Houvast

Voor de vijfde keer in een maand tijd lag ik bij haar op de stoel. Inmiddels had de verhouding tussen ons zich wat gestabiliseerd: de eerste keer had ik mezelf met man en macht moeten bedwingen om haar handen niet bij mijn gezicht weg te slaan, abrupt overeind te komen en te stamelen: ‘Eh, nee sorry, toch maar niet.’ En dan heeeel hard wegrennen.

Want ik haat tandartsen, of beter: hun vak. Ze boezemen me doodsangst in, met al dat scherpe gereedschap waarmee ze in je hoofd porren terwijl jij machteloos en met opengesperde mond ruggelings onder ze ligt.

Maar het moest: er was plotseling een voortand gaan wiebelen. Met hangende pootjes was ik naar de tandarts gegaan. Hij had me kort onderzocht en constateerde dat ik na dik veertig jaar roken een stevig geval van parodontitis had ontwikkeld. Wijkend tandvlees, tandsteen onder het vlees, ontstekingen diep in de pockets, afkalvend kaakbot: de hele mikmak. Roken tast je tandvlees aan. De ellende is dat er in tabak tevens een spulletje zit dat je mond verdooft, zodat je niet doorhebt hoe belazerd het eigenlijk met je gebit is gesteld. Nu ik rookvrij ben (al ruim een jaar, lang leve het dampen!) kwamen de problemen eindelijk aan het licht.

Als ik niks deed, en de tandarts niet in mijn mond toeliet, zou die ene voortand er op afzienbare termijn uit vallen. Hij raakte zijn houvast kwijt. En daarna zouden er meer volgen. De enige remedie: een grondige schoonmaak.

Zodoende lag ik elke week met samengeknepen handen mijn vluchtdrift te beteugelen en verwoed níet aan Marathon Man te denken, terwijl de mondhygiëniste mijn gebit met geweld van tandsteen ontdeed. Dat ze had opgebiecht dat zij zichzelf uitsluitend door een goede vriendin liet behandelen, en zelfs dan voor de zekerheid altijd met één been buiten de stoel lag, nam me voor haar in. Gut, zij was óók bang voor haar eigen vakgenoten? Dat schiep een band. En ja, ze was heel voorzichtig met me.

Maar uiteindelijk maakte haar sympathie geen donder uit. Nog steeds stak ze met injectiespuiten diep in mijn kaak, bij voorkeur op de meest gevoelige plekjes. Nog steeds schraapte, schuurde en sjorde ze met scherpe instrumenten elke week een uur lang in mijn mond. Nog steeds voelde het alsof ze met een Dremel tussen mijn tanden en kiezen in de weer was. Nog steeds bikte ze tandsteen weg en legde al doende soms de zenuwen daaronder bloot, omdat die inmiddels geen andere bescherming over hadden. En nog steeds lag ik daar tijdens het zoutstralen met een raar plastikken ding in mijn mond dat mijn lippen met geweld opensperde en mijn gebit blootlegde, opdat ik zo toegankelijk mogelijk was: ik lag erbij als een opblaaspornopop met een angstaanjagende vagina dentata als mond.

Na elke behandeling was ik zo uitgeput dat ik weinig anders kon dan slapen, liefst met een pijnstiller erbij.

Gisteren was onze laatste sessie. ‘Je tandvlees kleurt al mooi roze,’ zei ze monter bij het afscheid.


Aantal reacties: 24