Medische statistiek

STATISTIEK IS EEN NOTOIR lastig vak. En nergens is statistiek, zowel voor de gevonden verbanden als wat betreft de praktische aanbevelingen die erop zijn geschraagd, zo ingewikkeld als op medisch gebied. Je kunt je ongans inventariseren aan risicofactoren – mensen jarenlang in de gaten houden en hun leefstijl, voedingsgewoontes, sociale en economische omstandigheden noteren, en dat vergelijken met de kwalen die ze krijgen; of mensen die zusofmezo hebben als cohort nemen en hen afzetten tegenover andere groepen die deze specifieke kwaal of afwijking niet hebben gekregen – en al wat je daaruit kunt destilleren is een nieuwe lijst met risicofactoren.

Onverbiddelijke, eenduidige, praktisch toepasbare kennis leveren zulke onderzoeken nimmer op, terwijl er tegelijkertijd impliciet gouden bergen in verscholen gaan. Als u nu di­t wel, en dat niet, dan

Statistiek handelt uitsluitend over groepen, niet over individuen, en betreft uitsluitend kansen en risico’s. Statistiek boekstaaft geen wetten van Meden en Perzen. Bovendien kun je via statistische bewerkingen weliswaar algemene verbanden vinden, maar zelden valt eruit af te leiden wat oorzaak is en wat gevolg. Statistiek is per definitie grof en algemeen. Niettemin zijn veel instanties en mensen hoofdzakelijk geïnteresseerd in zulk onderzoek in de hoop er persoonlijke leefregels uit te kunnen afleiden en verbinden ze vergaande conclusies aan. En statistiek wordt te dien einde altoos geperverteerd.

Begin deze maand meldden de kranten bijvoorbeeld dat er een verband bestond tussen MDMA-gebruik (extacy) en hersenbeschadiging. Bij mensen die extacy gebruikten, zo schreven vijf Amerikaanse wetenschappers in The Lancet, was via hersenscans aangetoond dat ze minder serotonine-receptoren in hun brein hadden; ook was er sprake van geheugenproblemen. De algemene teneur was dat extacy dus gevaarlijk is voor je hoofd.

Toen ik het bewuste artikel uit The Lancet op Internet opzocht, bleek echter dat het onderzoek zich uitsluitend richtte op mensen die per weekend gemiddeld zes pillen slikten. Zes pillen per weekend is buitengewoon veel. Het is alsof je beweert de algemene bevolking te informeren over de risico’s van alcoholgebruik en dat toelicht aan de hand van mensen die een fles wodka per dag drinken. Wie twee glazen wijn daags drinkt, bevindt zich in een onvergelijkbare situatie. Toch werden ze plots door de pers over een kam geschoren: de media keken slechts naar de resultaten van de statistiek, niet naar de onderzoeksgroep.

Wat de zaak verder compliceerde, was dat de onderzoekers zonder meer geloofden dat ze wisten wat de kip was en wat het ei. Ze namen aan dat het relatief lage aantal serotonine-receptoren bij de proefpersonen het gevolg was van hun extacy-gebruik. Waar ze geen rekening mee hielden, was het omgekeerde – terwijl dat minstens even aannemelijk is. Een tekort aan serotonine is een belangrijke indicator voor depressies. (De werking van prozac, een anti-depressivum, is daarop gebaseerd; het spul vergroot de opname van serotonine.) De mogelijkheid is zeer wel aanwezig dat de proefpersonen om te beginnen een serotoninetekort hadden en juist daarom het effect van extacy als prettig ervoeren en dat doelbewust opzochten.

Extacy doet immers ook iets met serotonine en versterkt het gevoel van welbehagen. Misschien is extacy voor sommige mensen niets meer of minder dan een alternatief voor prozac. Ze betalen het nog uit eigen zak ook, zonder doktersbezoek of apothekersrecept; zonder beslag te leggen op de algemene middelen of de gezondheidszorg te belasten. De onderzoekers hadden wellicht net zo goed kunnen concluderen dat extacy-gebruik een eminent voorbeeld is van zelfmedicatie.

Zelfs indien men kip en ei keurig weet te onderscheiden en onder voorbehoud kan aangeven dat zus&zo mogelijk – niet zonder meer; statistiek gaat tenslotte over kansen, niet over zekerheden – tot dit&dat leidt, dan nog betekent het identificeren van risicofactoren niet dat je een handvat hebt om in te grijpen. Statistiek levert zelden een instrument op om de dingen tegen te gaan, ook al is dat de impliciete suggestie en de drijfveer achter zulk onderzoek.

Voor hart- en vaatziekten zijn inmiddels officieel meer dan 255 risicofactoren geïsoleerd. Wie denkt al die factoren in de hand te kunnen houden is niet alleen de hele dag bezig een kans te vermijden maar bovenal ronduit gek: jongleren met vier ballen is al een kunst op zich, met tweehonderdvijvenvijftig ballen is het een onmogelijkheid.

Ondertussen hebben we allemaal geleerd dat een hoog cholesterolgehalte een belangrijke risicofactor is, en de meeste mensen hebben hun dieet daar op aangepast: ze eten minder onverzadigd vet, minder eieren, geen roomboter. Een hoog cholesterolgehalte blijkt echter slecht te beïnvloeden door wat je eet. Het is eerder een fysieke gesteldheid, met andere woorden: bij de meeste mensen is het endogeen – aangeboren – en er is geen dieet tegen gewassen. Zodat ze cholesterolverlagers gaan slikken (statines) teneinde dat verdoemde cholesterolgehalte omlaag te krijgen – dat moet, dat hoort, cholesterol is gevaarlijk, dat weet iedereen, en je doet toch alles om de kans op een hartinfart te verlagen, nietwaar?

Alleen is inmiddels gebleken dat het kunstmatig omlaag brengen van iemands cholesterol ten eerste weinig helpt, en ten tweede bepaald niet zonder neveneffecten is. Statines slikken heeft vrijwel geen invloed op het aantal dodelijke hartinfarcten; het brengt slechts het aantal niet-fatale infarcten omlaag. Opmerkelijker is dat er een vreemde oversterfte is bij de statine-slikkende mensen met niet-fatale infarcten: die gaan ineens makkelijker dan anderen dood aan andere dingen. Ze sterven plots vaker als gevolg van kanker of andere akelige ziektes, en plegen vaker zelfmoord.

Waarom? Statines lijken de staat van celwanden te benadelen, en hebben tevens een negatieve werking op de serotonine-opname, wat depressiviteit sterk in de hand kan werken. Je wordt kortom fysiek kwetsbaarder en mentaal ongelukkiger door statines te slikken. En statines slikken, dat deed je om je kans op een hartinfarct te verkleinen – omdat je wilde overleven.

Dit weekend meldden de kranten een verband tussen pijnlijke geboorten en de kans op zelfmoord: wie met veel ellende geboren wordt, heeft een grotere kans om zichzelf later om zeep te brengen. De auteurs bevelen het geven van pijnstillers aan de bijna-moeders of de zojuist geborenen aan. Andere onderzoeken melden dat de kans dat iemand op latere leeftijd aan hard drugs verslaafd raakt, sterk vergroot wordt wanneer ze als pasgeborene pijnstillers kregen.

Statistiek levert wrede vragen op. Heb je liever dat je kind voor de trein springt of prefereer je dat je kind aan de heroïne gaat? Wil je liever doodgaan aan kanker dan aan een hartinfarct? Heb je een keus? Wil je je leven door cijfers laten leiden?


Schrijf een reactie

E-mail adressen worden niet getoond noch aan derden doorgegeven.
Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *