Verkenningen

OP EEN RECENT verjaardagsfeestje dwaalde het gesprek naar het onderwerp ‘ontmoetingen’; in casu: hoe men de meneer of mevrouw waarmee men thans was, precies had leren kennen, en hoe de fase van toevallige kennismaking naar iets innigs was verlopen. Voor alle aanwezigen gold dat men elders had kennis gemaakt – hetzij bij gemeenschappelijke vrienden, hetzij in een min of meer zakelijk bedoelde context – en dat uit die ontmoeting het plan voor een volgend samenzijn was ontstaan, waarna de een de ander had gebeld en er een afspraak was gemaakt ‘om eens iets samen te gaan doen’.

Maar wat doe je dan, op zo’n eerste afspraakje? Dat is de prangende vraag. Men kent elkander amper, er is een vreemde fascinatie, een zinderende verliefdheid of een meer dan middelmatige interesse. Die zou zich tot iets substantieels kunnen ontwikkelen, vermoedt men, maar men weet het niet precies. Is die belangstelling ergens op gestoeld? Allicht, vanwaar anders die wens een afspraak te maken. Maar waarop dan wel? Op een zinneprikkelend fysiek? (Maar dan had je hem of haar misschien ter plekke naar het bed moeten noden. Geef het lichaam wat des lichaams is, doch verbindt daar geen verwachtingen aan, hooguit een ontbijt na afloop. Het was toch ook niet alleen om het vooruitzicht van seks? Nahh. Hoewel: je had na die eerste ontmoeting toch woelend in bed gelegen.) Op een sprankelende conversatie? (Maar die kon ingegeven zijn door de drank die op het feestje of bij het cafébezoek na afloop van de vergadering vloeide.) Op de behoefte aan een heuse verliefdheid? (Maar waarom denk je die in hemelsnaam daar te vinden, bij juist die persoon – hoewel, X was toch wel érg leuk. Toch?) Op intuïtie? (Ja ja, intuïtie. Klinkt heel overtuigend, maar zo’n verklaring is natuurlijk niets dan een legitimatie van – van wat? Ja verdorie, als je dat nu wist, wist je ook waarom je die afspraak wel wilde.)

En zo bibbert en beeft en dubt men naar de afspraak toe. De afspraak waarop uitgemaakt diende te worden of het inderdaad iets was, deze meneer of mevrouw, en wat dan wel en waarom, en daarna zag men wel weer verder.

En waa¡r af te spreken? Op neutraal terrein, uiteraard. Stel je voor dat het weerzien tegen zou vallen en het inderdaad alleen de drank, de momentane eenzaamheid of dito geilheid was geweest die de interesse had veroorzaakt. Dus niet thuis. Dat kan altijd nog. (Na afloop. Niet vergeten van te voren op te ruimen.) In een café? Maar dan zit men daar tegenover elkaar en moet men een conversatie voeren, en of dat mogelijk is weet je nu juist niet… noch of je dat wilt. Voor je het weet zit je met pijnlijke stiltes en verwoede pogingen een moeizame conversatie op gang te houden. Was het toch gewoon om de seks. Bovendien, in je stamcafé kennen ze je en geheid dat je later vragen krijgt over je onbekende gezelschap. De film? Geen denken aan. Met z’n tweeën in het donker, de uitnodiging om handjes en benen te gaan verkennen is al te impliciet en of dat de bedoeling is weet je nog niet, en straks mist X de laatste tram of trein en voor je het weet zit je met een ongewenste logé.

Dus het werd overdag. En het werd het museum, of de dierentuin. Dan heb je tenminste nog iets te doen bij die ontmoeting, is er een onderwerp buiten menzelf waarop men zich kan verlaten. Samen, maar toch veilig. Met anderen erbij, maar toch met de kans iets gemeenschappelijks te creëren want je kijkt naar hetzelfde. Met elkaar kunnen praten, maar niet per definitie over elkaar en toch stiekem kunnen peilen. Zonder doorzichtige smoezen te hoeven verzinnen gewoon kunnen zeggen dat je, als de schilderijen of de dieren op zijn maar eigenlijk omdat de herontmoeting tegenviel, nodig naar huis moet. Dat café of die film, en zeker dat huis, kunnen altijd nog. Men VVV’t kortom flink wat af, zo in de verkennende fase.

Twee van de verjaardagvierende en inmiddels tot een stel geworden aanwezigen meldden – tot grote hilariteit van de anderen – in de eerste twee weken van hun aarzelende verkenningen niet minder dan vijf musea te hebben bezocht voor ze elkaar durfden toe te geven dat ze elkaar inderdaad erg leuk vonden. In een zaaltje van het Kröller Möller konden ze zich ineens niet meer beheersen en waren ze uiteindelijk tot beider verlichting in elkaars armen gezonken, met veronachtzaming van alle kunst die al die tijd hun toevlucht en bliksemafleider was geweest. Twee anderen wisten al na het eerste aquarium in Artis dat ze zich terstond naar de privacy van een hunner huizen dienden te begeven; maar pas toen na afloop van het bezichtigen der dierenstapel in het café de mogelijkheid van een afhaal-Chinees ter sprake kwam, was er een geldig en niet te doorzichtig argument gevonden en reisden ze spoorslags af. Daarna duurde het toch nog uren voor de eerste zoen viel.

Het Openbaar Kunstbezit is kortom een relatiemakelaar.

Het grappige is dat mensen precies dezelfde gedragingen vertonen wanneer een verhouding opnieuw gestabiliseerd dient te worden. De klad komt in het huiselijk verkeer en men verveelt zich in elkanders aanwezigheid, maar boos roepen dat je nu je voorgoed bullen pakt en er de brui aan geeft wil je ook niet, en wat stel je voor? ‘Kom, laten we eens naar het museum gaan.’ Men heeft een brouille met een vriend of vriendin, wil opnieuw de oude vertrouwelijkheid hervinden maar niet alweer praten over de aanleiding tot de ruzie, da’s al zo vaak gedaan en het gaat er nu juist om een nieuwe gemeenschappelijkheid te constitueren, een recente herinnering over de oude te leggen en het verleden niet langer te herkauwen – en wat doen jullie? Op naar het Van Gogh, of Blijdorp.

De VVV heeft al heel wat verhoudingen tot stand gebracht en huwelijken gered. Laten wij de museumjaarkaart en het Hortus-abonnement prijzen. Ook al worden ze, als het goed is, slechts kort gebruikt.


Schrijf een reactie

E-mail adressen worden niet getoond noch aan derden doorgegeven.
Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *