Rokende rat

Andere Karin paste een paar weken op het huis van een vriendin die met vakantie was: daar woonden twee katten en twee ratjes die verzorging nodig hadden. Ik kwam een nachtje logeren.

Elke avond mogen de ratjes een uur los. Ze lopen over de bank, graven in de potplanten op de vensterbank, duiken achterin de kast en klimmen langs armen of benen. Ze bewegen zich in horten en stoten. Rennen, ho stop! Verkennen. Rennen, ho stop! Verkennen. En dan weer verder rennen.

Dat verkennen doen ze vooral via hun neus. Ze snuffelen eens per seconde, en bij elke snuf gaan hun neusvleugels snel naar voren en naar achter. Zodoende wapperen ze permanent met hun snorharen. Dat zorgt voor enorm gekriebel. Op arm of been is dat goed te doen, maar wanneer ze in onze hals of nek lopen, krommen Andere Karin en ik allebei onze tenen – wat niks helpt, maar we kunnen niet anders.

Een van de ratjes klimt omhoog in Andere Karin. ‘Nou moet je opletten,’ zegt ze. Haar mond staat licht open. Het diertje klautert naar haar gezicht, trekt met een pootje haar lip naar beneden en besnuffelt haar tanden. ‘Er zit niks tussen liefje, ik heb ze net gepoetst,’ zegt ze, en doet haar best om niet te giechelen van het gekriebel. Even later is het mijn beurt: het ratje trekt met beide voorpootjes mijn lip omlaag en zoekt naar etensresten tussen mijn tanden. De pootjes voelen piepklein en o zo teder.

Terwijl een van de ratjes achter, onder, voor en over me heenloopt draai ik een sigaret. Ik steek op, inhaleer en laat mijn hand achteloos zakken. Het ratje snelt er naartoe en grijpt het mondstuk van mijn sigaret met twee pootjes vast. Ze bijt er gretig in. In een mum van tijd heeft ze stukjes shag en papier afgebeten die ze rap opeet. Lachend trek ik mijn sigaret weg, het ratje klauwt er nog even naar. Haar zusje vindt later wat kruimels en eet die al even fluks op.

Wanneer de ratjes weer in hun kooi zitten, ga ik geregeld even bij ze kijken. Ze buitelen over elkaar, ze lopen bedrijvig heen en weer, ze werken zich door verbazingwekkend smalle kieren heen. Ze zijn aandoenlijk: naar die wapperende snorharen kan ik wel uren kijken. Zodra ik een vinger door de kooi steek, pakken ze die vast en willen eraan ruiken en likken. Maar nog leuker vinden ze die ene keer dat ik een sigaret half door de kooi steek. Die willen ze hebben, hébben, hebben!

***

Mijn katten houden niet van nicotine. Ik houd daar rekening mee, maar ja, ’t is wel mijn huis. Ik let goed op dat ik de rook nooit hun kant op blaas.

Bij mijn ouders is dat anders. Hun kat is dol op nicotine. Wanneer Rama bij me zit blaas ik de rook expres zijn kant op. Dan heft hij zijn kop, strekt zijn nek, knijpt zijn ogen tot spleetjes en snuift vergenoegd mijn rook op: oh heerlijk, Spaink is er weer!

Rama mag graag zijn neus in mijn pakje shag steken. Als-ie de kans schoon ziet, vreet-ie er zelfs van. Inmiddels heb ik mezelf aangewend hem soms een paar draadjes shag te voeren. Die eet hij met smaak op. Doe ik dat niet, dan likt hij desnoods de rand van de asbak – waar eerder mijn sigaret lag te smeulen – af om aan zijn portie nicotine te komen. Dat gaat zelfs mij te ver.

Ook onder dieren heb je verstokte rokers.

[Video: Rama doet zich tegoed aan een paar draadjes Samson; YouTube, 38 seconden, 16.4 MB.]


Aantal reacties: 7