Speelbal

‘Hoe gaat het nu met je?’ vragen vrienden de laatste weken geregeld. Ze weten immers dat mijn beste vriendin net is overleden, dat ik met haar was getrouwd en zodoende haar weduwe ben geworden. Da’s allemaal niet heel goed voor een mens.

De vraag hoe het met me gaat is daarom terecht, prangend, en vooral: immens lief. Alleen: ik had er geen antwoord op. Ik wíst niet hoe ik me voelde – vooral niet omdat ik teveel dingen tegelijk voelde.

Er was opluchting, omdat Christianes aftakeling eindelijk was opgehouden. Er was voldaanheid, omdat haar einde precies zo verliep als ze had gehoopt – met de mensen die haar liefhadden om haar heen, en op het moment dat zíj koos. Er was uitputting, omdat ik inmiddels zelf op mijn laatste benen liep. Er was opluchting – alweer, maar dan van een andere orde – omdat ik nu eindelijk mijn eigen leven en werk weer kon opnemen. Er waren zorgen, omdat er nog zoveel moest worden geregeld: de erfenis, het uitruimen van haar huis. Er was verlatenheid, en afgesneden zijn: zij die nu al meer dan dertig jaar mijn hartsvriendin was, was er niet meer; voorgoed niet meer.

En dat alles dan dwars door elkaar heen, zo in de war dat je er geen chocola meer van kunt maken. Ik sliep nachten aaneen niet, ik schoot van hectisch naar lethargisch, trok alles dat goed was gegaan af van alles dat ik beter had kunnen doen, en bleef met lege handen achter. ‘Hoe gaat het nu met jou,’ vroeg iemand dan goedbedoelend, en ik zocht naarstig naar een antwoord, half beschaamd dat ik niet wist te zeggen hoe het nu eigenlijk met me was gesteld.

Een goede vriend sleurde me mee naar zijn huis in Zuid-Frankrijk. We hebben vier dagen doorgebracht met het gezamenlijk staren naar de zee, turen naar de sterren, kijken naar de wolken die zich boven de baai samenbalden, of zich daar juist verspreidden. We hebben langs het strand gelopen, soms bij zon, soms met regen.

Met blote voeten en opgerolde broekspijpen liep ik langs de waterlijn. Een golf zwol onverwacht op en bracht me finaal uit mijn evenwicht, ik viel bijna om maar bleef ternauwernood staande. De vriend in kwestie stond klaar om in te grijpen. Toen dacht ik: ‘Zo is het. Dit is precies hoe ik me voel: de speelbal van krachten die te groot zijn om me ertegen te kunnen verzetten, maar er zijn godlof goede vrienden in de buurt die me willen oprapen wanneer ik val.’

Die avond staarden we naar de sterren en stelden we ons vragen over waarom we hier op aarde zijn, en waartoe. En ineens wist ik heel zeker: we zijn niet op de wereld met een doel. We zijn niks dan een kosmisch ongeluk. Maar nu we er tóch zijn, is het beste dat we kunnen doen, precies dit ene: elkaars leed verzachten.


Aantal reacties: 20