en vat die vervolgens op als bewijs. Helaas heeft u het ook met uw vertalers niet getroffen. Maar uw verkoopcijfers dwingen eerbied af. Te zien aan de fondslijst bent u, met al uw posters, kaarten, bandjes en boeken, in uw eentje in staat uw Nederlandse uitgever te laten draaien.

Uw boek gaat over de eenheid tussen lichaam en geest: de les die we kunnen leren uit de boodschappen die ons lichaam ons geeft, en hoe ons leven te verbeteren. Uw boek vertelt hoe onze ‘verkeerde gedachtenpatronen’ zoals u dat noemt, ons lichaam beïnvloeden. Uw eigen grondgedachte is dat iedereen van tijd tot tijd negatieve gedachten over zichzelf heeft, last heeft van zelfhaat en schuldgevoel, en u stelt dat die gedachten ons leven bepalen. Niet onze instelling, maar onze complete wereld. Die gedachten zijn bijvoorbeeld de oorzaak van ziektes.

U zegt dat wij, dat onze geest, ziektes schept. U zegt: “Ik geloof dat we zelf iedere zogenaamde ‘ziekte’ in ons lichaam kreëeren. Ons lichaam is, net zoals alles in het leven, een reflektie van onze innerlijke gedachten en overtuigingen.” (pag 117) U zegt dat wij honderd procent verantwoordelijk zijn voor al onze ervaringen. U zegt dat negatieve gedachten – wrok, haat, onzekerheid, rancune – ziektes veroorzaken, en dat als we die vermijden, we “in staat zijn om de blokkades op te ruimen die ons weerhouden van een blakende gezondheid” (flaptekst). Door onszelf positieve gedachten in te prenten – ‘affirmaties’, die meerdere keren per dag herhaald dienen te worden – kunnen we genezen; helen noemt u dat. Want, zegt u, voor elke ziekte is een psychologische oorzaak, of in uw woorden: een mentaal equivalent aan te wijzen. Die hangt samen met ons mentale grondpatroon, en “dit is slechts een gedachte en elke gedachte kan veranderd worden. Het loslaten van wrok zal zelfs kanker doen verdwijnen.” (pag. 12)

U heeft een lijst van ziektes opgesteld, mevrouw Hay, met hun waarschijnlijke oorzaken en remedies. Om ons veranderingsproces te bespoedigen. U wordt daar zelfs bescheiden: “Niet ieder mentaal equivalent is 100 procent waar voor iedereen. Wel kunnen we het als uitgangspunt nemen voor onze speurtocht naar de oorzaak van de ziekte. Veel mensen die met alternatieve geneeswijzen werken raadplegen met hun kliënten vaak deze lijst en hebben vastgesteld dat de mentale oorzaken in 90 tot 95 van de 100 gevallen kloppen.” (pag. 117-118) Een greep uit uw lijst, mevrouw Hay: suikerziekte ontspruit uit “verlangen naar wat had kunnen zijn. Een sterk verlangen alles te regelen. Niets heerlijks (zoets) meer.” Een hersenbloeding ontstaat wanneer mensen “liever doodgaan dan veranderen”. Kanker wordt veroorzaakt door “oude rankune. Diep geheim of droefheid dat aan het ik vreet. Haatdragend.”

U ziet veel kwalen en ziektes, waaronder een aantal ernstige, als een zuivere metafoor. U gaat u te buiten aan een letterlijke, fysieke vertaling van een psychologische terminologie. Multiple sclerose – waarbij sprake is van littekenvorming in het zenuwweefsel – ziet u als het gevolg van “geestelijke hardheid, onbuigzaamheid.” Polio of kinderverlamming wordt veroorzaakt door “verlammende jaloezie. Een verlangen iemand tegen te houden.” Ongelukken zijn te wijten aan “verzet tegen autoriteit. Geloof in geweld”, darmproblemen aan “onverteerde ideeën”. Uw remedies: “Ik heb vrede waar ik ben”, “Dit moment is vol vreugde. Ik besluit nu de heerlijkheid van vandaag te ervaren”, “Het leven is verandering en ik pas me makkelijk aan bij het nieuwe.”

U ONTKENT HET lichaam, mevrouw Hay. Met al uw ideeën over de samenhang tussen lichaam en geest is het kennelijk nog nooit bij u opgekomen dat het lichaam een zelfstandige entiteit is: met eigen wetmatigheden, die zich niet zomaar door de geest laten dwingen. De grote paradox in uw denkwijze, mevrouw Hay, is dat u met al uw causaliteiten het lichaam als volstrekt ondergeschikt ziet aan de luimen van een almachtige geest. Het lichaam kent geen eigen kracht of zwaktes. Het lichaam is volgens u niets dan de taal van de geest, en diens arena. U reduceert ziekte en invaliditeit tot beeldspraak en symboliek. U neemt het lichaam niet serieus.

U heeft zelf ooit kanker gehad, mevrouw Hay, en bent daarvan genezen zonder medisch ingrijpen. Oprecht gefeliciteerd, mevrouw Hay, maar is het ooit bij u opgekomen dat die genezing een prestatie van uw lichaam was, en niet van uw al te lucide geest?

Uw opvattingen over aids zijn vreemd, mevrouw Hay. U zegt dat geslachtsziekten voortkomen uit “het gevoel, vaak onderbewust, dat het niet goed is om onszelf seksueel te uiten. (..) Herpes is een ziekte die steeds weer terug komt om ‘ons te straffen’ voor onze overtuiging ‘dat we slecht zijn’. Herpes heeft de neiging om aktief te worden als we emotioneel uit ons evenwicht zijn. Dus dat zegt meteen al een heleboel. Laten we nu dezelfde theorie overbrengen naar homoseksuele kringen, waar ze dezelfde problemen hebben als alle andere mensen plus de maatschappij die ze met de vinger nawijst en ‘slecht!’ roept. Gewoonlijk zeggen hun eigen vader en moeder ook: ‘Je bent slecht.’ Dit is een zware last. Dus kreëerden homoseksuele mannen een ziekte die AIDS wordt genoemd en die veel angstaanjagender is dan herpes.” Dan, na een fragment waarin u stelt dat in homokringen overmatig veel aandacht is voor jong en mooi zijn: “De manier waarop homo’s elkaar behandelen, is voor veel homo’s de reden om oud worden te vrezen. Doodgaan is bijna te preferen boven oud worden. En AIDS is een ziekte die vaak fataal is.” (pag. 126-127) U zegt dat homo’s zelf hebben gekozen voor aids, mevrouw Hay?

U BENT KRAS in de psychologische kwalificaties die u uitdeelt, mevrouw Hay. Op basis van hun lichamelijke gesteldheid velt u oordelen over mensen. De tijden dat zulke theorieën gemeengoed waren in Europa, schrijft men hier op zwarte bladzijden, mevrouw Hay. Hun grondpatroon deugt niet, zegt u. En dat van gezonde mensen wel, omgekeerd geredeneerd? Denkt u, denken uw vijftig duizend lezers, vanwege uw modieus holisme gevrijwaard te zijn van een dergelijk fundamenteel onfatsoen?

U bent solipsist, mevrouw Hay. U zegt dat wat we geloven over onszelf en over de wereld, waar wordt. “De gedachten die we denken en de woorden die we uitspreken kreëeren onze ervaringen (..) Geen mens, geen plaats, geen ding heeft enige macht over ons, want ‘wij’ zijn de enige denkers in onze gedachtenwereld. Wij kreëeren onze ervaringen, onze werkelijkheid en iedereen die erbij hoort.” (pag. 14)

U kunt het toeval niet accepteren, mevrouw Hay. Uw universum hangt van wetmatigheden aan elkaar, en vormt in die zin een gesloten, totalitair systeem. Alles wat ons overkomt heeft een reden, en die reden moeten we ten alle tijde bij onszelf zoeken. Bovendien wilt u dat we onszelf eindeloos observeren en controleren, want elke negatieve gedachte kan funest zijn. Vertelt u niet van de vrouw die na het loslaten van een oude angst plotsklaps weer goed kon zien, en door haar herhaalde gedachte van ongeloof haar zicht weer verloor? Feind hört mit, mevrouw Hay.

U BENT GEVAARLIJK, mevrouw Hay. U praat mensen die te kampen hebben met ellendige ziektes schuld aan: u stelt ze verantwoordelijk voor hun ziekte. En als de werkelijkheid weerbarstiger blijkt dan uw theorie en genezing ook na affirmaties uitblijft, is dat alweer een blijk van hun persoonlijk falen. Dankuwel, mevrouw Hay, maar ik geloof heus dat er gezonder manieren zijn om ziek te wezen.