Ooit gevallen op een roze kneus?

DE EEUWIGE VERWARRING: kijkt ze nu naar mij om mijzelf, of kijkt ze naar mijn kruk, mijn rolstoel, mijn gehoorapparaat, mijn blindenstok? Of omgekeerd: kijkt ze me niet aan omdat ze me niet leuk vindt, of omdat ze niet weet hoe te reageren op mijn kruk, mijn rolstoel, mijn gehoorapparaat, mijn blindenstok? En als ik haar aanspreek, keert ze zich dan af omdat ze geen zin heeft in mij of omdat ze afgeschrikt wordt door mijn handicap? Eeuwige vragen, eeuwige problemen.

De ervaring leert dat een roze kneus – een lesbo met een handicap – niet echt lekker in de markt ligt. Niet in de gehandicaptenwereld, niet in damessferen. Zeldzaam zijn de dames die niet terugschrikken voor een aardige flirt met een rolpot; en even talrijk zijn de lesbo’s die nog wel bereid zijn om een verantwoord gesprek te voeren over de aard, de oorzaak en de gevolgen van de handicap, maar de benen nemen op het moment dat er gedanst of verleid zou kunnen worden.

Missen en missers

Waarom heeft U eigenlijk nooit een affaire gehad met een gehandicapte dame?

Omdat U ze niet ziet? Dat kan heel goed – ook in de homowereld zijn de meeste gebouwen niet echt toegankelijk. Als ik bij het COC moet zijn, kom ik gegarandeerd hijgend binnen; maar dat heeft jammer genoeg meer te maken met de onmogelijke hoeveelheid trappen dan met opwinding.

Omdat U niet weet wat U zeggen moet? Wat sneu nu toch, dat Uw ganse repertoire aan openingszinnen en onderhoudende conversaties als sneeuw voor de zon verdwijnt op het moment dat de dame tegenover U fysiek niet geheel en al beantwoordt aan het landelijk gemiddelde. En wat vreemd toch, dat U die zelf op een ruime ervaring kan bogen in het omspringen met mensen en groepen die buiten de norm vallen, U die er zelfs trots op bent niet tot een door-sneegroep te behoren, in dit ene geval opeens met de bek vol tanden staat.

Omdat U niet weet waar U kijken moet? Bang dat U al te nadrukkelijk naar die spastische arm staart, naar die prothese, naar dat litteken? Wat jammer toch dat Uw fixatie op haar handicap U het zicht beneemt op de rest van haar bekoorlijkheden.

Omdat U bang bent een voor haar pijnlijke opmerking te maken? Wees gerust, de meeste roze kneuzen zijn erger gewend, en zijn behoorlijk bedreven geworden in rake antwoorden en zelfspot. U loopt hooguit het risico op Uw nummer gezet te worden, maar kennelijk was dat nodig. Bovendien loopt U dat risico altijd wanneer U toenadering zoekt.

Omdat U roze kneuzen eigenlijk stiekem ergens toch ook wel een beetje zielig vindt? Ach, zielig ben je pas wanneer je hulp nodig hebt en bang bent die te vragen. En bovendien heeft niet elke vrouw bij wie je aan de buitenkant kunt zien dat ze een handicap heeft per definitie meer hulp nodig dan Uzelve. U moet kennelijk ook wel eens over een drempel geholpen worden, al is dat dan geen fysieke.

Omdat U een handicap niet zo aantrekkelijk vindt? Nu betrap ik U toch op een vooroordeel. Het is werkelijk niet de bedoeling dat U op de handicap zelf valt; meestal verschuilt U achter die handicap een aantrekkelijke dame. En als U er even bij stilstaat, realiseert U zich vast dat ook de schoonsten der mensheid ziek kunnen worden of een ongeluk kunnen krijgen. Wij invaliden tellen zelfs een ex Miss Holland in de gelederen, en zelf ben ik van plan een gokje te wagen voor de Miss Wheelchair verkiezingen, als eindelijk iemand zo vriendelijk is die te organiseren.

Omdat U bang bent dat het zo lastig verkeren is met een gehandicapte vriendin? Meestal redden wij onszelf heel behoorlijk, dank U, en van veel handicaps merkt U in het dagelijks gebruik niet zo veel meer. Omdat er goede protheses zijn, wij zo onze eigen categorie hulpmiddelen hebben, en het voor ons van levensbelang is geweest om ons met de hebbelijkheden van ons lichaam vertrouwd te maken.

Omdat U bang bent dat het in bed op niets uitloopt met ons? Doof zijn doet aan het vrijen niet veel af, blinden hebben geoefender vingers dan wie van U ook. Met één hand kunnen wij meer dan U met twee, en bovendien hebben we nooit last van een arm die in de weg ligt. Ooit gezien hoe een kat haar poot even opzij legt om beter bij haar edele delen te kunnen? Sommigen van ons kunnen hetzelfde. Degenen onder ons met een dwarslaesie, die gewoonlijk geen gevoel in hun vagina meer hebben, zijn zo inventief geworden in het ontdekken van de andere mogelijkheden van het lichaam dat het volledige arsenaal van de sekswinkel erbij verbleekt. Van experimenteren weten wij alles.

Weet U – het is meestal Uw spastische gedrag dat ons met de neus op onze handicap duwt. Zelf vinden we die handicap eigenlijk heel normaal, en staan we er niet veel meer bij stil. Die handicap hoort inmiddels bij ons, en heeft ons gemaakt tot wat we nu zijn: doorzetters. Nu U nog.

Rollend de baan op

Natuurlijk is het ons niet komen aanwaaien, net wat U zegt. Er zijn natuurlijk trieste verhalen. Bij voorbeeld dat verhaal wat zich een paar jaar geleden in een verpleegtehuis afspeelde, waar het personeel inmiddels gewend was geraakt aan het idee dat gehandicapte mensen niet automatisch van seksuele gevoelens verstoken zijn. Derhalve werd daar nog wel eens wat geregeld als twee mensen de nacht samen wilden doorbrengen: de betrokkenen bij elkaar in bed leggen, helpen met uitkleden en dergelijke. Tot twee dames het personeel om dezelfde dienst vroegen – toen was het acuut afgelopen, helemaal, ook wat betreft het heteroseksuele verkeer. U kunt zich voorstellen dat die dames er beroerd aan toe waren: niet alleen was hun een heerlijk avondje door de neus geboord, maar ze kregen van hun medebewoners de schuld van de strengere regels.

Maar inmiddels heb ik vooral zoveel mooie verhalen gehoord over mensen met een handicap en seks, dat ik U – mits U beterschap belooft – een kleine bloemlezing daaruit niet wil ontzeggen.

Zo was er die dame die van geen wijken wist: “Ik heb op school nooit iets gehoord over homoseksualiteit, thuis evenmin. Boeken lezen werd onmogelijk gemaakt. Ik kreeg huisarrest toen ik eens naar een vrouwencafé ging. M’n vader vond dat ‘allemaal lesbische wijven, dat komt door het feminisme’; nou, daar heb i­k geen bezwaar tegen! Ik heb altijd van vrouwen gehouden. De eerste keer dat ik lesbische vrouwen zag in het vrouwenhuis dat ik: dat wil ik ook! Hoe het heet, kan mij niet schelen.”

En dat van dan die flikker, die zo zwaar spastisch is dat hij in een electrische rolstoel zit, U weet wel, zo’n rijdend gevaarte. Elke week trekt hij z’n leren outfit aan, doet een riem om met een immens grote koperen gesp, zorgt dat hij gemakkelijk zit en gaat zo de baan op. En reken maar dat hij jongens oppikt.

Of die pot die rolpot werd nadat ze aan een auto-ongeluk een dwarslaesie overgehouden had. Eenmaal thuis na een eindeloze serie ziekenhuizen en revalidatieklinieken was zo’n beetje het eerste wat ze deed een hoer aan huis bestellen, om eens op haar gemak uit te proberen wat ze wel en niet meer kon voelen, en wat ze nú lekker vond.

Verder zou ik de dames onder U die het toch weer eens met een meneer willen proberen, aanraden het onverwijld met een man met een dwarslaesie aan te leggen. Ik heb er een aantal geïnterviewd, en ze beweren stuk voor stuk dat ze na hun ongeluk betere minnaars zijn geworden. Veel geduldiger, en van de weeromstuit ook eindelijk verlost van die rare fixatie op penetratie-en-dat-was-’em-dan.

Mijn eigen mooiste verhaal? Dat komt uit Assen, waar ik de Wereldspelen voor Gehandicapten bijwoonde. Ik heb daar een paar dagen in The Village gebivakkeerd, waar alle deelnemers te vinden waren als ze niet trainden of speelden. Bijna iedereen was gehandicapt, tot aan de pers en de trainers toe, en het was ronduit weldadig om te merken dat niemand op mijn handicap lette. Dat iedereen gewóón tegen me deed.

Bronnen:

  • Het citaat komt uit het boekje “Homo’s met een handicap bestaan niet”, door Agnes van Wijnen, Annemieke van Brandenburg en Rob Tielman, verschenen in 1990 in de Publicatiereeks Homostudies Utrecht deel 16.
  • In september 1991 verschijnt bij uitgeverij Ploegsma Aan hartstocht geen gebrek, een boek over seksualiteit en handicaps, met foto’s van Gon Buurman en tekst van Karin Spaink.

Test uzelve

Hoe vrijgevochten of behoudend zijn Uw seksuele normen?
SEK 1990 (vrouwenspecial)

GEEF OP DE ONDERSTAANDE vragen een zo eerlijk mogelijk antwoord. Streep per vraag slechts één mogelijkheid aan. Na afloop kunt in de tabel opzoeken hoeveel punten elk antwoord scoort. Aan de hand van de behaalde punten bieden wij U geheel belangeloos het definitieve antwoord op de prangende vraag: ‘Ben ik op het lesbisch-seksuele vlak wel modern genoeg?’

  1. Er wordt een lesbische sauna in Uw woonplaats geopend. U verkent het terrein. Wat doet U daar?
    1. U neemt een sauna
    2. U lokt een aantrekkelijke jongedame mee naar de dark room
    3. U gluurt
    4. U maakt her en der een praatje.
  2. In een disco probeert een knappe man U te versieren. Wat doet U?
    1. U zegt: "Ik ben lesbisch!"
    2. U denkt bij Uzelf: "Laat ik het eens proberen…"
    3. U zegt: "Ja leuk, maar laten we wél veilig vrijen."
    4. U begint uitgebreid Uw vriendin te zoenen.
  3. In de COC-disco probeert een knappe flikker U te versieren. Wat doet U?
    1. U voegt hem toe: "Schoenmaker, blijf bij je leest."
    2. U neemt het hem kwalijk dat hij U voor een man aanziet
    3. U bent toevallig op zoek naar een KI donor en neemt hem mee
    4. U bent blij een flikker te vinden bij wie U Uw heteroseksuele gevoelens kwijt kunt.
  4. Op de dansvloer wordt plotseling openlijk een SM-spel uitgevoerd. Wat doet U?
    1. U gaat klagen bij de barvrouw
    2. U probeert tussenbeide te komen omdat U het niet kunt aanzien
    3. U grijpt Uw zweep en springt ertussen
    4. U begint te schelden zonder Uzelf te durven bekennen dat U ondertussen Uw broek uit zwemt.
  5. U wilt een SM-spel doen met een vriendin, maar zij weigert.
    1. U gaat er daarom van uit dat zij de passieve rol ambiëert
    2. U bezit Uw ziel in lijdzaamheid en berust
    3. U doet haar het oeuvre van Pat Califia cadeau in een poging haar ooit zover te krijgen
    4. U accepteert deze kwelling zoals dat een volleerde M betaamt.
  6. U woont samen met Uw vriendin. Zij masturbeert elke avond. Wat doet U?
    1. U gaat de krant zitten lezen
    2. U gaat met de poes zitten vrijen
    3. U meldt haar aan bij een zelfhulpgroep
    4. U randt haar aan.
  7. U woont samen met Uw vriendin. U masturbeert elke avond. Wat wilt U dat Uw vriendin zou doen?
    1. U Uw seksspeeltjes aangeven
    2. Een ommetje gaan maken
    3. U aanranden
    4. Meedoen.
  8. Een vriendin vertelt U dat ze al jaren celibatair leeft. Wat doet U?
    1. U kijkt haar meewarig aan
    2. U knipt alle passende contactadvertenties uit de zaterdagkrant voor haar uit
    3. U bedenkt dat U dat zelf diep in Uw hart ook wel een tijdje zou willen
    4. U leent haar geld voor een chartervlucht naar de Himalaya.
  9. Wat is volgens U de meest beproefde methode om een dame in Uw bed te krijgen?
    1. Alcohol
    2. Een zweep
    3. Wierook
    4. Hasj.
  10. Wat is volgens U de meest beproefde methode om een dame aan de kant te zetten?
    1. U haalt eindelijk Uw zweep uit de kast
    2. U toont haar Uw dildo-verzameling
    3. U opent een fles goede wijn en zegt: "Wij moeten toch eens praten."
    4. U vertelt haar dat U een contactadvertentie voor haar heeft geplaatst.
  11. U heeft een dame voor een nacht opgepikt en gaat samen naar haar huis. Bij het uitkleden gespt zij haar been af. Wat doet U?
    1. U verbleekt
    2. U helpt haar een handje
    3. U legt Uw kunstgebit naast haar been
    4. U zegt dat U vergeten bent de koplampen van Uw auto te doven, en U verdwijnt spoorslags.
  12. U komt onverwacht Uw ex tegen op een feest. Zij wordt vergezeld door haar nieuwe vlam. Wat doet U?
    1. U slaat haar een bloedneus
    2. U valt voor haar voeten neer en begint haar schoenen te kussen
    3. U gaat flirten met haar nieuwe vriendin
    4. U vertelt haar nieuwe vriendin welk een fantástische relatie U beiden nog steeds onderhoudt.
  13. U bent met Uw nieuwe geliefde op een feest. Onverwacht komt U Uw ex tegen. Wat doet U?
    1. U zegt tegen Uw nieuwe vlam: "Liefste, dit is nu die afschuwelijke dame over wie ik je wel eens heb verteld."
    2. U zegt tegen Uw nieuwe vlam: "Dat is ‘er. Vind je het geen schatje?"
    3. U verlaat met een smoes het feest. Stonden Uw autolampen niet nog aan?
    4. U stort per ongeluk een glas rode wijn uit over het witte broekpak van Uw ex.
  14. Uw vriendinnen zien Uw nieuwe geliefde niet zitten. Wat doet U?
    1. U raadt Uw vriendin aan zich voortaan anders te kleden
    2. U neemt een andere vriendinnenkring
    3. U belegt een vergadering met Uw vriendinnen om dit probleem tot op de bodem uit te spitten
    4. U verbetert Uw vriendin in het vervolg publiekelijk.
  15. De ouders van Uw vriendin vinden U te ‘apart’. Wat doet U?
    1. U leent voor het volgende familiebezoekje een volledige SM-uitrusting
    2. U geeft haar moeder de volgende keer in plaats van bloemen een catalogus van Mail & Female cadeau
    3. U trekt bij de volgende gelegenheid de kleren van Uw moeder aan
    4. U vertelt haar ouders uitgebreid over Uw liefste hobby: Hindeloper borduurwerk.
  16. Uw vriendin vertelt U dat ze biseksueel is. Wat is Uw reactie?
    1. U belt onmiddellijk haar vriendje op om een afspraak te maken
    2. U legt haar uit dat haar gevoelens voortspruiten uit een onvolledig voltooid Oidipous-complex
    3. U informeert of ze wel altijd veilig gevreeën heeft
    4. U koopt een dildo.
  17. U hebt een monogame relatie, maar U wilt wel eens vreemd. Wat doet U?
    1. U vraagt Uw vriendin om toestemming
    2. U vraagt Uw vriendin hoe zij dat nu eigenlijk altijd doet
    3. U koopt een pruik en doet ‘t stiekem
    4. U gaat overwerken.
  18. Op een feest ontdekt U in de slaapkamer een groep vrijende dames. Wat doet U?
    1. U zegt: "Schuif eens op…"
    2. U gaat dit ogenblikkelijk melden bij de gastvrouw
    3. U plukt Uw nerts onder een vrijend stel vandaan en vertrekt onaangedaan
    4. U zet de deur op een kier en haalt de anderen.
  19. U zit midden in een versierpartij. Plotseling ziet U op Uw horloge dat thuis ondertussen het eten klaar staat. Wat doet U?
    1. U belt op om te zeggen dat U iets later komt
    2. U belt op om te vragen of er nog een bord bijgezet kan worden
    3. U gaat met de vlam naar de bruidssuite van het Amstel Hotel en bestelt daar een copieuze maaltijd
    4. U keert met een schok terug in de realiteit en zorgt dat U op tijd thuis bent.
  20. Wat is volgens U de spannendste plaats om te vrijen?
    1. De WC van de intercity
    2. Een stapelbed in een vormingscentrum
    3. Het biljart van Saarein
    4. Een glasbak in de Kalverstraat.

Score:

  A B C D
vraag 1: 2 4 3 1
vraag 2: 1 4 3 2
vraag 3: 1 2 4 3
vraag 4: 2 1 4 3
vraag 5: 3 1 2 4
vraag 6: 1 2 3 4
vraag 7: 3 1 4 2
vraag 8: 2 1 3 4
vraag 9: 3 4 1 2
vraag 10: 4 2 1 3
vraag 11: 3 2 1 4
vraag 12: 4 1 2 3
vraag 13: 4 2 1 3
vraag 14: 2 4 1 3
vraag 15: 4 2 3 1
vraag 16: 1 2 3 4
vraag 17: 1 4 3 2
vraag 18: 4 1 2 3
vraag 19: 3 2 4 1
vraag 20: 3 1 2 4

Tien of meer keren 1 aangestreept:

Zonder enige twijfel bent U de liefste, en vriendelijkste lesbo die deze test heeft ingevuld. U vriendinnen mogen alles van U – geen onvertogen woord zal van Uw lippen rollen. U zult nooit iemand bruskeren, laat staan attaqueren; tolerantie staat hoog in Uw vaandel geschreven. Maar eerlijk gezegd vrezen wij dat een en ander minder te maken heeft met de nobelheid van Uw karakter: U bent simpelweg bang aangelegd, en U wilt wat al te graag aardig gevonden worden. U huivert voor alles wat U niet kent. Bovendien vermoeden wij dat het U volstrekt ontbreekt aan initiatief. Een beetje meer expirimenteerlust zou geen kwaad kunnen!

Tien of meer keren 2 aangestreept:

U bent het type dat het Handboek Der Lesbische Padvindster er op na slaat om op te zoeken wat U van vreemd gaan moet vinden. U wijst nieuwlichterij af – tot Rich, Dworkin of Lulan er hun goedkeuring aan hechten. Uw hang naar autoriteit en Uw verering van het gedrukte woord grenst aan het dogmatische. Nooit gemerkt dat zelfs de theoretici tegenwoordig de mond vol hebben van lust, plezier en verwarring? Speciaal voor U hebben wij een ernstig en welgemeend advies: misschien zou U in plaats van boeken over seksualiteit voor de verandering eens een dame mee naar bed moeten nemen.

Tien of meer keren 3 aangestreept:

Het moet ons van het hart: U bent hypocriet. Hoeren en snoeren zonder de consequenties te willen dragen, en als iemand iets doet wat U niet zint gaat U bij de eerste de beste vermeende autoriteit staan klagen in plaats van zelf in te grijpen. U wilt op seksueel gebied wel wat uitproberen, maar zodra het werkelijk spannend wordt poetst U de plaat. Wij raden U sterk aan Uw experimenten voorlopig te beperken tot het lezen van vieze boekjes; daar hebben anderen tenminste geen last van. En laat Uw bestellingen bij Mail & Female in het vervolg toch naar Uw huisadres sturen in plaats van naar de postbus!

Tien of meer keren 4 aangestreept:

Ah – de mevrouw die vindt dat alles moet kunnen. Niets is U te dol. U spreekt over tolerantie en taboes doorbreken, U eist Uw rechten op het seksuele vlak met verve op, U gedraagt U als een ware geus van de panseksualiteit. U verwacht bovendien daarom geprezen te zullen worden. Helaas – volgens ons is egoïsme Uw enige ware drijfveer, en bovendien vermoeden wij dat U als gevolg van Uw hang naar een voortrekkerspositie feitelijk niets anders doet dan met alle winden meewaaien, uit angst om voor ouderwets versleten te worden. Iets meer oog voor de medelesbo zou U werkelijk sieren.

Aan hartstocht geen gebrek

Mensen met een lichamelijke handicap laten op een ontwapenende manier zien hoe zij met hun lichaam omgaan en er plezier aan beleven. Alleen of samen, ieder op eigen wijze in eigen omgeving. Zij poseren zonder spoor van heimelijkheid of schaamte. De tekst onderstreept dat. Hoe gehandicapten hun lichaam ervaren, er soms mee vechten maar er ook mee verleiden en ervan genieten, wordt openhartig beschreven. Dit boek wijkt daardoor af van de gangbare wijze waarop naar hen wordt gekeken: als onderwerp van zorg of medelijden, stiekem of met schroom. Het maakt duidelijk dat een handicap hebben niet betekent dat het lichaam afgeschreven is, tot ballast verworden: het mag dan soms anders functioneren, het functioneert wel degelijk – ook seksueel.

Omslag Aan hartstocht geen gebrekDetails:

Aan hartstocht geen gebrek: handicap en lichaamsbeleving – Foto’s: Gon Buurman – Tekst: Karin Spaink – Uitgeverij Ploegsma/De Brink – Amsterdam 1991 – ISBN 90216-7001-1 – 112 pagina’s

Bestellen:

Probeer het tweedehands

Flaptekst:

Mensen met een lichamelijke handicap laten op een ontwapenende manier zien hoe zij met hun lichaam omgaan en er plezier aan beleven. Alleen of samen, ieder op eigen wijze in eigen omgeving. Zij poseren zonder spoor van heimelijkheid of schaamte. De tekst onderstreept dat. Hoe gehandicapten hun lichaam ervaren, er soms mee vechten maar er ook mee verleiden en ervan genieten, wordt openhartig beschreven. Dit boek wijkt daardoor af van de gangbare wijze waarop naar hen wordt gekeken: als onderwerp van zorg of medelijden, stiekem of met schroom. Het maakt duidelijk dat een handicap hebben niet betekent dat het lichaam afgeschreven is, tot ballast verworden: het mag dan soms anders functioneren, het functioneert wel degelijk – ook seksueel.

Gon Buurman fotografeert al ruim tien jaar. Naast verschillende opdrachten op het gebied van de maatschappelijke hulpverlening maakte ze een serie vrouwenportretten onder de naam Poseuses. Voor het boek Een onbesproken kinderwereld nam ze een groot aantal foto’s van kinderen die de armoede treffend tonen. Zij geeft vaak mensen weer die door de samenleving aan de zijlijn worden gezet en accentueert vooral hun kracht en schoonheid.

Karin Spaink schrijft al zolang ze zich kan herinneren. Vaak zijn erotiek en seksualitieit en de daarmee verband houdende thema’s het onderwerp. Ze publiceerde in verscheidene tijdschriften en schreef bovendien Pornografie, bekijk ‘t maar en De Venus van Milo in de betonmolen. Haar tekst geeft haarscherp en in heldere bewoordingen weer wat de essentie is van handicap, lichaamsbeleving en erotiek.

De Gehandicaptenraad heeft opdracht gegeven tot dit opzienbarende boek waarin de mens centraal staat en niet de handicap.

Criminal ladies

Battering, incest and other household refuse

[Originally appeared in Opzij, a feminist monthly, in October 1990.]

VOLUMES OF RESEARCH and study notwithstanding, no final explanation of the origins of (sexual) violence against women has yet been put forward. Nowadays most people – and not only feminists – accept that these forms of violence have a structural cause, and that the differences in power between men and women are of overriding importance. But what is the value of these theories when it is women themselves who commit such violence?

The final blow for the lesbian utopia

IT IS GRADUALLY becoming clear that there is a form of sexual violence, and of battering, that is completely at odds with feminist theories on the subject: sexual violence within lesbian and gay relationships. On the basis of the sparse information now available, it appears that among women especially battering is so frequent that it is no longer possible to look upon it as an exception. Sexual violence committed by lesbian women – for instance, rape or sexual harrassment – is much less reported; either it really is less frequent, or perhaps it is as of yet even less debatable than battering.

Among homosexual men such a-typical violence has been reported too. In its annual review of 1984, the Dutch organization Op Je Flikker Gehad?! (Been Bashed?!), an emergency centre which registers violence against gay men, reported two cases of men who had been battered by their partner, and an unspecified number of rapes committed by homosexuals. The organization refers to this phenomenon as ‘internal violence’. An American survey from 1983 among people who dealt professionally with homosexuals (social workers, lawyers, barkeepers, political activists etcetera) gave a much higher number for the incidence of battering: 86 percent of the interviewees had met homosexuals who had at least once experienced violence in their relationship. 1

In the Netherlands, violence among lesbians was first reported, as far as I have been able to trace, in 1984. In that year, a local women’s magazine published in Nijmegen, Vrouwentongen, ran two anonymous interviews with women who had been sexually assaulted and battered by a female friend or acquaintance. Since then, more stories have started to circulate about lesbians committing (sexual) violence. In 1987, SEK, the magazine of the Dutch organization for homosexual men and women (COC), published a number of short interviews with both victims and perpetrators of battering; their experiences ranged from a single fight to an attempted strangulation. Spare Rib printed a letter to the editors in which a woman told how she was sexually assaulted by another woman who had offered her a ride home from the pub. And any woman who has a ready ear or who does some straightforward inquiring about violence between women, will learn more than she’ll probably want to.

The amount of ‘internal violence’ is as of yet merely a matter for speculation, but there are some indications of its dimensions. In a preliminary study on conflict management by lesbians, 7 out of 23 respondents answered that they had at some time used physical violence in their relationship. 2 At the moment, a survey is being conducted which tries to establish more systematically what amount of violence is going on between lesbians. The Dutch government has commissioned a study into the scope of violence against lesbian and bisexual women and girls by third parties. 3 Diana van Oort, who is carrying out this study, has inserted a separate paragraph in her questionaire in which she asks about experiences with violence among lesbians. She is not yet able to give numbers – the final results will not be available until next year – but according to Van Oort the number of interviewees who have had experiences with violence within lesbian relations, is ‘surprisingly high’.

The Schorerstichting, a centre for assistance and relation therapy for lesbians and homosexuals, has had several clients over the past few years for whom violence in their relation was either the direct or indirect reason to apply for help. Two years ago the Schorerstichting tried to organize a therapygroup on the subject, but their efforts failed: not enough people registered. But apparently, the tide is turning. When the Dutch COC devoted a public debate to the subject, over sixty women attended the evening.

In some other countries, battering in lesbian relationships is by now a matter of discussion, although still to a very small extent. Several years ago, a workshop was organized in Berlin which was attended by both inflictors and victims of lesbian battering. In the USA, a group of lesbians who have been battered by their female lovers has been trying to start a more serious discussion since the beginning of the eighties. Their collective efforts led to the publication of the first book about battering within lesbian relationships: Naming the Violence.

A list of the kinds of violence these perpetrators subject their lovers to can be gathered from the afore mentioned sources. It is not a pretty one: confinement, strangulation, weekly battering, threats with a gun, smashing the partner’s furniture to smithereens, killing her cat or other pets, force her to prostitute herself, attempts at killing her, beating her with high heels or broken bottles, poisoning her, breaking her fingers… the works.

The taboo and the blind spot

WITHOUT A DOUBT, the lesbian community harbours a taboo when it comes to battering. Some may be scared that the outside world will use stories about lesbian battering as a proof to refute homosexuality and lesbianism. “I can’t even begin to think about the possibility of my family seeing this. All the years I’ve spent trying to convince them of the validity and positiveness of my lifestyle… Well, that’s really the crux of it for the whole lesbian community, isn’t it? Who wants to admit that anything can be wrong with lesbian relationships?” (Naming the Violence, page 123).

But inside the lesbian community there is hardly any room for discussion. The utopian idea that lesbian relationships are by definition less invested with power games and are more equal than heterosexual relationships may have lost ground by now, but it still has a strong hold. Those who further the breaking down of that ideal had better not expect the same solacing shoulder or practical help a heterosexual battered women is sure to be offered by the feminist movement. Lesbian skeletons obviously must remain in their closets, and the cohesion of the group must be protected at all costs. As one of the American pioneers put it: “By probing into this subject, we risked the possibility that the issue of lesbian abuse might split our community; we risked the same dynamic that heterosexual have been up against: expose the abuse and be criticized for ‘breaking up the family’.” (Naming the Violence, page 91). Others fear that a public discussion about violence committed by lesbians might boomerang into the debate on (sexual) violence committed by men. “For a very long time I have believed that violence among women should remain a secret, because men might use this knowledge against us. But since I keep hearing new stories about violence among women, I decided to tell about my experience.” (Vrouwentongen 1984/4).

The notions about violence which are generally upheld by both feminists and lesbians, are yet another obstacle. Most women think of sexual violence and battering within relationships as occurences which are confined to heterosexuality; when a similar phenomenon crops up within their own circles, there is no fitting frame of reference. Not even when it happens to themselves. Or, as one women tersely phrased it: “I did not fit my image of a battered women.” The usual depiction of battering as affecting heterosexual women and caused by men bars all understanding and creates a blind spot. “We were so clear about violence as a mechanism for control and domination of heterosexual women. We did not make the connection necessary to recognize the violence in lesbian relationships.” (Naming the Violence, page 10).

But worse is that many lesbians knowingly refuse to see what is going on in their immediate surroundings, even when they suspect or realize what is happening. There are countless women who have trivialized this kind of violence, who have refused help, who have excused the offender and blamed the victim. They insist that a friend’s black eye was caused ‘by falling down the stairs’, or smooth things over by assuming that ‘she must really have provoked her’. Exactly the same old excuses that used to be offered when a man had beaten up his wife or partner; they sanction the perpetrator.

The victims: “I have very often wanted to confront her in order to tell her what I think of what she’s done. But I was always stopped by women who would say: you’ve got more sense than that, you shouldn’t take her too seriously, and besides, she’s going through a really bad period. (..) I hated the way people would cover up for her or even defend her, just because she’s a women. Whereas I was a mess for a long time.” (Vrouwentongen 1984/4). “The response of the local lesbian community to the arrest of my former lover was demoralizing. Lesbians were upset – even angry – that I had called the police. ‘I can see turning in a batterer and calling the cops,’ said one women, ‘but a lover? What does that say about your ability to be intimate with anyone?’ Several women put a lot of pressure on me to drop the charges. They said things like: ‘Oh, come on. Haven’t you ever hit a lover? It wasn’t all that bad.” (Naming the Violence, page 159). “As I was standing by a window in my home, an axe smashed through the window, landing before me. I called some of my/her friends, to tell them what she just did. They said they could not help. They would not confront or stop her. One implied I had asked for it.” (Naming the Violence, page 127).

It is alarming that even a simple warning about someone with a bad record is apparently asking too much. Many offenders have a history of violence, but usually nobody thinks it worthwhile to inform the lover-to-be thereof. “Actually, after we separated, some of the women said they could have told me I was in for some rough times with her, but they had chosen ‘not to get involved’.” (Naming the Violence, page 149). No lesbian or feminist would accept such tolerance when a men was concerned. Now, who was it that mentioned double standards?

Differences with heterosexual women

THE STORIES THAT these battered lesbians tell are very similar to those told by heterosexual women who have been battered by their husband or boyfriend. In almost all cases, the first show of violence is proceeded by periods in which the future offender curtails her lover’s freedom, has fits of rage or jealousy, and adopts a disparaging attitude towards her. Floods of severe scolding appear to be ominous. Usually the future victim tries to adapt to these new demands, and makes an effort to understand what is going on; usually she excuses her partner’s behaviour by blaming it on stress, a dismal past, uncertainty or fear. Usually she pushes her limits and tries to staunch the emotional pain her partner is apparently suffering under – but most often, to no avail. Hope, reconciliation and tenderness alternate with fear and tension.

For lesbians, as opposed to most heterosexual women, economic dependency is hardly ever a reason against leaving. But then, many lesbian women are actuated to stay for a reason just as important to them: they can not afford this relationship to end. Sometimes because they want to prove, literally at all costs, that lesbian relationships are no one-night-stand or a nine days’ wonder, at other times because their life is isolated from other lesbians; leaving their partner would mean that they would lose all options to live as a lesbian.

The motives for violence would appear to be similar as well. Jealousy and insecurity are frequently mentioned, just as alcohol abuse and differences in social status (money, class, ethnicity). But the theme that crops up in every story is the pursuit of dominance.

A significant difference is that those victims whose stories have been documented, fight back more often than heterosexual women. In some cases, this reaction causes the violence to escalate, but it frequently makes the perpetrator come to her senses, albeit often temporarily. The drawback is that fighting back occasions spells of vexing soul-searching on the part of the victim, and provides easy excuses for the outside world: wasn’t it after all a case of mutual battering’, shouldn’t both partners share the blame equally?

The main difference between heterosexual and lesbian victims of battering is that the latter can’t rely on being offered help, neither practical nor emotional. Many lesbian victims refrain from seeking help from official sources, fearing that their homosexuality will be pointed out as being the ‘real’ problem. Although those women who have called in the police or other authorities usually received assistance without problems and without poor jokes, this strategy is not always feasible. Women who have out of necessity been secretive about their sexual preferences, are often scared of the obligatory coming out such a step entails; they might fear to lose their job as a result of asking for help.

And it is not at all clear where to turn to. The women’s shelters are often no option: many of them will not stretch their care to encompass lesbians. Besides, the women’s shelters are less safe for lesbians. Their adresses are often no secret among women, and thus not among female batterers. And whereas a man is by definition barred entrance from a women’s shelter, other women are not. There have been several cases in which a lesbian batterer posed as a victim at a women’s shelter, in order to get the opportunity to seek out her former lover there. 4

It is thus no surprise that lesbian victims of battering set such great store by getting support from the lesbian community. They want others to confront or decry her former lover. “After the attack, I needed other lesbians to recognize how terrorized I was and how unsafe I felt. I needed other lesbians to realize that I was a victim of a kind of violence particularly hard to deal with. I needed the community to acknowledge that my former lover broke the law. The attack was a criminal act. I wanted other lesbians to recognize that my basic rights to privacy and safety in my own home were violated.” (Naming the Violence, page 160). Yet this a most painful issue. In many cases, both victim and perpetrator move in the same circles and they often share friends and acquaintances. Sides have to be taken. But, being an outsider, whose side will you be on? Who is to be believed? And how must one behave towards the offender: ostracize her, or make an effort to understand why she did it? Very often those who take side with the perpetrator, twist things round and launch a counter-attack on the victim. Especially when she has turned to the ‘outside world’ in order to get help; in some circles asking heterosexuals to help solve problems between lesbians amounts to nothing less than high treason.

Becoming wise after the event

MOST TEXTS THAT have been published on the subject merely try to draw attention to the problem. Only Naming the Violence tries to offer some theories about lesbian violence, but sadly enough it is precisely this part of the book which falls short of expectations. Thus, after having given a lengthy explanation of how violence is used by men as a mechanism for control and dominance over women, many contributors will simply state that violence within lesbian relationships is caused by ‘the violence of society’. That seems like an easy way out, for these men as well. Other contributors blame ‘internalized homophobia’, which strikes me as being a very psychological approach.

Another hot potato has simply been avoided: sadomasochism. From the introduction to the book we learn that a serious argument has broken lose between the Lesbian Task Force on the one hand, and the SM movement on the other: but no explanations as to the whys and wherefores are offered. From some of the articles I gathered that several groups who are concerned about lesbian battering have taken a public stance against lesbian sadomasochism; again, without any further explanations. A single paragraph in the book elaborates on the matter: “Questions that arose that were left unanswered included: Have we developed a concept of healthy sexual relationships and does it include s/m? What does consent mean and what are the limits of consent in this culture? Can s/m be a healthy / therapeutic form of dealing with power or is s/m sanctioned battering? Are s/m couples at high risk for battering?” (Naming the Violence, page 93). No wonder that relations with the SM movement have flagged, considering the paternalizing phrasing.

It is quite obvious that SM may serve as a cover, for instance when dominance is established under the guise of a game, or when a perpetrator insists that the abuse was part of the game and the violence merely ‘symbolic’; but then, the same goes for alcohol and drugs. So why single out SM?

Nevertheless, there is still something to be learned from Naming the Violence. I was impressed with the efforts of the victims to put their own behaviour in the right perspective. They relentlessly explore how their own attitude kept both the relationship and the violence going. One of the remarkable insights most of them gained, is that they were suffering from a what I would call a positive bias towards their former lover. On the virtue of her being a women they accepted more and shifted their limits, whereas they would have been more cautious towards a man.

Social workers and therapists encountered the same prejudice: “While I did not consciously think about these things, I acted as if violence in lesbian couples was somehow different than violence in heterosexual couples, as if lesbian batterers were less manipulative and more likely than men to choose to control their violence, as if a lesbian batterer had a legitimate ‘demand’ when insisting on seeing a lesbian advocate (men often make many ‘must have’ demands because of their ‘unique’ and ‘special’ circumstances), and as if my seeing both people individually and in couples work was not a way of the batterer keeping tabs on their partner. I also acted as if somehow lesbian couples would immediately benefit from couples work, although I knew that this was never the case with men and women.” (Naming the Violence, page 74-75).

Another lesson Naming the Violence teaches us is the need to reconsider the concept of the women’s shelters. If the American experiences with assistance given by the lesbian and feminist movement to lesbian victims of battering hold good for Europe as well, it is necessary that feminist institutions are opened up for lesbians as well, and offer them real safety. Moreover, it is crucial that feminists and lesbians become more sensitive towards battering, realize that there are criminal lovers among lesbians too, and allow themselves to consider whether a friend’s black eye or broken arm was really caused by tripping off the stairs.

A final, yet delicate remark. From many contributions it becomes clear that the lesbian movement tends to sympathize more with the offender than with the victim of lesbian battering. In all probability, this is due to a healthy dislike of the victim role. But when an affinity with power turns into a dislike of victims or even into blaming them for having become one, we find ourselves on a dangerous course. If it is true that the lesbian and feminist movement identify with the power displayed by the perpetrators and hold their victims in contempt – they must have been weak to start with, or why else could they have allowed themselves to let this happen to them anyway? – their identification is really with offenders and violence. This identification raises many questions. For instance, why do lesbians and feminists, a group thoroughly aware of the ins and outs of violence and victimization, still insist upon blaming the victims? And if even women, with all their knowledge about and understanding of violence, look down upon victims of battering, how would men – who are definitely more often perpetrators of battering than women – regard these victims?

More dirty dishes

ALTHOUGH LESBIANS AS as perpetrators of (sexual) violence are totally at odds with all feminist theories on the subject, they are not the only ones. In the case of heterosexual women as well the actual practice is much more complicated than theory would have it. Take a look at child abuse, for instance. From the data collected in the first annual report of the Dutch Landelijk Buro Vertrouwensarts inzake Kindermishandeling, the LBVK (a national organization where confidential reports of suspected cases of child abuse can be filed by teachers, neighbours, GP’s etc.) which was recently published, we learn that 9400 reported cases of child abuse were undisputably proven. In 48 percent of these cases – that is, in almost half of them – the offenders were women. 5 Women commit incest as well: the stories of women who have been the victim of parental incest show that at least some of the mothers deserve at least some of the blame, to put things mildly. The data published by the LVBK are more than just a corroboration of these stories. The same annual report proves that a surprisingly high percentage of sexual abuse of children was committed by women: 12 percent of the reported and proven 1900 cases. This amounts to 228 cases in which women are the perpetrators of incest. 6

Other sources, however, show a much lower number of female offenders. Tegen Haar Wil Amsterdam (Against Her Will, a local centre which women can phone to talk about their experiences with sexual violence) had 69 calls in 1988 reporting sexual violence perpetrated by mothers, aunts or sisters; this amounts to only 2,9 percent of the total number of reports. The annual report of the related organization Werkgroep tegen seksuele kindermishandeling binnen het gezin (Working group against sexual child abuse within the family) mentions 9 mothers as perpetrators, which is 4,8 percent of the total number of reported cases.

Criminal ladies appear elsewhere on stage, too. Handen Thuis (Hands Off), a centre where complaints about sexual harrassment are registered, has had three reports in the past few years of women harrassing men or women. (The harrassed people were either peers or lower in rank.) Three is not a shockingly high number, but it proves that harrassing women do exist. Straightforwardly questioning men on the subject yields a much higher number: a survey on sexual harrassment encountered by students showed that a fourth of the male students had experienced it, to various degrees. In one out of four cases, the person harrassing these male students was a woman. 7

And finally, there is queer-bashing: it is common knowledge that when it is a streetgang or a group of youngsters that attack gays or lesbians, girls are often partaking.

The futility of indispensable ingredients

HOW CAN WE reconcile all (more or less) feminist theories about battering and sexual violence that have been proposed in the past years, in which women only hold the stage as victims, with the appearance of these female perpetrators? If we acknowledge that these kinds of violence are not only committed by men, then what remains of all these theories in which the power relations between the sexes are depicted as the perennial cause of sexual violence and battering?

I would like to quote from a government note that was hotly debated and – at least by Dutch feminists – warmly applauded because it stated in feminist terms the context in which sexual violence should be regarded: “Because of the similarities between the various expressions of sexual violence against women and girls, as well as their relation with the social position of women, this general objective (i.e. contribute to the banishment of sexual violence, which in this note includes battering – KS) can only be arrived at by simultaneously pursuing a policy which aims at diminishing the existing unequal power balance between men and women. The implementation of the right of women to paid work and an independent income is – combined with the realization of an independent position in relationships, in behaviour and in sexual relations and reproduction – one of the conditions for a society in which sexual violence against women and girls will be non-existent.” (page 13) Are sexual violence and battering by definition caused by the differences in power between men and women? Is gender really the all-embracing and ubiquitous explanation for sexual violence and battering?

What Op je flikker gehad!? refers to as ‘internal violence’ among men might still be explained with a plea on ‘the social structures’ – perhaps by pointing out the reputed tendency of men to bend their partners to their will, literally if needs be, or their supposed familiarity with violence as a means of securing and safe-guarding their position, or even the agressive disposition with which their upbringing encumbered them. But then, that is hardly convincing, is it? Especially not when one considers the fact that this accursed economic dependency, which has always been regarded as an indispensable ingredient in both the cause and the continuation of sexual violence 8, is usually absent in gay relationships. When trying to comprehend violence between lesbians, references to social factors are no help at all. There is no inherent, socially supported inequality in such a relationship, nor of character formation towards agressive dominance. As for being not to blame, which is invariably a woman’s lot according to these ‘structural’ theories: at least one of the two women it takes to make a lesbian couple can’t be exonerated. However, this it-is-social-structures-that-are-to-blame argument loses its final shred of validity when (heterosexual) women are sexually besieging men.

Obviously, other factors must be at work with these criminal ladies. Perhaps they encounter conflicts which have hardly any or no connection at all with the personal side of social power relations, and which are so vehement that the use of violence seems to be the only solution left. Perhaps there are people who rely on the use of violence to impose their will upon others, and ought we to accept this fact without immediately unleashing one social explanation after another.

Perhaps we ought to realize that searching at once for the social origins of (sexual) violence clouds our view rather that clarifies it. Or perhaps a completely different kind of power relations could be at stake: those between generations – where incest committed by women is concerned – , between classes or between ethnic backgrounds. But according to the stories collected in Naming the Violence, criminal ladies are just as often less strong than their victims, or poorer, or black, or non-drinkers. One of the authors makes quite an effort to bring this fact home: she sketches a profile of batterers and immediately sets out to destroy it. “There is no profile of a lesbian batterer – no personal attributes or circumstances which permit reliable prediction or identification of the lesbian who will batter her partner.” (Naming the Violence, page 182).

Perhaps the familiar power relations and the factors described as causes in feminist theories about sexual violence, are futile and of no overriding importance after all: it might simply and crudely just be the blunt pursuit of dominance within a relationship which is at stake. Little by little, I have lost my believe in our litany of possible and probable social causes. When all is said and done, these power relations seem to be the pretext rather than the origin of sexual violence; and pretexts are always abundant when one is looking for one, as all battered women have experienced. There is only one thing left of which I am sure: the forms of violence and battering mentioned in this article are in no way rooted in the power relations between the sexes, although the resemblances with ‘classical’ forms of sexual violence are bloody striking.

What does such a statement mean when considering (sexual) violence against women perpetrated by men? Pondering that question level-headedly I can’t help myself from drawing the rather disconcerting conclusion that within heterosexual relationships there must be cases of such violence which are completely personal, or to put it differently: that at least part of the sexual violence which women encounter, a phenomenon which we insisted had a political origin, is nevertheless due to a conflict that has no connections whatsoever with social relations. A fierce collision between individuals and their respective interests, but not a social struggle. A case of people abusing and maltreating another person, child or adult, because of their own personal problems or their lousy character. And perhaps some kind of social difference exert their influence to a certain degree; but power relations between the sexes are obviously not by definition and not exclusively the cause of sexual violence and battering. This forces us to acknowledge that we can no longer consider the existence of sexual violence and battering to be the ultimate proof of the wickedness of men, nor as an ideological legitimization of feminism.

This does not invalidate any protest against – what shall I call it: classical sexual violence? – on the contrary. It is never justified, under no circumstances, to harrass, rape or batter another person; neither because of the power relations between the sexes, nor because of a mere dislike. But it is also unjustifiable to put all the violence that is going on in relationships (whether heterosexual or homosexual) down to social origins as a matter of course, and to believe that the discussion is thereby closed. Such a line of argument may charm us by its simplicity and is most certainly luring because of the clear and straightforward solution it implies (“if we could just arrange society in a different way…”), but it only serves to create illusions.

There is more in life than just power relations and social structures – especially where relationships are concerned. Even when relationships are based on equality and society is arranged as we would have it, violence can’t be ruled out; but in that case, and in that case only, women finally stand a good chance to wrest themselves from their traditional role as victims. A touchstone to assess the state of affairs between men and women is not the disappearance of rape and battering, but that women will act as perpetrators as often as men, and men will stage as victims as often as women; and that violence in relationships is as frequent in homosexual relationships as in heterosexual ones. Perhaps we should even hope that the worn-out objection that men occasionaly get beaten up by their wives as well will be proved to be right in the fullest sense. In this light, the opening of the first Men’s Shelter could be regarded as a sign of the impending victory.

Literature:

  • The Advocate, March 4, 1986.
  • Annual Report 1988, Stichting Tegen Haar Wil Amsterdam, Amsterdam 1989.
  • Naming the Violence. Speaking out about Lesbian Battering, edited by Kerry Lobel for the Lesbian Task Force of the National Coalition Against Domestic Violence (NCADV), The Seal Press, Seattle 1986. The book contains a collection of stories by women who have experienced violence in their relationship, and a theoretical part.
  • SEK 2, 1987; 7, 1989.
  • Report concerning the policy to counteract sexual violence against women and girls, Rijswijk 1983.
  • Vrouwentongen 4 and 5, 1984.

Notes:

Show 8 footnotes

  1. The Advocate, March 4, 1983.
  2. This study is mentioned in Sybilla Claus, “Krabben, slaan en schoppen” (Scratching, hitting and kicking), SEK 7, 1989.
  3. This study is conducted at the Department for Homosexual Studies at the University of Utrecht, and is being paid for by the Ministry of Health, Care and Culture. The study will probably be completed in the last months of 1991.
  4. The same problem hampered the afore-mentioned discussion night at the COC. It was not at all clear whether there were any perpetrators among those present. A situation like that is not really conducive to creating a relaxed atmosphere.
  5. NRC Handelsblad, November 14, 1989. The LVBK distinguishes between physical abuse (36 percent of the proven cases), neglect (13 percent), emotional abuse or neglect (26 percent) and sexual abuse (20 percent).
  6. The Dutch feminist monthly Opzij ran an article in April 1990 by José Rijnaarts, which dealt extensively with incest committed by women. Rijnaarts correctly points out that it is not only girls who are victims of incest. Woet Gianotten was the first person in Holland to mention boys as victims of incest (in an interview in de Volkskrant in november 1988). The Annual Report: 1988 of Against Her Will Amsterdam reports 38 calls from boys who were sexually abused (1,6 percent of the total number of reports).
  7. he study was conducted by the Project Groep Female Labour of the University of Groningen, and described in de Volkskrant (april 26, 1990) and Vrij Nederland (april 28,1990). The number of harrassed men is however somewhat disputable: it appears that whereas men tend to describe a situation in which they feel uncomfortable as sexual harassment, women would not yet label it thus.
  8. The focus on economic independency in strategies against sexual violence is more extensively criticized in: Karin Spaink, Daar sta je dan met je goeie gedrag (Look what I got for my efforts), a paper I submitted for the conference Men, Violence, Sexuality, Driebergen 1985.

Dames als daders

Incest, mishandeling en ander grof vuil

HOEWEL ER DRIFTIG op is gestudeerd, heeft nog niemand een sluitende verklaring van de oorzaken van geweld tegen vrouwen kunnen ontwikkelen. Tegenwoordig wordt algemeen erkend – niet alleen door feministen – dat zulke vormen van geweld een structurele oorzaak hebben, en dat de machtsverschillen tussen mannen en vrouwen daarbij doorslaggevend zijn. Maar wat blijft er van zulke theorieën over als het vrouwen zelf zijn die zulk geweld plegen?

De nekslag voor het lesbisch utopia

SINDS GERUIME TIJD zijn er gevallen van seksueel geweld en mishandeling bekend die op geen enkele wijze met de feministische interpretatie vallen te rijmen, en waar niemand goed raad mee lijkt te weten: (seksueel) geweld binnen lesbische en homoseksuele relaties. Uit de betrekkelijk summiere informatie die nu beschikbaar is, blijkt dat onder dames vooral mishandeling zo vaak voorkomt dat je feitelijk niet meer kunt spreken van een incident. Seksueel geweld gepleegd door lesbische vrouwen – in de vorm van verkrachting, intimidaties en dergelijke – komt, afgaande op het aantal meldingen, aanzienlijk minder voor; of wellicht is dat nog minder bespreekbaar dan mishandeling.

Ook onder homosksuele mannen komt dergelijk a-typisch geweld voor. De stichting Op Je Flikker Gehad?!, een meldpunt voor geweld tegen homoseksuele mannen, meldt in haar jaarverslag van 1984 twee gevallen van mishandeling door de partner en een niet nader gespecificeerd aantal verkrachtingen door homoseksuelen. De stichting spreekt hier van ‘onderling geweld’. Een Amerikaanse enquete uit 1983 onder mensen die beroepshalve met homo’s in contact komen (hulpverleners, advocaten, barkeepers, activisten etc.), leverde een aanmerkelijk hoger cijfer op: 86 procent van de ondervraagden was homo’s tegen gekomen bij wie geweld in de relatie voorkwam. 1

De eerste Nederlandse melding van geweld onder lesbo’s stamt bij mijn weten uit 1984. In dat jaar plaatste het Nijmeegse blad Vrouwentongen twee anonieme interviews met dames die door een vriendin of vrouwelijke kennis tot seksueel verkeer waren gedwongen en werden mishandeld. Sindsdien zijn er, zij het mondjesmaat, meer verhalen losgekomen waarbij lesbo’s als dader van (seksueel) geweld optreden. SEK, het ledenblad van het COC, publiceerde in 1987 een aantal korte interviews waarin daders en slachtoffers van mishandeling aan het woord kwamen; hun ervaringen wisselden van een eenmalige vechtpartij tot een poging tot wurging. Het Engelse vrouwenblad Spare Rib plaatste een ingezonden brief waarin een vrouw verhaalde hoe zij na een bezoek aan een bar een lift kreeg van een vrouw, en door haar aangerand werd. En wie haar oor te luisteren legt of rechtstreeks informeert naar geweld onder dames, krijgt onverwacht veel te horen.

Over de omvang van dit ‘onderlinge geweld’ kan niemand iets met zekerheid zeggen, maar zo af en toe schemert er iets van door. Zo gaven in een onderzoek naar conflicthantering door lesbische vrouwen 7 van de 23 respondenten op dat zij wel eens fysiek geweld hadden gebruikt in hun relatie. 2 Momenteel wordt er een onderzoek uitgevoerd waarbij meer systematisch naar geweld en mishandeling binnen lesbische relaties wordt gezocht. Diana van Oort, die een onderzoek uitvoert naar de omvang van geweld van tegen lesbische en biseksuele vrouwen en meisjes door derden, heeft in haar vragenlijst een onderdeel opgevoerd waarin ze informeert naar ervaringen met ‘onderling’ geweld. Precies vertellen kan ze het nog niet – de eerste ruwe gegevens zijn pas later dit jaar te verwachten – maar het aantal respondenten dat te maken heeft gehad met geweld binnen een lesbische relatie, noemt ze zelf ‘verrassend hoog’. 3

Ook de Schorerstichting in Amsterdam, die zich gespecialiseerd heeft in hulpverlening en relatietherapie voor lesbische vrouwen en homoseksuele mannen, heeft in de laatste jaren met enige regelmaat lesbische paren in therapie gehad bij wie mishandeling de directe of indirecte aanleiding was om aan te kloppen. Een poging van twee jaar geleden om een groep rond dat thema op te zetten, mislukte; er waren te weinig aanmeldingen. De belangstelling voor het onderwerp neemt echter toe. In april 1989 organiseerde het COC een thema-avond waar ruim zestig vrouwen op af kwamen.

In het buitenland wordt al langer over geweld binnen lesbische relaties gesproken. In Berlijn is een paar jaar geleden een workshop belegd over mishandeling door vrouwen, waar zowel daders als slachtoffers aanwezig waren. In de VS probeert een groep van lesbische dames die zelf door hun geliefdes mishandeld zijn al sinds het begin van de jaren tachtig de discussie aan te zwengelen. Hun inspanningen hebben geleid tot het eerste boek dat over mishandeling binnen lesbische relaties is verschenen: Naming the Violence. (Verder af te korten als NtV.)

Uit de genoemde bronnen valt een lijst te destilleren van wat de daders hun geliefdes aandoen. Dat is niet misselijk: opsluiting, wurging, wekelijkse mishandelingen, bedreiging met een pistool, de huisraad van de geliefde in elkaar slaan of haar kat vermoorden, dwingen tot prostitutie, slaan met hoge hakken of kapotte flessen, vergif geven, vingers breken… the whole works. Niets menselijks is ons vreemd.

Het taboe en de blinde vlek

ER IS ONMISKENBAAR sprake van een taboe rond mishandeling in de lesbische beweging. Sommigen zijn bang dat verhalen over mishandeling onder lesbiennes door de buitenwacht als argument tegen homoseksualiteit gebruikt zullen worden. “Ik moet er niet aan denken dit aan mijn familie te vertellen. Al die jaren dat ik geprobeerd heb ze te overtuigen dat mijn manier van leven goed was… En dat is ook precies het probleem voor de hele lesbische gemeenschap. Wie wil nu toegeven dat er iets mis kan zijn met lesbische relaties?” (NtV, pag. 123).

Maar ook intern is er weinig ruimte om mishandeling te bespreken. Het idee dat lesbische relaties minder met machtsspelletjes omkleed en gelijkwaardiger zijn dan heteroseksuele relaties mag dan minder sterk leven dan een aantal jaar geleden, maar bestaat nog wel degelijk. Degene die dat ideaal verder afbreekt door te vertellen wat haar overkomen is, kan in tegenstelling tot een heteroseksuele vrouw die het slachtoffer van een man is geworden, bepaald niet rekenen op een warm onthaal of een schouder om op uit te huilen. De vuile was mag niet buiten gehangen worden, de cohesie van de groep niet aangetast. Een van de Amerikaanse pioniers: “Door deze zaak aan de orde te stellen riskeerden we een splitsing in de lesbische gemeenschap. We liepen gevaar hetzelfde verwijt te krijgen als heteroseksuele vrouwen: je stelt mishandeling aan de orde en vervolgens word je zelf aangevallen omdat je ‘het gezin kapot maakt’. De lesbische beweging is een breekbare familie en voor veel vrouwen essentiëel.” (NtV, pag. 91).

Bij anderen bestaat de angst dat het vertellen over geweld tussen vrouwen onderling als een boemerang werkt in het debat over seksueel geweld. “Heel lang heb ik gedacht dat je over geweld onder vrouwen niets openbaar moest maken, omdat mannen dat tegen je kunnen gebruiken. Terwijl ik de laatste tijd steeds meer verhalen hoor over geweld van vrouwen onderling.” (Vrouwentongen, 1984/4).

De opvattingen over geweld die in lesbische en feministische kringen circuleren, maken het niet makkelijker. Seksueel geweld en mishandeling binnen relaties behoren in de ogen van de meeste vrouwen tot een verschijnsel dat zich beperkt tot de heterowereld; wanneer een vergelijkbaar fenomeen zich in eigen kring voordoet, is er geen referentiekader. Ook niet wanneer het henzelf betreft. Of, zoals een vrouw het kernachtig uitdrukt: “Ik voldeed niet aan mijn beeld van een mishandelde vrouw.” De klassieke voorstelling van mishandeling als een probleem van heteroseksuele vrouwen en veroorzaakt door mannen, zit in de weg en veroorzaakt als het ware een blinde vlek. “Het was zo duidelijk voor ons dat geweld een methode was om heteroseksuele vrouwen te beheersen en domineren. We waren niet in staat om het verband te leggen en geweld in lesbische relaties als zodanig te herkennen.” (NtV, pag. 10).

Erger is dat veel dames bewust hun ogen wensen te sluiten voor wat er in hun directe omgeving omgaat, ook wanneer ze vermoeden of beseffen wat er aan de hand is. Legio zijn de vrouwen die het geweld bagatelliseren, hulp weigeren, de dader verontschuldigen en het slachtoffer de schuld geven. Dat leidt tot het tegen beter weten in volhouden dat het blauwe oog van een kennis komt ‘omdat ze van de trap is gevallen’, en tot vergoeilijkende uitspraken als ‘ze zal haar wel flink getreiterd hebben’. Precies de excuses die altijd naar voren kwamen als het om geweld van mannen tegen hun vrouw of vriendin ging: ze dekken de dader.

De slachtoffers: “Ik heb vaak naar [de dader] toe willen gaan om haar eens te zeggen wat ik ervan vond. Maar ik ben altijd door vrouwen tegengehouden, die zeiden dan: jij hebt toch wel meer verstand, je moet haar niet zo serieus nemen, want het gaat heel slecht met haar. (..) Wat ik heel vervelend vond is dat er zo ontzettend mild geoordeeld werd en mensen het zelfs voor haar opnamen omdat ze een vrouw is. Terwijl ik er ontzettend lang een tik van overgehouden heb.” (Vrouwentongen, 1984/4). “De reactie van de plaatselijke lesbische beweging was onthutsend. Ze waren geschrokken – zelfs boos – dat ik de politie had geroepen. ‘Ik kan me nog voorstellen dat je iemand die je mishandelt bij de politie aangeeft,’ zei een vrouw, ‘maar je vriendin? Dat zegt veel over je vermogen om een intieme relatie te onderhouden.’ Veel vrouwen drongen er op aan dat ik de aanklacht zou laten vallen. Ze zeiden dingen als: ‘Nou zeg, heb jij dan nooit een vriendin geslagen? Zo erg was het nou ook weer niet.'” (NtV, pag. 159). “Toen ik thuis bij het raam stond vloog er een bijl door de ruit, vlak voor mijn voeten. Ik belde een paar van haar/onze vrienden om te vertellen wat ze zojuist gedaan had. Ze zeiden dat ze niet konden helpen.” (NtV, pag. 127).

Schrikbarend is dat zelfs een eenvoudige waarschuwing voor een notoir type er niet vanaf kan. Veel daders blijken een geschiedenis van geweld te hebben, maar zelden ziet iemand er brood in de geliefde in spe daarvan op de hoogte te brengen. “Nadat we uit elkaar waren zeiden een paar vrouwen dat ze me wel hadden kunnen vertellen dat ik het hard te verduren zou krijgen bij haar, maar ze hadden gekozen om ‘er niet bij betrokken te raken’.” (NtV, pag. 149). Dat is een vorm van tolerantie die geen enkele lesbo of feministe zou pikken als het om een man ging. Over een dubbele moraal gesproken.

Verschillen met heteroseksuele vrouwen

DE VERHALEN VAN deze mishandelde dames vertonen een opvallende gelijkenis met die van heteroseksuele vrouwen. In bijna alle gevallen wordt het geweld vooraf gegaan door perioden waarin de aanstaande dader de vrijheid van de geliefde beknot, zich te buiten gaat aan aanvallen van woede of jaloezie, en denigrerende opmerkingen maakt. Forse scheldpartijen lijken een voorbode. De ander past zich aan, probeert haar geliefde te begrijpen en gooit het op stress, een akelig verleden, onzekerheid of angst. Ze verlegt haar grenzen, en probeert de geestelijke pijn van de dader te stelpen met liefde – gewoonlijk vruchteloos. Hoop, verzoening en tederheid wisselen met angst en spanning.

Anders dan bij de meeste heteroseksuele vrouwen geldt economische afhankelijkheid niet als argument om te blijven. Bij veel lesbiennes is daar echter een andere reden voor in de plaats gekomen: de relatie mag niet verbroken worden. Soms omdat ze koste wat koste willen bewijzen dat lesbische relaties geen eendagsvliegen zijn, soms omdat ze zo geïsoleerd leven dat ze met hun geliefde ook al hun opties verliezen.

Ook de aanleidingen komen overeen. Jaloezie en onzekerheid lijken een motief voor de dader, net zoals drankmisbruik en verschillen in sociale positie (geld, klasse, ethnische achtergrond). Het streven naar dominantie vormt in vrijwel alle verhalen de ondertoon.

Een opmerkelijk verschil is dat de slachtoffers wier verhalen gedocumenteerd zijn, meer dan heteroseksuele vrouwen terug vechten. In sommige gevallen zorgt dat voor een escalatie, maar het gebeurt regelmatig dat de dader daardoor – tijdelijk – bij zinnen komt. Maar juist dat terugvechten veroorzaakt een tergend gewetensonderzoek en makkelijke excuses voor de buitenwacht: was dit geen geval van ‘wederzijdse’ mishandeling, zijn beiden niet even schuldig?

Het grootste verschil tussen heteroseksuele en lesbische slachtoffers is echter dat de laatsten op weinig steun kunnen rekenen, praktisch noch emotioneel. Veel vrouwen willen geen hulp zoeken bij de reguliere hulpverlening, uit angst dat hun homoseksualiteit tot het ‘werkelijke’ probleem wordt gebombardeerd. Hoewel de vrouwen die de politie inschakelen doorgaans vertellen goed en zonder flauwigheden over hun seksuele voorkeur geholpen te zijn, is die stap niet voor iedereen haalbaar. Voor vrouwen die hun lesbianisme verborgen hebben gehouden komt dat neer op een verplichte coming out; zij zijn bang als gevolg daarvan hun baan te verliezen.

En waar je naar toe moet, is onduidelijk. De Women’s Shelters of Blijf van mijn Lijf-huizen zijn vaak geen oplossing: in de praktijk blijkt dat lesbische dames daar niet altijd welkom zijn. Bovendien is Blijf voor hen een minder veilige plaats dan voor heteroseksuele vrouwen: de adressen van Blijf zijn onder dames, en dus ook onder daders, niet altijd geheim. Bovendien komt een man Blijf per definitie niet in, maar een andere vrouw wel. Het is meermalen gebeurd dat de dader zich als slachtoffer bij een opvanghuis aanmeldde in een poging haar geliefde te zien te krijgen. 4

Het is dan ook geen wonder dat slachtoffers zoveel belang hechten aan steun van de lesbische beweging. Ze willen dat andere lesbo’s hun ex aanspreken op haar daden, of haar veroordelen. “Na die aanval had ik er behoefte aan dat andere lesbiennes erkenden hoe geterroriseerd ik was en hoe onveilig ik me voelde. Ik wilde dat ze zich realiseerden dat ik het slachtoffer was van een vorm van geweld die bijzonder moeilijk te verwerken is. Ik ben mishandeld door iemand met wie ik liefde en geluk had gedeeld. Ik wilde dat de lesbische gemeenschap erkende dat mijn ex de wet had overtreden.” (NtV, pag. 160).

Maar juist dat blijkt een pijnlijk punt. Immers, in veel gevallen bewegen slachtoffer en dader zich in dezelfde kringen en hebben ze dezelfde vrienden. Er moet dus partij getrokken worden. Wie geloof je, als buitenstaander? En hoe gedraag je je tegenover de dader: moet je die uit de kring stoten, of is het beter begrip te tonen? Het komt veel voor dat degenen die partij kiezen voor de dader de zaak omkeren en de aanval inzetten op het slachtoffer. Zeker als die zich tot ‘de buitenwacht’ heeft gekeerd voor hulp; het wordt in sommige kringen als hoogverraad beschouwd om hetero’s in te schakelen bij problemen tussen lesbo’s.

Wijze lessen

WAT ER AAN Nederlandse literatuur is verschenen, is vooral signalerend van karakter. Alleen Naming the Violence waagt zich op het theoretische vlak, maar juist dat deel van het boek schiet ernstig tekort. Het gebeurt nogal eens dat na een exegese van een paar pagina’s waarin wordt uitgelegd dat geweld een controlemiddel van mannen is om vrouwen eronder te houden, geweld in lesbische relaties simpelweg verklaard wordt onder verwijzing naar ‘het geweld in de maatschappij’. Dat lijkt me een al te makkelijke uitweg, ook voor die mannen. Sommige auteurs zoeken het in ‘geïnternaliseerde homohaat’, een wel erg psychologiserende aanpak.

Een ander heet hangijzer is stomweg vermeden: SM. Uit de inleiding blijkt dat er een hevige ruzie tussen de Lesbian Task Force en de SM-beweging is uitgebroken: maar uitleggen hoe en wat, daar doen ze niet aan. Uit andere bijdragen begrijp ik dat verschillende groepen die zich bezighouden met lesbische mishandeling zich publiekelijk tegen SM door lesbiennes hebben uitgesproken; ook van hen ontbreekt een uitleg. In slechts één alinea worden vragen opgeworpen: “Beschikken we over een concept van een gezonde seksuele relatie, en past SM daarbinnen? Wat betekent toestemming, en wat zijn de grenzen van toestemming in deze cultuur? Kan SM een gezonde, therapeutische manier zijn om met macht om te gaan, of is SM goedgekeurde mishandeling? Lopen SM-stellen een hoger risico om in mishandeling verzeild te raken?” (NtV, pag. 93).

Geen wonder dat de betrekkingen met de SM-beweging bekoeld zijn, met zo’n bevoogdende vraagstelling. Het lijkt duidelijk dat SM als dekmantel misbruikt kan worden, bij voorbeeld door dominantie-issues verkapt als spel uit te vechten, of doordat de dader volhoudt dat de mishandeling een spel en het geweld slechts ‘symbolisch’ is; maar op dezelfde manier kan alcohol misbruikt worden als excuus.

Toch zijn er wijze lessen uit Naming the Violence te trekken. Bij voorbeeld uit het vermogen van de slachtoffers om hun eigen gedrag kritisch tegen het licht te houden. Ze verkennen vrij scherp hun eigen aandeel in het voortduren van de verhouding cq. het geweld. Wat daarbij opvalt is dat veel vrouwen last hadden van een soort positief vooroordeel ten opzichte van hun ex. Juist omdat ze een vrouw was gaven ze haar op voorhand meer ruimte, terwijl ze tegenover een man eerder argwaan zouden hebben gekoesterd.

Op datzelfde vooroordeel betrappen de therapeutes die aan het woord komen zichzelf: “Ik gedroeg me alsof geweld in een lesbische relatie iets anders was dan in een heteroseksuele relatie, alsof lesbische daders minder manipulerend zouden zijn en beter in staat zouden zijn om hun geweld te beheersen dan heteroseksuele mannen, alsof een lesbische dader gerechtvaardigd was in haar ‘eis’ van een lesbische advocaat, en alsof ze samen behandelen niet een weg was waarlangs de dader greep kon houden op haar slachtoffer.” (NtV, pag. 74-75).

Een andere les is dat we ons nodig moeten afvragen hoe het in Nederland staat met de opvang van mishandelde lesbo’s. Als de ervaringen binnen de Amerikaanse feministische- en lesbische beweging ook voor Nederland opgaan, wordt het hoog tijd om Blijf in woord en daad toegankelijk te maken voor lesbiennes. En meer nog: om onder ogen te zien dat er ook onder dames daders rondlopen, en dat het blauwe oog van die kennis niet per definitie onschuldig is.

Tot slot nog een precair punt. Uit verschillende bijdragen doemt het beeld op dat de lesbische beweging makkelijker sympathiseert met de dader dan met het slachtoffer. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de gezonde hekel aan de slachtofferrol die velen hebben opgebouwd. Maar helaas slaat die affiniteit met macht regelmatig om in een afkeer van slachtoffers. Als waar is dat de feministische en lesbische beweging zich identificeert met de macht van daders en neerkijkt op de slachtoffers – die wel zwak geweest moeten zijn om tot slachtoffer gemaakt te kunnen zijn, nietwaar? – dan identificeren we ons met de daders zelf. Dat roept vragen op. Bij voorbeeld waarom we tegen slachtoffers aankijken alsof het toch hun eigen schuld is, zelfs terwijl we zo op de hoogte zijn van de ins en outs van geweld. En als vrouwen met al hun begrip van en hun kennis over geweld al zo neerkijken op slachtoffers van mishandeling, hoe moeten mannen – die hoe dan ook vaker aan de andere kant van de streep staan – dan wel niet tegenover slachtoffers staan?

Meer vuile handen

LESBO’S ALS DADERS van (seksueel) geweld mogen dan niet in de feministische theorie passen, ze zijn niet de enigen. Ook in het geval van heterodames blijkt de praktijk ingewikkelder dan de theorie. Op het gebied van kindermishandeling bijvoorbeeld. Uit de gegevens van het eerste jaarverslag dat het Landelijk Buro Vertrouwensarts inzake Kindermishandeling (LBVK) recentelijk publiceerde, blijkt dat van de ruim 9400 meldingen van kindermishandeling die in 1988 onderzocht zijn, vrouwen in 48 procent van de gevallen – bijna de helft dus – de daders zijn. 5

Ook incest wordt door vrouwen gepleegd: uit verhalen van vrouwen die het slachtoffer zijn geweest van incest bleek al dat moeders, in verschillende gradaties van medeplichtigheid, niet altijd vrijuit gaan. De cijfers van de LBVK geven meer dan een bevestiging van dat beeld. Uit hetzelfde jaarverslag blijkt een verrassend hoog percentage van het seksueel misbruik door vrouwen gepleegd te zijn: 12 procent van de bijna 1900 gemelde gevallen is door vrouwen gepleegd. Omgerekend komt dat neer op circa 230 gevallen van incest gepleegd door vrouwen. 6

Uit andere bronnen blijken lagere cijfers voor incest door vrouwen. Tegen Haar Wil Amsterdam heeft in 1988 bij elkaar 69 telefoontjes gehad van vrouwen die met seksueel geweld door hun moeder, tante of zuster te maken hebben gehad: 2,9 procent van het totaal aantal belsters (Jaarboek 1988, pag. 35). In datzelfde jaarboek staat ook het verslag over 1988 van de Werkgroep tegen seksuele kindermishandeling binnen het gezin; zij melden 9 moeders als dader: 4,8 procent van het totaal aantal meldingen dat ze ontvingen (Jaarboek 1988, pag. 47).

Ook op andere terreinen zijn vrouwenhanden niet brandschoon. De stichting Handen Thuis, het meldpunt voor ongewenste intimiteiten op het werk, heeft in de laatste jaren drie meldingen binnen gekregen van intimiderende vrouwen (die het voorzien hadden op zowel collega’s als ondergeschikten, zowel op dames als op heren) – gelukkig weinig, maar toch. Gericht vragen aan mannen levert al een hoger cijfer op: een onderzoek naar ongewenste intimiteiten onder studenten wees uit dat een kwart van de mannelijke studenten daar wel eens mee te maken heeft gehad. En in een op de vier gevallen was een vrouw de boosdoener. 7

Tot slot noem ik potten- dan wel potenrammen: het is al langer bekend dat groepen jongeren die zich daar aan schuldig maken, soms meiden herbergen. Zo heeft het COC in de afgelopen jaren meermalen meiden in dadergroepen over potenrammerij gehad.

De inwisselbaarheid van onmisbare ingrediënten

HOE LATEN ALLE min of meer feministische theorieën die in de afgelopen jaren over seksueel geweld en mishandeling geformuleerd zijn, waarin vrouwen alleen maar verschijnen als slachtoffer van geweld, zich rijmen met al die gevallen waarin vrouwen als dader optreden? Als je constateert dat zulk geweld niet alleen door mannen wordt gepleegd, wat blijft er dan over van al die theorieën waarin juist de machtsverschillen tussen de seksen als oorzaak worden gezien?

Ik wil graag herinneren aan de roemruchte paarse nota, waarin de regering seksueel geweld in de volgende context zette: “Gezien de onderlinge overeenkomst van verschillende sexuele geweldsuitingen tegen vrouwen en meisjes, alsmede de samenhang hiervan met de maatschappelijke situatie van vrouwen, kan deze algemene doelstelling (het leveren van een bijdrage aan de uitbanning van seksueel geweld, waaronder hier ook mishandeling wordt verstaan – KS) alleen worden bereikt indien tegelijkertijd een beleid wordt gevoerd dat zich richt op de vermindering van bestaande machtsverschillen tussen vrouwen en mannen. Het verwezenlijken van de aanspraak van vrouwen op betaalde arbeid en op een zelfstandig inkomen zal – tezamen met de realisering van een zelfstandige positie in relaties, in gedrag en in sexualiteit en voortplanting – een van de voorwaarden vormen voor een maatschappij waarin sexueel geweld tegen vrouwen en meisjes zal zijn uitgebannen.” (pag. 13)

Zijn seksueel geweld en mishandeling per definitie aan die machtsverschillen tussen mannen en vrouwen te wijten? Is sekse inderdaad de alles verklarende factor voor seksueel geweld en mishandeling?

Wat Op je flikker gehad?! bij mannen ‘onderling geweld’ heeft genoemd, is onder verwijzing naar ‘de maatschappelijke structuur’ misschien nog te verklaren – bijvoorbeeld door te wijzen op de vermeende neiging van mannen om hun geliefden desnoods letterlijk naar hun hand te zetten, of op hun veronderstelde vertrouwdheid met geweld als middel om hun positie veilig te stellen, of wellicht naar hun door opvoeding agressieve karakterstructuur. Het klinkt alleen niet echt overtuigend. Zeker niet wanneer je bedenkt dat die vermaledijde economische afhankelijkheid, die altijd als een onmisbaar ingrediënt is beschouwd in het ontstaan en voortduren van seksueel geweld 8, bij flikkers gewoonlijk ontbreekt.

Voor het begrijpen van geweld tussen vrouwen onderling helpt een verwijzing naar sociale factoren ons geen steek verder. Er is geen inherente, maatschappelijk ondersteunde ongelijkheid binnen zo’n relatie, noch van een tot agressieve dominantie opgevoede persoonlijkheid. Vrij zijn van elke blaam – wat voor vrouwen in de structuurtheorie per definitie geldt – gaat hier voor minstens een van beide vrouwen niet op. Helemaal nergens kom je met zo’n het-is-de-structuur argument wanneer het heteroseksuele vrouwen betreft die mannen seksueel belagen.

Kennelijk zijn er bij dames-als-daders andere factoren in het geding. Misschien zijn er conflicten die weinig of niets van doen hebben met de privékant van maatschappelijke machtsverhoudingen, en die zo hevig zijn dat ze zelfs tot geweldsgebruik kunnen leiden. Misschien moet je constateren dat er kennelijk mensen zijn die makkelijk naar geweld grijpen om hun zin door te drijven, zonder daar meteen een maatschappelijke verklaring op los te laten. Misschien moet je constateren dat meteen naar maatschappelijke oorzaken zoeken het zicht op de werkelijkheid eerder belemmert dan verheldert. Of mogelijk spelen andere machtsverhoudingen een rol: die tussen generaties – zoals in het geval van incest door vrouwen – of die van klasse of ethnische achtergrond.

Maar blijkens de verzamelde verhalen in Naming the Violence is de dader even zo vaak kleiner dan het slachtoffer, of armer, of zwart, of juist niet aan de drank. In een van de artikelen wordt dat ook met zoveel woorden gezegd: de auteur geeft daarin een ‘daderprofiel’ dat ze meteen ondergraaft. “Er is geen profiel van de lesbische mishandelaar op te stellen – er zijn geen persoonlijke kenmerken of sociale omstandigheden te noemen op basis waarvan je een enigszins betrouwbare voorspelling kunt maken.” (NtV, pag. 182).

De bekende machtsverschillen en aan de theorie ontleende oorzaken lijken er uiteindelijk allemaal niet zoveel toe te doen: het is in al zijn eenvoud en hardheid het botte streven naar dominantie binnen een relatie dat voorop staat. Ik geloof onderhand ook niet meer zo in die litanie van mogelijke maatschappelijke oorzaken. Zulke machtsverschillen lijken op de keper beschouwd eerder een aanleiding dan de oorzaak van het geweld; en aanleidingen zijn altijd wel te vinden, zoals elke mishandelde vrouw weet. Maar één ding staat vast: in ieder geval zijn alle hierboven besproken vormen van geweld en mishandeling juist niet geworteld in sekse-verschillen, terwijl er verdomd veel overeenkomsten zijn met het ‘klassieke’ seksueel geweld.

*

WAT BETEKENT ZO’N constatering nu als je die betrekt bij de discussie over (seksueel) geweld van mannen tegen vrouwen? Nuchter nadenkend, en enigszins ontdaan, ontkom ik niet aan de conclusie dat er ook binnen die klassieke relatie gevallen van zulk geweld moeten voorkomen die uitsluitend een privékarakter hebben, met andere woorden: waar een fikse botsing van karakters of belangen aan de gang is die los staat van maatschappelijke verhoudingen. Waar mensen een ander mens, kind of volwassene, misbruiken en mishandelen – omdat zijzelf problemen hebben of met een rotkarakter behept zijn. En misschien zijn er maatschappelijke verschillen die hun invloed doen gelden. Maar met sekseverhoudingen heeft mishandeling of seksueel geweld kennelijk niet uitsluitend en per definitie van doen. Dat betekent niets meer of minder dan dat we ook het bestaan van seksueel geweld en mishandeling niet langer zomaar, heel onproblematisch, mogen opvatten als een bewijs van de slechtheid van mannen of als een ideologische legitimatie van het feminisme.

Protest tegen – laat ik nu voor de duidelijkheid maar zeggen: klassiek – seksueel geweld is daarmee niet van tafel geveegd, integendeel. Het is nooit gerechtvaardigd om een ander te verkrachten of in elkaar te slaan, of dat nu op basis van sekseverschillen of een andere machtspositie is, of omdat iemand je niet aanstaat. Wat wel onterecht is, is om al het geweld dat binnen de context van een (heteroseksuele of homoseksuele) relatie plaats vindt als vanzelfsprekend aan maatschappelijke oorzaken op te hangen, en te denken dat je daarmee een sluitende verklaring hebt opgesteld. Zo’n betoog heeft weliswaar de bekoring van de eenvoud en lokt vanwege de mogelijkheid van een heldere oplossing (“als we het voortaan nu maar zó regelen, dan…”) maar schept uiteindelijk alleen illusies.

Er bestaat meer dan macht, meer dan structuren alleen – zeker in het geval van relaties. Maar ook als relaties gelijkwaardig zijn en de maatschappij geheel op orde is, is de mogelijkheid van geweld daarmee niet uitgesloten. Wel hebben dames dan eindelijk een goede kans om zich uit de aloude slachtofferrol te worstelen. Een toetssteen voor de stand van zaken tussen de seksen lijkt me dan ook niet dat verkrachting en mishandeling niet meer voorkomen, maar dat vrouwen even vaak daders zijn als mannen, en mannen even vaak slachtoffers; en dat geweld in homoseksuele relaties even veel voorkomt als in heteroseksuele. Misschien moeten we er zelfs op hopen dat de eeuwenoude tegenwerping dat mannen toch ook wel eens door hun vrouwen geslagen worden, op grote schaal bewaarheid zal worden. In dat licht bezien zal de eerste opening van een Blijfhuis voor mannen wellicht beschouwd moeten worden als het naken van de overwinning.

Literatuur:

  • The Advocate, 4 maart 1986.
  • Jaarboek 1988, Stichting Tegen Haar Wil Amsterdam, Amsterdam 1989.
  • Naming the Violence. Speaking out about Lesbian Battering, geredigeerd door Kerry Lobel voor de Lesbian Task Force van de National Coalition Against Domestic Violence (NCADV), The Seal Press, Seattle 1986. Het boek bestaat uit een verzameling verhalen van vrouwen die terugblikken op hun ervaringen met mishandeling binnen een relatie, en een theoretisch deel.
  • SEK nummer 2, 1987; nummer 7, 1989.
  • Voorlopige nota met betrekking tot het beleid ter bestrijding van sexueel geweld tegen vrouwen en meisjes, Ministerie van WVC, Rijswijk 1983.
  • Vrouwentongen, nummer 4 en 5, 1984.

Noten:

Show 8 footnotes

  1. The Advocate, 4 maart 1983.
  2. Dit onderzoek, uitgevoerd door Carolien de Groot en Annelies Plekker, wordt genoemd in Sybilla Claus, ‘Krabben, slaan en schoppen’, SEK nummer 7, jaargang 1989.
  3. Het onderzoek wordt uitgevoerd bij de RijksUniversiteit Utrecht bij de afdeling Homostudies, en wordt gesubsidiëerd door WVC. Volgens de planning wordt het onderzoek eind 1991 afgerond.
  4. Hetzelfde probleem gold voor de genoemde COC-avond. Het was volstrekt onduidelijk of daar behalve slachtoffers ook daders aanwezig waren. Zo’n situatie is niet bepaald bevorderlijk voor een prettig gesprek.
  5. NRC Handelsblad, 14 november 1989. Onder mishandeling verstaat het LBVK zowel lichamelijke mishandeling (36% van de gevallen), verwaarlozing (13%), emotionele mishandeling of verwaarlozing (26%) als seksueel misbruik (20%).
  6. In Opzij van april 1990 gaat José Rijnaarts uitgebreid in op incest gepleegd door vrouwen. Rijnaarts wijst terecht op het feit dat de slachtoffers niet alleen meisjes zijn. Zie daarvoor ook het interview met Woet Gianotten in de Volkskrant, november 1988. Het Jaarboek 1988 van de Stichting Tegen Haar Wil Amsterdam meldt 38 telefoontjes van jongens die seksueel misbruikt zijn (1,6% van het totaal aantal meldingen bij de stichting).
  7. Het onderzoek werd uitgevoerd door de Projectgroep Vrouwenarbeid van de Universiteit van Groningen. Zie de Volkskrant van 26 april 1990 en Vrij Nederland van 28 april 1990. Overigens blijkt – heel opmerkelijk – uit dit onderzoek dat mannen een situatie waarin ze zich belaagd voelen eerder als een poging tot seksuele intimidatie beschrijven dan vrouwen.
  8. Zie voor een uitgebreidere kritiek op de nadruk op economische onafhankelijkheid bij het tegengaan van seksueel geweld mijn artikel Daar sta je dan met je goeie gedrag, opgenomen in de congresbundel Mannen, Geweld, Seksualiteit, Driebergen 1985.

Het totalitaire universum van Louise L. Hay

U VERKOOPT GOED, mevrouw Hay. Uw boek Je kunt je leven helen verscheen in december 1987, en sindsdien zijn er vijftig duizend exemplaren van verkocht. U staat al anderhalf jaar vrijwel ononderbroken in de non-fictie top tien van Vrij Nederland en de Haagse Post. Een hele prestatie.

Toch bent u een slecht stylist: uw boek staat vol met herhalingen, kromme redeneringen en Reader’s Digest-achtige anecdotes. U adstrueert uw stellingen met een enkel voorbeeld, en vat die vervolgens op als bewijs. Helaas heeft u het ook met uw vertalers niet getroffen. Maar uw verkoopcijfers dwingen eerbied af. Te zien aan de fondslijst bent u, met al uw posters, kaarten, bandjes en boeken, in uw eentje in staat uw Nederlandse uitgever te laten draaien.

Uw boek gaat over de eenheid tussen lichaam en geest: de les die we kunnen leren uit de boodschappen die ons lichaam ons geeft, en hoe ons leven te verbeteren. Uw boek vertelt hoe onze ‘verkeerde gedachtenpatronen’ zoals u dat noemt, ons lichaam beïnvloeden. Uw eigen grondgedachte is dat iedereen van tijd tot tijd negatieve gedachten over zichzelf heeft, last heeft van zelfhaat en schuldgevoel, en u stelt dat die gedachten ons leven bepalen. Niet onze instelling, maar onze complete wereld. Die gedachten zijn bijvoorbeeld de oorzaak van ziektes.

U zegt dat wij, dat onze geest, ziektes schept. U zegt: “Ik geloof dat we zelf iedere zogenaamde ‘ziekte’ in ons lichaam kreëeren. Ons lichaam is, net zoals alles in het leven, een reflektie van onze innerlijke gedachten en overtuigingen.” (pag 117) U zegt dat wij honderd procent verantwoordelijk zijn voor al onze ervaringen. U zegt dat negatieve gedachten – wrok, haat, onzekerheid, rancune – ziektes veroorzaken, en dat als we die vermijden, we “in staat zijn om de blokkades op te ruimen die ons weerhouden van een blakende gezondheid” (flaptekst). Door onszelf positieve gedachten in te prenten – ‘affirmaties’, die meerdere keren per dag herhaald dienen te worden – kunnen we genezen; helen noemt u dat. Want, zegt u, voor elke ziekte is een psychologische oorzaak, of in uw woorden: een mentaal equivalent aan te wijzen. Die hangt samen met ons mentale grondpatroon, en “dit is slechts een gedachte en elke gedachte kan veranderd worden. Het loslaten van wrok zal zelfs kanker doen verdwijnen.” (pag. 12)

U heeft een lijst van ziektes opgesteld, mevrouw Hay, met hun waarschijnlijke oorzaken en remedies. Om ons veranderingsproces te bespoedigen. U wordt daar zelfs bescheiden: “Niet ieder mentaal equivalent is 100 procent waar voor iedereen. Wel kunnen we het als uitgangspunt nemen voor onze speurtocht naar de oorzaak van de ziekte. Veel mensen die met alternatieve geneeswijzen werken raadplegen met hun kliënten vaak deze lijst en hebben vastgesteld dat de mentale oorzaken in 90 tot 95 van de 100 gevallen kloppen.” (pag. 117-118) Een greep uit uw lijst, mevrouw Hay: suikerziekte ontspruit uit “verlangen naar wat had kunnen zijn. Een sterk verlangen alles te regelen. Niets heerlijks (zoets) meer.” Een hersenbloeding ontstaat wanneer mensen “liever doodgaan dan veranderen”. Kanker wordt veroorzaakt door “oude rankune. Diep geheim of droefheid dat aan het ik vreet. Haatdragend.”

U ziet veel kwalen en ziektes, waaronder een aantal ernstige, als een zuivere metafoor. U gaat u te buiten aan een letterlijke, fysieke vertaling van een psychologische terminologie. Multiple sclerose – waarbij sprake is van littekenvorming in het zenuwweefsel – ziet u als het gevolg van “geestelijke hardheid, onbuigzaamheid.” Polio of kinderverlamming wordt veroorzaakt door “verlammende jaloezie. Een verlangen iemand tegen te houden.” Ongelukken zijn te wijten aan “verzet tegen autoriteit. Geloof in geweld”, darmproblemen aan “onverteerde ideeën”. Uw remedies: “Ik heb vrede waar ik ben”, “Dit moment is vol vreugde. Ik besluit nu de heerlijkheid van vandaag te ervaren”, “Het leven is verandering en ik pas me makkelijk aan bij het nieuwe.”

U ONTKENT HET lichaam, mevrouw Hay. Met al uw ideeën over de samenhang tussen lichaam en geest is het kennelijk nog nooit bij u opgekomen dat het lichaam een zelfstandige entiteit is: met eigen wetmatigheden, die zich niet zomaar door de geest laten dwingen. De grote paradox in uw denkwijze, mevrouw Hay, is dat u met al uw causaliteiten het lichaam als volstrekt ondergeschikt ziet aan de luimen van een almachtige geest. Het lichaam kent geen eigen kracht of zwaktes. Het lichaam is volgens u niets dan de taal van de geest, en diens arena. U reduceert ziekte en invaliditeit tot beeldspraak en symboliek. U neemt het lichaam niet serieus.

U heeft zelf ooit kanker gehad, mevrouw Hay, en bent daarvan genezen zonder medisch ingrijpen. Oprecht gefeliciteerd, mevrouw Hay, maar is het ooit bij u opgekomen dat die genezing een prestatie van uw lichaam was, en niet van uw al te lucide geest?

Uw opvattingen over aids zijn vreemd, mevrouw Hay. U zegt dat geslachtsziekten voortkomen uit “het gevoel, vaak onderbewust, dat het niet goed is om onszelf seksueel te uiten. (..) Herpes is een ziekte die steeds weer terug komt om ‘ons te straffen’ voor onze overtuiging ‘dat we slecht zijn’. Herpes heeft de neiging om aktief te worden als we emotioneel uit ons evenwicht zijn. Dus dat zegt meteen al een heleboel. Laten we nu dezelfde theorie overbrengen naar homoseksuele kringen, waar ze dezelfde problemen hebben als alle andere mensen plus de maatschappij die ze met de vinger nawijst en ‘slecht!’ roept. Gewoonlijk zeggen hun eigen vader en moeder ook: ‘Je bent slecht.’ Dit is een zware last. Dus kreëerden homoseksuele mannen een ziekte die AIDS wordt genoemd en die veel angstaanjagender is dan herpes.” Dan, na een fragment waarin u stelt dat in homokringen overmatig veel aandacht is voor jong en mooi zijn: “De manier waarop homo’s elkaar behandelen, is voor veel homo’s de reden om oud worden te vrezen. Doodgaan is bijna te preferen boven oud worden. En AIDS is een ziekte die vaak fataal is.” (pag. 126-127) U zegt dat homo’s zelf hebben gekozen voor aids, mevrouw Hay?

U BENT KRAS in de psychologische kwalificaties die u uitdeelt, mevrouw Hay. Op basis van hun lichamelijke gesteldheid velt u oordelen over mensen. De tijden dat zulke theorieën gemeengoed waren in Europa, schrijft men hier op zwarte bladzijden, mevrouw Hay. Hun grondpatroon deugt niet, zegt u. En dat van gezonde mensen wel, omgekeerd geredeneerd? Denkt u, denken uw vijftig duizend lezers, vanwege uw modieus holisme gevrijwaard te zijn van een dergelijk fundamenteel onfatsoen?

U bent solipsist, mevrouw Hay. U zegt dat wat we geloven over onszelf en over de wereld, waar wordt. “De gedachten die we denken en de woorden die we uitspreken kreëeren onze ervaringen (..) Geen mens, geen plaats, geen ding heeft enige macht over ons, want ‘wij’ zijn de enige denkers in onze gedachtenwereld. Wij kreëeren onze ervaringen, onze werkelijkheid en iedereen die erbij hoort.” (pag. 14)

U kunt het toeval niet accepteren, mevrouw Hay. Uw universum hangt van wetmatigheden aan elkaar, en vormt in die zin een gesloten, totalitair systeem. Alles wat ons overkomt heeft een reden, en die reden moeten we ten alle tijde bij onszelf zoeken. Bovendien wilt u dat we onszelf eindeloos observeren en controleren, want elke negatieve gedachte kan funest zijn. Vertelt u niet van de vrouw die na het loslaten van een oude angst plotsklaps weer goed kon zien, en door haar herhaalde gedachte van ongeloof haar zicht weer verloor? Feind hört mit, mevrouw Hay.

U BENT GEVAARLIJK, mevrouw Hay. U praat mensen die te kampen hebben met ellendige ziektes schuld aan: u stelt ze verantwoordelijk voor hun ziekte. En als de werkelijkheid weerbarstiger blijkt dan uw theorie en genezing ook na affirmaties uitblijft, is dat alweer een blijk van hun persoonlijk falen. Dankuwel, mevrouw Hay, maar ik geloof heus dat er gezonder manieren zijn om ziek te wezen.

Moet Joop Wilhelmus schadevergoeding gaan betalen?

“Waar gaat het om? Om het verbieden van bloot? Geenszins. Tegen naaktheid op zich bestaat natuurlijk geen enkel bezwaar. Het is niet eens van doorslaggevend belang dat (..) de modellen meestal naakt of halfnaakt staan afgebeeld. Het belangrijkste zijn de poses, de gezichtsuitdrukking, de hele houding, die te kennen geven: Ik ben een willoos wezen, geschapen om jou terwille te zijn, bereid om alles te doen wat jij van mij verlangt. Op deze manier worden vrouwelijke mensen gedegradeerd tot loopse teven, die jankend de aandacht proberen te trekken van hun baas. Het gaat hier om meer, heel veel meer, dan onze rol als sex object. Het gaat hier om de verspreiding van de ideologie van de vrouwelijke minderwaardigheid. Onderworpen, beschikbaar, dienstbaar. Op bed en op kantoor, op straat en op het witte doek.” Dit schreef Alice Schwarzer in 1978 aan Henri Nanne, de uitgever van Der Stern.

Alice Schwarzer, hoofdredactrice van het Duitse vrouwenblad Emma, had toen samen met negen andere vrouwen een aanklacht in tegen het weekblad Der Stern. De groep stelde dat de omslagen van dat blad die voornamelijk bestonden uit hüpsche mädchen met guitige glimlachjes en ontblote borsten beledigend voor vrouwen waren, en eiste een verbod van dergelijke omslagen op straffe van 50.000 mark boete. De rechter wees de aanklacht af: de groep van tien kon niet namens alle Duitse vrouwen spreken, en kon zich derhalve volgens de wet niet plaatsvervangend beledigd voelen. Van harte ging die uitspraak overigens niet. De rechter koesterde sympathie voor de motieven van de aanklaagsters en zei hen: “Het spijt me dat u niet hebt gewonnen.”

Inmiddels zijn we bijna tien jaar verder, en is Emma met een nieuwe, uitgebreidere campagne gestart onder het motto ‘porNO!’. Het uitgangspunt van de campagne is dat pornografie in de afgelopen jaren niet alleen in hoeveelheid maar ook in hardheid is toegenomen. Alleen al in de BRD bestaan nu 350 pornobioscopen, 1000 seksshops en 5000 pornoclubs. Per maand worden er 500.000 pornofilms verhuurd, waaronder 200.000 gewelddadige. Het aantal verkochte pornovideo’s ligt rond de half miljoen per jaar, met prijzen die variëren van 50 tot 200 mark. De totale jaarlijkse omzet in deze branche ligt naar berekening rond de 1.100 miljoen mark .

Ter illustratie van die banaliteit en hardheid publiceerde Emma aan het begin van haar campagne, in oktober 1987, een aantal interviews met vrouwen die in de porno-industrie werken. De selectie was bepaald niet gemaakt op grond van arbeidsvreugde: dwang, geweld en misbruik voerden de boventoon. Het volgende nummer bevatte een greep uit de beschikbare harde porno, om het publiek duidelijk te maken over wat voor materiaal de discussie nu eigenlijk ging. Prompt werd deze Emma uit de handel genomen, wat de merkwaardige situatie opleverde dat een blad waarin pornografie wordt aangeklaagd niet meer verkocht kon worden, terwijl de schappen van de kiosk rustig mochten doorzakken onder het gewicht van de daar verzamelde blote dames.

En als altijd toonde Alice Schwarzer zich een eersteklas organisator. Want terwijl iedereen zich beijverde om stelling te nemen en andere media behendig op de discussie insprongen, publiceerde Emma de Duitse vertaling van Andrea Dworkins boek Pornography: men possessing women, waarin een vlammende vergelijking tussen jodenhaat en vrouwenhaat de rode draad vormt. Schwarzer had de achillespees beet, en liet niet meer los:

“Als we zeggen dat pornografie de geseksualiseerde, vernederende onderdrukking van vrouwen is, dan begint dat natuurlijk al bij dat keurige, onnozele Playboy konijntje en eindigt dat bij gemartelde vrouwen. Ik ben vanzelfsprekend tegen antisemitisme, en gelukkig leef ik in een land waar jodenhaat niet meer mogelijk is en verboden is. De beelden die ons omringen en die onze verlangens, behoeften en gedragingen vormen, zijn in de laatste 10, 15 jaar op een onbeschrijfelijke manier verruwd en gevoelloos geworden. Er wordt in toenemende mate een beeld van ons getoond, dat ons tot tweederangs burgers degradeert. Waartoe dit leiden kan, daaraan heeft Dworkin, die vrouw en jodin is, ons herinnerd. Voor men zich het recht kan toeëigenen om miljoenen mensen te martelen en te doden, zoals wij Duitsers met de Joden hebben gedaan, moet je ze eerst degraderen tot mensen met wie je zoiets doen kan. Aan de gaskamers van de Nazi’s gingen vanzelfsprekend propaganda oorlogen vooraf, waarin Joden als ondermensen getoond werden. En nu worden wij vrouwen uitgebeeld als ondermensen.”

Alle losgewoelde emoties en debatten werden uiteindelijk naar een concreet doel geleid, dat het hoogtepunt van de campagne is gaan vormen: Emma kwam eind november met een eigen wetsvoorstel rond pornografie. De kern daarvan luidt dat vrouwen, langs civielrechtelijke weg, pornofabrikanten kunnen vervolgen wegens belediging. Gevangenisstraf is daarbij niet aan de orde, dat kan alleen binnen het strafrecht. Wel kan een schadevergoeding geëist worden; daarvoor is gekozen omdat de portemonnee de meest gevoelige plek van de producent is. De rechter kan tevens beslissen dat de steen des aanstoots uit de handel wordt genomen. In het voorstel is de procedure alleen voor vrouwen toegankelijk.

Schwarzer legt uit waarom Emma dit wetsontwerp gemaakt heeft: “Voor ons, voor Emma, is het niet de eerste keer dat we tegen pornografie in het geweer komen. In 1978 hebben we met een vergelijkbare, vrijwel identieke redenering een proefproces tegen Der Stern gevoerd. We kregen indertijd van de rechter te horen: naar mijn mening hebben jullie het morele gelijk aan je kant, maar jullie zijn hier aan het verkeerde adres. Er bestaat geen wet tegen pornografie, jullie moeten je tot de wetgever wenden. En dat doen we nu.”

Opmerkelijk is het grote aantal positieve reacties op het wetsontwerp. De politici die deelnamen aan het forum rond het voorstel, waren ronduit enthousiast. Rita Süssmuth, CDU minister voor gezinszaken, zei letterlijk dat ze het voorstel ‘zeer verwelkomde’. Renate Schmidt (SPD) vond het ontwerp ‘goed en noodzakelijk’, Verena Krieger (Grünen) ‘heel goed’. Süssmuth heeft meegedeeld een hoorzitting over pornografie en over het voorstel te zullen organiseren, de SPD is bezig met een interne discussie. De Grünen werken aan een verbetering van de voorgestelde tekst en willen het voorstel waarschijnlijk in de Bondsraad indienen. Een saillant detail is de bijval van Elfriede Jellinek, een Oostenrijks schrijfster wier boeken nogal eens het predikaat ‘pornografisch’ ten deel is gevallen.

Negatieve reacties zijn er uiteraard ook. De kritiek is in grote lijnen vergelijkbaar met wat indertijd in Nederland te horen viel. Der Spiegel sympathiseert bij monde van haar redacteur Hellmuth Karasek met Emma’s kritiek op pornografie, maar twijfelt sterk aan de gekozen weg. Strafrecht of civielrecht, het blijft de sterke hand van de staat die ingeroepen wordt. Uitgever Rowolt – overigens de vaste uitgever van Schwarzer – vreest voor de vrijheid van meningsuiting en van de pers, en vindt Emma’s argumentatie wat al te gemakzuchtig. De zo snel tot stand gekomen coalitie tussen Emma en de CDU minister wordt verdacht gevonden: moral majorities doemen als angstvisioen op.

De zaak Emma vs. Dr Oetker

Met de discussie over het wetsontwerp is ook de discussie over het al of niet bestaan van een oorzakelijk verband tussen pornografie en geweld tegen vrouwen weer opgelaaid. Schwarzer zelf gaat er van uit dat zo’n verband bestaat: pornografie is in haar ogen een voorbode van gewelddadigheid, en tegelijkertijd een voorbereiding daarop; een soort vingeroefening. Pornografie maakt mensen murw, veroorzaakt blindheid tegenover onrecht en maakt geweldsgebruik makkelijker te aanvaarden. Die opvatting wordt door anderen met kracht bestreden: pornografie voorkomt juist dat mensen mannen naar gewelddadiger middelen grijpen.

Een interessant punt van het wetsvoorstel van Emma is dat het zich heeft losgemaakt van dergelijke, waarschijnlijk onoverbrugbare, verschillen in inzicht. Het voorstel zoekt de grond voor een gang naar de rechter immers niet in de eventuele bedreiging die van pornografie uitgaat, noch in de mogelijkheid dat pornografie geweld zou aanwakkeren. De grond voor een aanklacht is belediging, niets meer en niets minder. Een tweede punt is dat deze procedure per definitie neerkomt op een toetsing achteraf: op voorhand wordt niets verboden, een rechter kan hooguit na publicatie en op grond van een aanklacht beslissen dat het product in kwestie uit de handel wordt genomen. Het meest opmerkelijk aan het wetsvoorstel is dat het aansluit bij een ontwikkeling die al langer in de vrouwenbeweging gaande is: de verschuiving van het strafrecht naar het civielrecht.

In het strafrecht gaat het altijd om een procedure die de staat zelf aanspant, middels haar vertegenwoordiger: de officier van justitie. Het slachtoffer treedt op als getuige, en heeft nauwelijks invloed op de gang van zaken: op welke grond de verdachte gedagvaard wordt, op de straf die geëist wordt. Ook schort het nogal aan de informatie die het slachtoffer krijgt over de voortgang van de procedure, hoewel er sprake is van verbetering. De laatste jaren hebben feministische advocaten er daarom voor gepleit meer gebruik te maken van het civielrecht. Er kan dan bijvoorbeeld schadevergoeding worden geëist in plaats van gevangenisstraf, zaken draaien niet om vage, conservatieve noties als ‘schending van de eerbaarheid’ of ‘aantasting van de zedelijkheid’ maar worden gevoerd op grond van toegebrachte schade of veroorzaakt leed. Ook niet altijd even concrete gronden, dat geef ik onmiddellijk toe, maar grijpbaarder dan de zedeprekerij die de staat nogal eens aanvoert. Een ander voordeel van het civielrecht is dat procedures vaak sneller zijn (bijvoorbeeld via het kort geding, dat gewoonlijk al binnen twee weken afgerond kan worden) en meer mogelijkheden biedt. Het straatverbod, dat een aantal verkrachters is opgelegd, is daar een goed voorbeeld van.

Er zitten echter de nodige haken en ogen aan Emma’s wetsvoorstel. Schwarzer herinnerde aan de overeenkomsten tussen dit voorstel en het proefproces tegen Der Stern. Die zijn inderdaad groot, op een cruciaal punt na. De omslagen van dat blad zullen hoogstwaarschijnlijk niet onder de definitie ‘pornografie’ vallen, en dat is nu juist het gebied waarop het voorstel betrekking heeft. De term pornografie wordt gewoonlijk gereserveerd voor materiaal dat verkocht wordt met het oogmerk lust te wekken, opwinding te veroorzaken; de omslagen van Der Stern worden gemaakt met het doel Der Stern te verkopen. Vrouwen als lokkertjes, smaakmakers in reclame of als smeermiddel bij het opbouwen van een image dienen niet de lust (in welke kromme variant dan ook), maar uitsluitend de verkoop. Seks om de seks valt gewoonlijk onder de noemer pornografie (en dus onder Emma’s voorstel), seks-als-extraatje juist niet. Het gewone, alledaagse vrouwenbloot blijft dus onaantastbaar.

Hoewel dat waarschijnlijk niet Emma’s bedoeling was, heeft de beperking tot ‘pure’ pornografie zo zijn voordelen. Ik moet er niet aan denken dat elke afbeelding van of met bloot voor aanklachten vatbaar zou worden: omdat dan ook voorlichtingsboeken of vormen van erotiek waar Schwarzer wel voor voelt en, naar schatting, een derde van al het bestaande beeldmateriaal onder vuur komt te liggen. Omdat ‘t een schot voor open doel voor elke preutse bevolkingsgroep zou zijn. Omdat sommige van die advertenties gewoon grappig zijn. Maar vooral omdat zo’n brede inzet van het ontwerp zou betekenen dat het probleem bij een enkel plaatje wordt gelegd, alsof dat schuld draagt aan de bizarre positie van dames in de wereld. Het gaat niet om die ene foto, die ene reclame, maar om de massaliteit en de eenzijdigheid ervan. Als vrouwen even frequent in andere situaties zouden worden afgebeeld en mannen even regelmatig als sensueel object werden getoond, was er al een boel gewonnen: het stereotype zou gebroken zijn. Zoiets valt niet bij wet te bereiken, in ieder geval niet met een pornowet.

Een andere manier van kijken evenmin, terwijl een fors deel van het probleem daar ligt. We zijn immers steeds meer gewoon geworden om naar afbeeldingen te kijken alsof de betekenissen die wij, de kijkers, eraan geven, inherent zijn aan die beelden. Alsof een hoge hak ‘uit zichzelf’ opwinding veroorzaakt, alsof een rode mond ‘vanzelf’ geilheid betekent. Welnee – de maker van zo’n beeld heeft bepaalde intenties en middelen om die intenties over te brengen, en met wat mazzel ziet de kijker die meegegeven bedoeling in een oogopslag. Zeker in het geval van stereotypen, vertrouwd als ze zijn door het vele gebruik, is dat niet moeilijk. Maar doorslaggevend is altijd de betekenis die je als kijker zelf geeft; vandaar ook dat eenzelfde pornofoto door de doorsnee feminist en de idem macho zo verschillend geïnterpreteerd kan worden. Bovendien overheerst de neiging om te geloven dat beelden ‘echt’ zijn, iets over de werkelijkheid vertellen – alsof foto’s niet geretoucheerd, modellen niet bijgelapt en uitgelicht, betekenissen niet gecreëerd, situaties niet geënsceneerd zijn. We kijken naar afbeeldingen alsof ze ons kunnen vertellen hoe het ‘echt’ is, hoe het is en hoort.

‘t Mooiste voorbeeld daarvan vind ik de verpakkingen van taartmixen. Prachtige roomkastelen staan daar, en al knoeiend met slagroomspuiten poogt de argeloze koper die droomtaart te evenaren en noemt zijn product een misbaksel als ie niet genoeg lijkt. Wie realiseert zich ooit dat de taart op het pakje van gips is, gemaakt door iemand die daar dagen aan werkt, en dat hij na afloop van de fotosessie wegens oneetbaarheid de vuilnisbak ingaat in plaats van een watertandende mond? Zo kijken we maar al te vaak: zo, als op die foto, hoort het. Ik wil de mannen niet de kost geven die denken: Zo horen vrouwen eruit te zien, zo horen ze zich te gedragen. Beelden maken we tot normen, beelden nemen we als maatstaf voor beoordeling van de werkelijkheid, en dat bestrijd je niet met het recht alleen met een lachbui.

Een ander heikel punt is de term ‘belediging’. Een rekbaar begrip. Het lijkt me niet onmogelijk dat vrouwen die het feminisme een minder warm hart toedragen, op grond van diezelfde wettekst een verhaal waarin een lesbische vrijpartij voorkomt kunnen aanklagen. Een belediging immers, te veronderstellen dat keurige vrouwen zoiets zouden doen! Belediging is ook een zwaktebod, in mijn ogen. De kern van een democratie is dat mensen er heel verschillende opvattingen over goed en kwaad, over recht en onrecht op mogen nahouden. Dat betekent per definitie dat de ene groep opvattingen in ere kan houden, die kwetsend zijn voor de andere, maar wel legitiem. Verstandiger lijkt me om de zaak scherper te stellen en vast te houden aan inmiddels de rechter ook niet vreemde termen als seksisme en discriminatie.

Wie weet waar Joop Wilhelmus woont?

In Nederland overweegt de PvdA om, bij de almaar wachtende anti discriminatiewet, een amendement in te dienen waarin ‘belediging wegens sekse’ strafbaar gesteld wordt. Niet speciaal om porno mee aan te pakken, maar de tekst zou daar wel voor kunnen worden gebruikt. De Emancipatieraad heeft op voorhand gesteld niet voor een dergelijke wijziging te zijn, omdat die ook feministische publicaties zou kunnen treffen. Met enig gepuzzel is ook daar wel weer een mouw aan te passen, maar elegant lijkt die oplossing niet.

Iets verderop, in hetzelfde wetsartikel, wordt gesproken over uitlatingen die aanzetten “tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen vanwege hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht of hun seksuele gerichtheid”, een gevolg van de motie die PvdA lid Kosto indiende bij de behandeling van de pornowet in 1984.

Dat lijkt de tekst die de meeste mogelijkheden biedt om pornografie wettelijk te lijf te gaan. De anti-discriminatiewet komt overigens niet voor 1989 in behandeling, als hij alle strubbelingen al overleeft; bovendien blijft het een kwestie van strafrecht. Heikelien Verrijn Stuart wees er op dat het Nederlands recht nu al voldoende mogelijkheden biedt, variërend van een verbod of inbeslagname tot schadevergoedingen

Maar een punt lijkt iedereen over het hoofd te zien. Mocht iemand een zaak willen beginnen tegen Der Stern of tegen Playboy, dan kan dat, in ieder geval technisch gezien. Wil iemand echter een proces aanspannen tegen een meer obscuur blad als Nymph Lover of Lolita, vaak de vindplaats van tot triestheid stemmende porno, dan duiken onverwachte barrières op: naam en adres onbekend. Heb je ooit geprobeerd Joop Wilhelmus, de uitgever van Chick, te lokaliseren? Ik wel. Nergens in het blad staat een adres, de postbusnummers horen bij BV’s die onderdeel zijn van BV’s die op hetzelfde postbusnummer zitten als … Exit procedure. Het lijkt me niet veel gevraagd van de Nederlandse wetgever om van porno producenten, nu de handel geheel en al gelegaliseerd is, te eisen dat ze openheid verschaffen over hun beheersstructuur en hun financiële reilen & zeilen. Een kwestie van economisch recht en fiscale plicht, dunkt me. Met als neveneffect dat er weer met iets meer feitenkennis over pornografie gesproken kan worden.

Schwarzer zelf is overigens realistisch genoeg om de gevolgen van dit (of enig ander) wetsvoorstel adequaat in te schatten. Ze gelooft niet dat pornografie op deze manier bestreden kan worden, maar hoopt vooral dat het voorstel zelf en eventueel latere rechtszaken reacties los zullen maken. “En dan? Dan wordt er over gediscussieerd. Eindelijk.” Wat dat betreft heeft de rechter wellicht een vooruitziend vonnis geveld: “Mevrouw, het morele gelijk is aan uw kant. En daarbij moet ik het tot mijn spijt laten.”

Lust is bevochten zelfvertrouwen

Begeerte, zin, genot, trek, plezier, welbehagen, hartstocht – het woordenboek noemt het allemaal. En toch bestaat er nauwelijks overeenstemming over wat lust nu eigenlijk is, en liggen de misverstanden voor het oprapen. Bijvoorbeeld deze: lust is erotiek, erotiek is seks, seks is bloot, en bloot is lust. Met liefst veel vrouwen. Ook in de vrouwenbeweging is de misvatting wijdverbreid dat lust hetzelfde zou zijn als seksualiteit, evenals het idee dat lust een gevaarlijk terrein is zodra er mannen bij betrokken zijn. Onder vrouwen mag het, mits met mate en vergezeld van verplichte debatten over onderdrukking versus bevrijding.

Seksualiteit is hooguit een van de vele uitdrukkingsvormen van lust. Zonder Van Dale te controleren – de verhouding tussen autoriteit en lust is immers vaak moeizaam – hou ik het erop dat lust het streven is naar voldoening, een diepe drang naar voldaan zijn over jezelf en je verhouding met de buitenwereld. Innerlijke tevredenheid zou ik bijna zeggen, als dat begrip niet zo’n huiselijke suggestie van met-pantoffels-bij-de-kachel zou oproepen. Lust is datgene wat iemand ondergaat wanneer hij of zij zichzelf waarmaakt. Wanneer je je eigen ideaalbeeld een stapje dichter nadert, ook al is dat eventueel maar voor een ogenblik; en dat benaderen van een ideaal gaat gepaard met het idee dat je iets meer greep op jezelf hebt en daardoor – wie weet – op de wereld om je heen.

Erotiek is de zintuiglijke versie van lust: indrukken – via muziek, geuren, beelden of flitsen daarvan – die als evenzovele ingrediënten worden gebruikt om een eigen fantasie op te bouwen. Erotiek is zelf scheppen. Erotisch materiaal is een bouwpakket waarbij als enige regel geldt: zelf in elkaar zetten. Daarbij is meerzijdigheid een vereiste; alleen dan kun je elementen aantreffen die als bouwstenen voor een eigen fantasie gebruikt kunnen worden. Een objet trouvé waar je iets eigens aan toevoegt, eventueel naar beproefd recept. Het is die eigen inbreng die het verschil tekent tussen erotiek en pornografie: jij, de kijker, bent degene die het erotische aspect erin aanbrengt of herkent; het is geen kant-en-klaar gegeven waarvan op voorhand duidelijk is dat de makers dat, en alleen dat, er doelbewust hebben ingelegd.

Om die reden is erotiek, in tegenstelling tot lust, niet cultuur- en tijdgebonden. Het uitbouwen van en spelen met indrukken, met andere woorden het naar eigen believen afmaken en invullen van een beeld, is van alle tijden. Voor lust geldt dat niet. In elke cultuur (en subcultuur) gelden verschillende waarden en normen omtrent identiteit en sociaal gedrag van mannen en vrouwen. Die ideaalbeelden veranderen, en daarmee ook de waardering van specifieke kwaliteiten of eigenschappen van individuen. Ook de waardering die je zelf toekent: denk maar aan de vrouwen die zich een jaar of tien geleden opgewekt in een tuinbroek hesen en die nu hooggehakt en kortgerokt over straat stappen.

Of ze beter af waren in die tuinbroek? Een onzinnige vraag. Waar het gewijzigde modebeeld in feministische kringen in mijn ogen op duidt, is een verandering in zelfbeeld en zelfwaardering. De tuinbroek zei: het gaat me om wie ik ben en wat ik doe, niet om mijn uiterlijk, en ik wens me niet aan te passen aan andermans normen. De huidige, zakelijker kleding, is niet minder praktisch (al die zakken in een colbertje zijn een uitkomst: verlost van de handtas!), misschien op de schoenen na – hoewel je die als wapen niet moet onderschatten. Een flinke trap op scheen- of kruishoogte… Het pak zegt: ik ben een verstandig mens, wellicht zelfs mooi, maar haal je vooral niets in je hoofd.

Het gaat in beide gevallen om manieren om jezelf waar te maken, en om het genot van het (eventuele) slagen daarin. Dat stapje dichter bij het ideaal kan op veel terreinen gezet worden. Daarom is lust vermoedelijk de beste beschrijving van wat een vrouw ondergaat die na een misschien moeizame studie het diploma van de dagschool voor volwassenen uitgereikt krijgt, of van de computerhobbyist die ‘t ding na veel geploeter zover heeft dat een spelletje vlekkeloos werkt. Van het innerlijke plezier bij het aantrekken van kleren waarvan je weet dat ze je goed staan, en van de heimelijke fierheid -kop in de wind- als je aan de blikken van anderen merkt dat dat inderdaad zo is. Van het genoegen wanneer je de overschrijving van je eerste salaris bij de post vindt: je hebt bewezen dat je iets kunt, waard bent – en niet alleen in eigen ogen. Lust heeft alles te maken met trots: lust is gewonnen, of beter nog: bevochten zelfvertrouwen.

Waar laat een naakte man z’n handen?

Niet alleen de vrouwenbeweging weet niet precies wat ze onder erotiek wil verstaan. De Playgirl-redactie suggereert weliswaar deze wijsheid in pacht te hebben, getuige haar slogan “Mis geen maand uw eigen lijfblad: Playgirl, erotisch magazine voor dames”. Voor dames nog wel… Zo’n aankondiging schept, in combinatie met de glossy uitvoering van het blad, visioenen van een blad van standing dat elke vrouwelijke yup zonder gêne op heur postmoderne salontafel kan laten slingeren. Hoe chic is toch de erotiek!

Maar al op de derde bladzij zitten we midden in de problemen. De redactie moet haar onmacht bekennen en legt de hamvraag ten einde raad aan de lezeressen voor, als gold het een referendum. “In dit eerste nummer van PLAYGIRL staan vele aantrekkelijke mannen, maar … ze werden niet volledig naakt gefotografeerd. Wij, de redactie van PLAYGIRL, willen graag weten of u het daarmee eens bent, of dat u liever volledig naakte heren in uw LIJFBLAD ziet staan. Laat het ons weten! Stuur een briefje of kaartje aan…”. Hoe democratisch: wat erotiek is, wordt uitgemaakt door de stem van de meerderheid.

Het Opzijpubliek is overigens, heel attent, niet vergeten. Indachtig de uitgesproken voorkeur van de gemiddelde Opzijlezeres voor katten zijn daar maar liefst drie items rond gekozen. Niet alleen een fotoserie rond een speler uit de musical Cats die zich schminkt, maar bovenal, oh wonder, een uitgeklede kat. Een naakt, haarloos en vooral exclusief dier waar liefhebbers duizenden gulden voor neertellen. Een beetje een zielig beest, met al die huidplooitjes en dat verschrompelde koppie. En – vanwege die onbeantwoorde hamvraag? – is zelfs deze kat zo kuis gefotografeerd dat niet te ontdekken valt of het een mannetje of een vrouwtje is.

De modereportages ontbreken niet, evenmin als Linda van Dijck, Jeroen Krabbé en Huub Stapel. Ook bevat het blad een minikwisje, en een rubriek waarin de laatste snufjes en mooie onnutte kado’s worden aangeprezen. Playgirl onderscheidt zich al met al weinig van andere moderne vrouwenbladen; het verschil zit ’em vooral in de nadruk op probleemrubrieken, recepten en patronen (Viva), werk en carrière maar toch vrouwelijk blijven (Cosmopolitan), respectievelijk de halfblote meneren.

Wat opvalt aan het blad – ik zeg het met spijt – is het gebrek aan erotiek. De Playgirlheren blikken enigszins ongemakkelijk de camera in, doen iets ingewikkelds met een handdoek omdat de redactie een slecht marktonderzoek heeft laten uitvoeren, of kijken quasi nonchalant de rook van hun sigaret na met het bovenste knoopje van hun broek open. Een geile blik? Wellustig hun handen over hun lichaam strelen? Een zweem van overgave? De dames die het blad in handen hebben flirtend of uitdagend aankijken? Welnee, ze wekken eerder de indruk dat ze niet weten waar ze hun handen moeten laten nu ze hun broek of jasje niet aan hebben.

Playgirl is de kneuterigheid ten top. Niet alleen doordat meer dan de helft van het blad volstaat met ongevaarlijke, in elk blad gangbare artikelen, of vanwege de al te platte en clichématige opvatting van erotiek, maar vooral omdat elke durf ontbreekt. Tekenend is een kort verhaal van Bea Oving: ze ontmoet tijdens een bezoek met haar enigszins saaie minnaar Wilco aan een nachtclub, een mannelijke stripper met wie ze een hijgerige dans op het podium uitvoert. Neemt ze vervolgens de benen om de nacht door te brengen met haar ‘koffiekleurige stuk’, de ‘chocoladekleurige spetter die haar bloed doet tintelen in haar onderbuik’? Welnee. Dat zou Wilco maar kwetsen. Als een braaf meisje gaat ze met haar saaie Wilco mee. Zuchtend.

In de tijgersluiphouding op het biljart

Het grote misverstand rond erotiek -iets wat de redactie van Playgirl vermoedelijk nimmer zal doorgronden- is dat erotiek iets met naaktheid te maken zouden hebben. Er zijn honderden, zo niet duizenden, situaties en foto’s denkbaar waarin volledig ingepakte dames en heren dingen doen die uitermate inspirerende gedachten bij de toeschouwer oproepen; en de ontelbare foto’s van naakte mannen en vrouwen die inmiddels geproduceerd zijn, bewijzen dat de hoeveelheid kleding beslist niet omgekeerd evenredig is aan het lustopwekkend potentieel.

Naaktfoto’s van het type Playboy & -girl werken als een soort stenografie: de open mond duidt op gewilligheid, het achterovergebogen hoofd op overgave. De entourage (kleding, decor) verwijst naar glamour en rijkdom, de luxe van een leven gewijd aan seks zonder hinderlijke alledaagse beslommeringen De pornografie bestaat bij gratie van seksuele clichés. Die voorspelbaarheid is zowel haar kracht als haar zwakte: alles is zo overduidelijk, zo expliciet, dat de kijker alle betekenissen in één oogopslag ontsluiert. Of zoals Rudi Kousbroek het ooit formuleerde: “…als een stekker en een stopcontact. Je weet ogenblikkelijk waar het een en waar het ander toe dient.”

Juist die rechtstreeksheid maakt pornografie zo saai. De fantasie is verstrikt en gevangen geraakt in clichés, in stopwoorden. Voorwaarde voor een erotische foto of tekst is in mijn ogen dat je erin kunt dwalen, speurend naar een detail, verrast en geïntrigeerd kunt raken door een tegenstrijdigheid of oneffenheid. Erotiek koop je niet als hapklare brok bij de AKO om de hoek, maar maak je zelf. Want wat is erotiek anders dan de zinnelijke versie van lust, van zelf een zinnelijke beleving scheppen die aan jouw fantasie tegemoet komt

De erotiek ligt op straat

Met een doe-het-zelf-blik op de wereld valt er veel erotisch genoegen te beleven. Ook aan heren. Jan Mulder wees er in een van zijn columns in de Volkskrant bijvoorbeeld al op dat sport in toenemende mate een bron van sensueel plezier aan het worden is. “…verlokkende beelden van over elkaar heen rollende handballers tijdens de training (..) Alle Verenigde Staten hangen aan de buis en schijnen zich te verlekkeren aan de strakke pantalons, die de spierbundels van de footballers in bedwang houden (..) De snookerspelers liggen vaak languit op het laken en de smokingbroek gaat hierbij schitterend spannen om de flanken van de cracks. Snooker prikkelt de zinnen. Close up: zeven rode ballen liggen stil in het licht van de kristallen luchters te glimmen en je weet dat een prachtige snookerspeler net buiten het beeld in de tijgersluiphouding op het biljart ligt (..) De toekomst van de sport is aan de erotiek.

Opmerkelijk is trouwens het optreden van de heren musici in videoclips. Zijn mannen in het dagelijks leven vaak wars van enigszins opvallend lichamelijk vertoon – op het nadrukkelijk tonen van spierbundels na, misschien – de videoclip lijkt een soort vrijplaats te zijn. Make-up, buitenissige kleding, uitdaging, openlijk geflirt, sensuele bewegingen – niets uit het erotisch arsenaal van vrouwen lijkt buiten hun bereik. De clip van Prince & Co bij het nummer Kiss verdient wat mij betreft om die reden een ereplaats: een mysterieuze dame gehuld in sluier, Prince zelf die opmerkelijk genoeg ook van zijn eigen lichaam geniet en een vorm van aanstekelijk narcisme tentoonstelt, een pas de deux die onbeslist eindigt, plus een ironisch geamuseerde Wendy die de wedstrijd gadeslaat en ons eraan herinnert dat ook wij slechts toeschouwers zijn. Sport en clips: misschien een tip voor de redactie van Playgirl?

Een tikje wilder, amiga…

Terug naar de lust. Een belangrijke, terugkerende vraag is hoe vrouwen tegenover lust staan. Kunnen vrouwen van harte genieten? Er zijn gegronde redenen om somber gestemd te raken. Vrouwen twijfelen – door de buitenwacht daarbij regelmatig een handje geholpen – vaak aan hun eigen kunnen; dat schept nu niet bepaald een degelijke basis voor een lustvol bestaan.

En veel vrouwen kampen met zaken die genot ondermijnen. Hun financiële positie bijvoorbeeld: bestaat er lust onder de armoedegrens? Of de dubbele belasting: is er tussen huishouden, kinderen en baan nog wel tijd om onbekommerd en zorgeloos te genieten? Vrouwen bezoeken twee keer zovaak als mannen hun huisarts, één op de elf vrouwen gebruikt dagelijks tranquilizers en ruim vijftien duizend vrouwen zijn aan alcohol verslaafd. Ze zijn geven makkelijker geld uit voor man en kinderen dan om zichzelf te verwennen. Dat zijn stuk voor stuk verschijnselen die eerder verwijzen naar een tekort aan zelfvertrouwen dan naar het bevechten daarvan.

Ook hun fantasieën zijn zelden groots en meeslepend. De inzendingen onder het motto “Sla munt uit uw lust” kenmerken zich door ingetogenheid. De grootste uitspatting lijkt te bestaan uit in je eentje een mokkataart opeten of zeven boeken tegelijk kopen. Niemand rept van een woeste nacht in het allerduurste hotel, van een superchique cruise door de Caïriben, van banken beroven en het geld verbrassen in Las Vegas, van een komeetachtige carrière of van een reis om de wereld op een vlot. Willen vrouwen zich onverdroten in de lust storten, dan is bescheidenheid taboe en eigengereidheid plus een flinke dosis gezond egoïsme een eerste vereiste.

Niet bij dweilen alleen

Waarom zou lust voor vrouwen een bijzonder onderwerp moeten zijn? Seksueel geweld, ongewenste intimiteiten, mannelijke definities van seks, heterovooroordelen… de riedel is waar maar bekend. Er zijn echter twee minder geaccepteerde, maar misschien belangrijker argumenten voor dames om zich in theorie en praktijk bezig te houden met lust & erotiek.

Namelijk, dat lust maar al te vaak als last wordt beschreven, als iets dat vrouwen niet (meer) aan zou gaan tenzij onderling maar dan wel in stilte, en: als een onderwerp dat tot verhitte koppen en onwrikbare fronten leidt. De patstelling en de akelige afwezigheid van elk verfrissend idee op het lustfront waar de vrouwenbeweging momenteel mee tobt, zijn een rechtstreeks gevolg van wat inmiddels het debat tussen puriteinen en perversen is gaan heten. Aan de ene kant vrouwen die zich met hart en ziel inzetten tegen seksueel geweld in al zijn vormen en die soms in fatalisme vervallen over de toekomst van de lust omdat ze te vaak met de gevaarlijke kanten zijn geconfronteerd. En aan de andere kant de vrouwen die niets te dol was en die, zoals Katijf het ooit kernachtig uitdrukte, de seksuele revolutie nog eens over wilden doen maar nu voor vrouwen – zonder de inmiddels ontdekte nadelen van diezelfde revolutie in ogenschouw te willen nemen.

Niet meer nadenken over erotiek, lust en wat dies meer zij is in mijn ogen funest. Voor individuele vrouwen, die regelmatig te kennen geven niet tevreden te zijn over hun seks- en lustleven en ‘iets anders’ willen maar niet goed weten wat. Zo’n debat kan mogelijk alternatieven, een andere kijk of houding helpen ontwikkelen.

En zeker voor de vrouwenbeweging zelf lijkt een hernieuwde discussie van belang. De activiteiten op het seks- en lustfront lijken zich momenteel vooral te concentreren op de misstanden: het in kaart brengen van de ellende. Een fixatie daarop kan het slachtoffergevoel dat bij veel vrouwen bestaat alleen maar versterken. En geen enkele beweging kan bestaan bij het inventariseren van de rampspoed alleen. Het is pure noodzaak om te dweilen en die kraan dicht zien te krijgen, maar tegelijkertijd is het essentieel om te laten zien dat er meer is dan verkrachting, mishandeling en incest.

Alleen al voor het bewaren van een gezond evenwicht is aandacht voor lust belangrijk, en bovendien kunnen plezier en genot tegenwicht bieden aan de begrijpelijke neiging om alleen nog maar machtsmisbruik, geweld en gevoelloosheid te kunnen zien. Juist voor vrouwen die heel beschadigende ervaringen hebben ondergaan, kan het essentieel zijn om lust en erotiek te verkennen. Want stel dat je incestslachtoffer bent en uiteindelijk besluit aan de bel te trekken: de hele hulpverlening stort zich op je en alles en iedereen bevestigt hoe verschrikkelijk zielig en erg het allemaal is. Je wordt gereduceerd tot die incest – die bepaalt je wereld. Zou het na verloop van tijd niet prettig zijn om positieve, plezierige, zelfs spannende alternatieven aangereikt te krijgen? Als overlevingsstrategie, om te ondervinden dat lust niet alleen last hoeft te zijn?

Bovenal: lust is plezierig, en noodzakelijk. Geen verlangens voelen, geen wensen meer koesteren – dat is de doodsteek voor een beweging, voor een individu. Want wat is erotiek, wat is lust anders dan zelf scheppen en daarmee ook een beetje jezelf scheppen? De kortste omschrijving van erotiek die ik ken is levenslust: je het leven toeëigenen. En daar is het tenslotte allemaal om begonnen.

Kan mijn kat ongelijk hebben?

ALS OPZIJLEZERES HEEFT u vast een kat. Hoe behandelt u die? Veel aaien, kroelen, af en toe een spelletje met een touwtje of een namaakmuis, en ‘s avonds tweestemmig snorrend in bed? Als oprecht kattenliefhebber zal het volgende u dan tegen de borst stuiten, maar verschillende katten in mijn omgeving blijken te floreren bij een straffer aanpak: gooi- en smijtwerk, een flink pak slaag, en liefdevol jennen. De mijne is sinds kort verslingerd aan meppen. Liefst met de vlakke hand in een stevig ritme op haar achterwerk, net iets boven haar staart. Ze mauwt klagelijk bij elke onderbreking: of je zo vriendelijk wilt zijn om door te gaan. Sindsdien mep ik er regelmatig lustig op los. De kat geniet. Ook van aaien, trouwens.

De schok die in de vrouwenbeweging ontstond toen een aantal dames zich bekend maakte als feministische SM-ers was wellicht groter, maar van dezelfde orde. Feminisme en sadomasochisme leken even onverenigbaar als katten en slaan – dat deed je niet.

Dracula versus de buren

VEEL VERWARRING ONTSTAAT doordat onduidelijk is wat SM inhoudt; associaties met mishandeling of nazistische taferelen zijn snel gelegd, maar niet terecht. SM is niets meer, niets minder dan het plagen, tarten, beknotten en soms bezeren van een partner met diens uitdrukkelijke toestemming, met de bedoeling dat beiden daar opgewonden van worden. Daar is geen folterkamer of krakend militair schoeisel voor nodig. Dergelijke misvattingen zijn alleen de wereld uit te helpen door te benadrukken dat bij SM vrijwilligheid een voorwaarde is. De druk of dwang die erbij te pas kan komen, is relatief: als een SM-er ‘nee’ zegt, is het nee.

Dat maakt de vraag naar een morele uitspraak over SM dan ook lichtelijk belachelijk. Niemand heeft het recht om te oordelen over wat twee mensen binnenskamers in vrijwilligheid doen, of dat nu klaverjassen of elkaar vastbinden is. Als buitenstaander kun je alleen zeggen of het jou wat lijkt of niet. Van die twee mensen heb je af te blijven, net zoals het onbehoorlijk is om een willekeurige huisvrouw aan te vallen op haar manier van leven. Een diskussie erover voer je in mijn ogen over het verschijnsel, over de manier waarop een en ander voorgesteld wordt, niet om moreel te oordelen over mensen.

Klimaatsverbetering, zorgen dat de wenkbrauwen zich niet langer zorgelijk of afkeurend fronsen: oftewel de emancipatie van SM van gewantrouwde perversiteit tot geaccepteerde seksuele variant. Die taak stelt de SM-beweging zich, en niet voor niets. De doorsnee-reactie op SM is van dien aard dat mensen zich wel tien keer bedenken voor ze anderen laten weten SM te beoefenen. Er bestaat bovendien onder SM-ers een duidelijke behoefte aan een plek waar ze vrijelijk kunnen spreken en contacten kunnen leggen, zonder zich zorgen te hoeven maken over eventuele consequenties. Voor sadomasochisten heeft de VSSM, de Vereniging Studiegroep Sadomasochisme, een vergelijkbare betekenis als het COC vroeger voor homoseksuelen: een baken in een onverschillige, soms zelfs vijandige buitenwereld. De VSSM organiseert ontmoetingsdagen, geeft een blad uit (Kerfstok), houdt voorlichtingsbijeenkomsten en poogt de beeldvorming rond SM bij te schaven.

De SM-beweging benadrukt dat het absoluut niet ongewoon is dat enige mate van dwang of van pijn als opwindend wordt ervaren, en dat zoiets mensen niet tot abnormaal bestempelt. Sadomasochisme is eerder iets dat ook je buren doen dan Frankensteins favoriete tijdverdrijf.

Vreemd genoeg treedt er op dat punt een merkwaardige paradox aan het licht. Een belangrijk element van SM – de reden ook dat mensen nieuwsgierig op bijeenkomsten over SM afkomen of zich giechelig afvragen hoe het zou zijn om hét te doen – is dat het als anders ervaren wordt. Juist daardoor prikkelt het de fantasie gigantisch. Het is de vraag of SM, ondanks de inspanningen van onder andere de VSSM, ooit echt ingeburgerd zal raken en als volstrekt ‘normaal’ zal worden ervaren. Meer nog is het de vraag of SM-ers zelf uiteindelijk dat aura van geheimenis en spanning wel willen opheffen. Het normaliseren van SM betekent dat die intrigerende kern vervalt; en ook al wil je dan niet voor Frankenstein aangezien worden, Dracula is en blijft een stuk prikkelender dan de buren.

Coupe Royale

DE VERKLARING DIE de VSSM geeft voor het intrigerende karakter van SM, steunt vooral op de entourage die erbij te pas komt. De zweepjes, de kettingen, de kledij en de enscenering zijn cruciaal. De definitie van SM wordt op die manier sterk afhankelijk van het gebruik van attributen. Regelmatig bekruipt me overigens het gevoel dat niet alleen de SM-beweging maar ook haar opposanten in dezelfde valkuil vallen: een overmatige aandacht voor de gebruikte attributen. Zo valt regelmatig het verwijt te horen dat SM-ers, juist vanwege hun uitdossing, associaties met nazistische terreur en martelpraktijken zouden oproepen. Precies datzelfde verwijt kan echter gericht worden aan delen van de kraakbeweging of van de homobeweging, of aan motorfanaten en legerofficieren. Opmerkelijk toch, dat alleen de SM-praktisanten om die reden aan de schandpaal worden genageld. Misschien omdat zij als groep minder geaccepteerd zijn?

Het is de vraag of het terecht is om de definitie van SM zo te laten bepalen door de gebruikte attributen. Ik denk dat de grens aanmerkelijk vager is. Een voorbeeld: als je partner ervan geniet om overgeleverd te zijn, kun je dat ‘afdwingen’ door hem of haar aan het bed te binden met touwen of een riem. Maar eenzelfde effect van machteloosheid kun je teweegbrengen door met enige kracht een knie op een opengedraaide dij te zetten – geen ontkomen aan. In het eerste geval zal het SM genoemd worden, in het tweede niet; puur vanwege het ontbreken van uiterlijk vertoon. Ook machtsspelletjes kun je uitstekend af zonder leren pakken of verpleegstersuniform; met woorden en lichaamstaal kom je heel ver.

Natuurlijk zijn er genoeg situaties waarbij attributen niet zomaar weggelaten kunnen worden; je moet verdomd lange haren hebben om daarmee een tik met een zweep te kunnen imiteren. Maar wat ik duidelijk wil maken is dat de sterke nadruk die de Vereniging legt op de entourage van SM een vertekening oplevert. Het zijn niet de attributen de ‘speciale’ spanning van SM oproepen; dat is meer een kwestie van vormgeving. Het gaat bij SM in essentie om de wetenschap over en weer dat je elkaar uitdaagt en opwindt tot het uiterste, en dat lekker vindt. Is dat besef er niet, dan helpt een zweep ook niet. Die veroorzaakt dan maar lachbuien of verschrikte gezichten.

De terminologie die in de SM-beweging in zwang is geraakt, is niet bepaald geschikt om dat laatste, vrij essentiële punt te verduidelijken. Integendeel. De vrouwen die zich met SM – soms ook harde of stevige seks genoemd – bezighielden, zochten een omschrijving voor alles wat niet SM was en plakten daar uiteindelijk, enigszins denigrerend, het etiket ‘vanilleseks’ op. Vanille, het woord zegt het al: lief, zoet en plakkerig. Bah. En daardoor leek het in één klap alsof spanning en sensatie aan seks met zweepjes was voorbehouden, en de rest als achtergebleven gebied moest worden beschouwd; hopeloos ouderwets in vergelijking met zoiets intrigerends als SM. Die schijnbare tegenstelling is inmiddels gemeengoed geworden in de SM-beweging. En daarmee bereikt ze precies datgene wat de SM-beweging niet (en misschien eigenlijk ook weer wel) wil: een strakke scheiding tussen SM en de rest.

Hokjesgewijs

ZO LAVEERT DE SM-beweging tussen ‘eigenlijk heel gewoon’ en ‘toch wel heel bijzonder’. Dat dilemma, SM als normaal geaccepteerd willen zien zonder tegelijkertijd de exclusiviteit ervan te hoeven prijsgeven, is op dit moment niet op te lossen. Dat hangt samen met de manier waarop de Vereniging SM ziet: als een afgeronde, complete seksuele identiteit. Je doet niet aan SM, nee, je bent SM-er. Dat is het verschil tussen zeggen dat je een stuk schrijft of zeggen dat je schrijver bent; het verschil tussen ‘dat is me mislukt’ en ‘ik ben mislukt’. Je benoemt niet je handelingen, maar jezelf.

Vreemd is dat niet; het is eerder gewoonte dan uitzondering dat mensen hun seksuele gewoontes als kenmerkend onderdeel zien van hun ik, en zichzelf en anderen definiëren aan de hand van de vraag met wie of hoe ze het doen. Dat heeft nogal wat consequenties. Het suggereert dat je daarmee een uitputtende beschrijving van iemands (seksuele) karakter geeft, alles wat erin zit hebt opgesomd. Dat maakt ook dat het jezelf toemeten van zo’n etiket de betekenis van een bekentenis heeft gekregen: je openbaart daarmee je diepste ik, je geeft je kern bloot, hebt alles gezegd wat er te zeggen valt over dat onderwerp. Zulke identiteiten sluiten elkaar bovendien uit – je bent óf heteroseksueel óf homoseksueel, alletwee kan niet, en voor noodgevallen hebben we een speciaal hokje ingeruimd dat biseksualiteit heet. Het lijkt warempel wel alsof je in het stemhokje staat: kies, kies! klinkt het, en in drie partijen tegelijk wel iets zien is verboden op straffe van het ongeldig verklaren van je stem.

Nu geloof ik absoluut niet dat mensen zo in elkaar zitten; ik hang wat ik gemakshalve de cocktailtheorie noem aan, en ben er van overtuigd dat mensen alles wat er aan seksuele mogelijkheden te bedenken valt, in huis hebben. De mix kan van persoon tot persoon verschillen, en welk ingrediënt de overhand heeft staat nooit definitief vast. Seksualiteit is in mijn ogen geen afgerond en vaststaand iets dat al dan niet geheel tot ontplooiïng wordt gebracht, en van opgelopen deuken of vals bewustzijn moet worden ontdaan. Eerder is het een complex van gevoelens, ideeën en mogelijkheden die letterlijk al doende (en lerende) ontstaan, en die eindeloos veranderd en verder ontwikkeld kunnen worden, en gedeeltelijk afhankelijk zijn van de sociale omgeving waarin mensen leven.

Het COC – om het even bij het vorige voorbeeld te houden – komt steeds meer tot een vergelijkbare conclusie. Die moest bijvoorbeeld constateren dat van haar oude doelstelling, de integratie van homoseksualiteit, niet veel terecht komt. Wat wel lukt, zij het mondjesmaat, is de integratie van homoseksuelen – wat heel iets anders is. Integratie van homoseksualiteit zou immers betekenen dat homoseksuele handelingen als normaal onderdeel van ieders seksueel gedrag wordt opgevat, en daar is absoluut geen sprake van. Homoseksualiteit is weggeduwd in een hokje, veilig ondergebracht bij ‘de anderen’, en de grens tussen wij en zij is steviger dan ooit.

De VSSM loopt, als ze niet goed op haar tellen past, het risico in dezelfde valkuil te belanden. Ze spreekt over ‘sadomasochisten’, alsof dat een aparte categorie mensen is, en neemt daarmee al te makkelijk de etiketten over die de buitenwereld hen opplakt. De buitenwereld ziet het hokje als eng, de VSSM als anders – maar het is en blijft een hokje. Werkelijke seksuele vrijheid betekent in mijn ogen niet dat mensen vrij kunnen kiezen voor een seksuele identiteit; hokjesgewijze emancipatie houdt de noodzaak van een exclusieve, andere mogelijkheden uitsluitende keus immers in stand. Echte vrijheid op seksueel vlak ontstaat pas als er geen sprake van of / of meer is en elke cocktail mogelijk is. De ene keer doe je het met een meneer, de andere keer met een mevrouw; soms rechttoe rechtaan, soms met fantasierijke en uitgebreide ensceneringen. Maar asjeblieft geen etiketten, geen hokjes. Neem nou mijn kat: die vindt alles lekker, en het zal haar worst wezen of het mannen- of vrouwenhanden zijn, zachte of stevige liefkozingen. Als ze maar geniet.

Spruitjes en vanille

TERUG NAAR SM en feminisme. De opstelling van de groep vrouwen die de diskussie over feminisme en SM opende, was opmerkelijk; ze vroegen – terecht – niet met neergeslagen ogen om ook een plekje onder de feministische zon, maar kondigden aan dat ze er waren. De reacties waren ronduit opzienbarend: verhitte koppen alom, boze stukken in een aantal vrouwenbladen, een vechtpartij op een festival over vrouwen en seksualiteit, de vrouwenagenda weigerde bijdragen over SM. Het is tekenend dat dit het eerste artikel over SM in Opzij is. De ruzie concentreerde zich op twee vragen: is SM onderdrukkend of juist bevrijdend, en: is SM feministisch?

Waarom SM feministisch zou zijn, is nooit echt duidelijk geworden. Aanvankelijk was de redenering simpel: wij zijn feministen; wij zijn SM-sters; SM is dus feministisch. Op dezelfde manier valt natuurlijk te bewijzen dat spruitjes eten feministisch is, of, om het dichter bij huis te houden, dat gezien het lezerspubliek van Opzij, katten vrouwvriendelijker huisdieren zijn dan honden.

Het tweede argument was dat ze, juist door aan SM te doen, veel feministischer werden. SM leert je immers omgaan met macht, en juist vrouwen hebben moeite om met machtsverhoudingen overweg te kunnen. Vooral voor vrouwen is SM, met z’n nagebootste machtsrelaties in een relatief veilige omgeving, een uitstekende leerschool. Dat lijkt een legitimering achteraf. Als het je om een beter begrip van macht is te doen, kun je waarschijnlijk beter een kursus volgen bij de Stichting Burgerschapskunde; dat is wat eenvoudiger, dunkt me. Het is goed mogelijk dat je via SM iets wijzer wordt over macht; maar dat is dan niets meer dan een prettig nevenverschijnsel. Daar doe je het niet voor. SM doe je omdat je het lekker vind, omdat je erdoor geboeid bent, en niet uit sociologische liefhebberij.

Maar de vraag waarom SM feministisch zou moeten zijn werd eigenlijk nooit gesteld, door beide partijen niet. En als puntje bij paaltje komt is het natuurlijk een vreemde redenering dat alles wat een feministe doet ook feministisch zou moeten zijn – veel bezigheden lenen zich sowieso niet voor zo’n soort vraag. Katten aaien is katten aaien; chocola eten of douchen is niet seksistischer dan taart eten of een bad nemen. Simpelweg omdat SM met seks te maken heeft, een onderwerp dat de vrouwenbeweging van oudsher veel belang inboezemde, stortte alles wat zich feminist noemde zich er bovenop, of bewaarde een ijselijk zwijgen in de trant van: Mams wil het níet horen, hou daar ogenblikkelijk mee op.

Wat zonde was. Is. Want hoewel SM en feminisme inhoudelijk geen klap met elkaar te maken hebben, kan de vrouwenbeweging wel iets leren van de SM-beweging. Want ook al zet ik kanttekeningen bij de strategie van de VSSM, inhoudelijk zijn ze op minstens één punt een stuk verder dan de vrouwenbeweging: plezier. Want met alle energie die de vrouwenbeweging steekt in het inventariseren van de ellende, wil nog wel eens vergeten worden dat seks meer is dan onderdrukking alleen. Veel meer. En het is ontegenzeggelijk waar dat de vrouwenbeweging op seksueel vlak veel te braaf, misschien zelfs wel angstig is geworden. Lust, geilheid, en opwinding zijn termen die je in de vrouwenbeweging haast niet meer tegenkomt. Het besef dat seks spannend en overrompelend kan zijn, lijkt – in ieder geval in de theorie – compleet verloren te zijn. Wat dat betreft is het optreden van de SM-dames heel verfrissend. En zeg nou zelf: kan mijn kat ongelijk hebben?

De Venus van Milo in de betonmolen

De Venus van Milo in de betonmolen geeft de lezer zowel een ervaring als een analyse van erotiek. Het beoogt bouwstenen aan te reiken, voedsel voor eigen fantasieën te leveren. Het is een boekje om in te dwalen, een boekje om te proeven. De tekst en de afbeeldingen, de aanwijzingen voor muziek in de kantlijn, ze zijn allemaal bedoeld als suggesties waarmee de lezer een rijkdom aan indrukken kan opdoen. Ingrediënten die zij op zich in kunnen laten werken en zich toe kunnen eigenen.

Omslag Venus in de betonmolenDetails:

Uitgeverij SUA – Amsterdam 1986 – ISBN 90-6222-137-8 – 47 pagina’s – plm f 15 – rijk geïllustreerd

Bestellen:

Misschien nog tweedehands

Flaptekst:

De Venus van Milo in de betonmolen geeft de lezer zowel een ervaring als een analyse van erotiek. Het beoogt bouwstenen aan te reiken, voedsel voor eigen fantasieën te leveren. Het is een boekje om in te dwalen, een boekje om te proeven. De tekst en de afbeeldingen, de aanwijzingen voor muziek in de kantlijn, ze zijn allemaal bedoeld als suggesties waarmee de lezer een rijkdom aan indrukken kan opdoen. Ingrediënten die zij op zich in kunnen laten werken en zich toe kunnen eigenen.