Vakantieschool

VIER WEKEN GELEDEN vlogen we over Fuerte Ventura. We zagen veel kale grond en voorts, langs de kust, vers aangelegde vakantiedorpen. Ik wees een instantdorp aan. ‘Misschien komen we daar wel terecht,’ zei ik verbaasd tegen mijn lief toen we ons verdrongen voor het miniraampje en het vliegtuig de daling al had ingezet. In de folder stond immers dat het dorp zich op tien minuten rijden van het vliegveld bevond. ‘Bij die blauwe daken, bijvoorbeeld.’

En jawel. Het hotel bleek te bestaan uit rond een zwembad gegroepeerde appartementen, met verderop een restaurant alwaar het inclusieve ontbijt en diner konden worden geconsumeerd. Net Sporthuis Centrum, maar dan met meer zon, en je hoefde niet zelf te koken noch af te wassen. Kortom, ‘t was zalig. We zijn slechts twee keer van het terrein af geweest, eenmaal om tot onze enkels in de Atlantische Oceaan te gaan staan en elkaar daarbij te kussen, en eenmaal om drank in te slaan bij de lokale supermarkt. Voorts deden we niets dan slapen, praten, vrijen, in de zon liggen, lezen, elkaar insmeren en zwemmen. En, heel belangrijk: tijdens de maaltijden goed rondkijken.

Zo’n vakantie-eetzaal blijkt namelijk zeer leerzaam. Er vielen interessante observaties te maken over hoe de angst voor schaarste egoïsme in de hand werkt: bij alles dat lekker geacht werd, schepte men extra op uit angst dat de betreffende schalen bij de tweede ronde leeg zouden zijn, met als evident gevolg dat ze daardoor juist sneller leeg raakten (waardoor iedereen zich naderhand uiteraard in zijn gelijk bevestigd achtte). Mensen fourageerden en tastten hun borden hoog op, ook al was het half acht en werd er tot negen uur nieuw eten aangevoerd. Twee dunne dametjes cirkelden als haviken om het buffet en maakten per maaltijd wel zeven rondes, zodat wij gingen vermoeden dat ze in Nederland op voorhand expres hadden gevast. Zodra er ijs als dessert was, ontstonden er files ter lengte van die voor de Brienenoordbrug (en hier was maar één wandelbaan).

Maar het meest interessant waren de ouders. Ten eerste waren er daar nogal wat van: naar schatting maakten ze tweederde van de volwassen vakantiegangers uit. Buiten hen was er een forse groep oudere echtparen, en een enkel verdwaald jonger stel. De ouders hadden gemiddeld twee kinderen. Het waren voornamelijk Duitsers; er was een handvol Britse pappa’s en mamma’s. We hebben geen Nederlands stel met kinderen kunnen ontwaren, die week.

Er waren een paar leuke pappa’s en mamma’s bij. Die bemoeiden zich oprecht met hun nakomelingen en waren beiden druk het kroost te voeren, het rustig te houden, het lieve woordjes toe te prevelen en te doen wat men voorts zoal doet met kinderen. Niettemin moesten die kinderen vaak huilen of verveelden ze zich. Beide opties leidden doorgaans tot veel rumoer: er werd gekrijst of gejengeld. Waarna er des te heviger diende te worden gekalmeerd en afgeleid en beziggehouden, zodat pappa en mamma er al met al zelf nauwelijks toe kwamen rustig iets te eten of te genieten van hun toch ook zeer welverdiende vakantie.

Het gros echter bestond uit klassieke gezinnen. Die met van die pappa’s die vooral vader waren, benevens hoofd van het gezin, maar wie de zorg kennelijk geen zier kon schelen. Zij aten namelijk, en haalden op gezette tijden bij het buffet een nieuwe lading voor op hun bord; de mamma’s moesten in hun up de kinderschaar in toom zien te houden en wisten tussen de bedrijven door zelf net drie happen te eten. Zo ouderwets heb ik het in geen jaren meer gezien, en ik schrok er nogal van.

Maar dat was het werkelijk gruwelijke niet. Het echte erge was dat je aan al die tafels kon zien dat kinderen hebben een verhouding tussen twee mensen totaal verandert. Want of paps en mams het nu samen deden en prettig geëmancipeerd de taken verdeelden, of dat ze een feministische nachtmerrie in een notedop presenteerden – het maakte niet uit. Nergens was een ouderpaar te bekennen dat zich bezig hield met elkaar. Daar was geen tijd meer voor; de kinderen vraten alle aandacht op. De volwassenen spraken niet met elkaar, ze gingen niet samen eten halen, ze grapten niet en kletsten niet: ze hadden corvee, ook op vakantie.

Nu realiseer ik me dat niet alle ouders zulk werk als moeizame taak beschouwen, en dat ze het zelf eerder als liefdewerk zullen betitelen. Maar de tol die het eiste was al te zichtbaar. Ze waren nooit alleen. Ze hadden geen verhouding met elkaar meer, doch met hun kinderen.

Daarna dacht ik: zoals elke vrouw die een abortus wil officieel drie dagen bedenktijd in acht moet nemen vooraleer ze toestemming krijgt, zo zou elk prospectief ouderpaar eerst een week naar zo’n vakantieoord dienen te gaan ter heroverweging van hun beslissing, opdat ze kunnen zien wat het met hun verhouding doet. Daar weer na dacht ik: maar iedereen in Nederland is toch al wel ‘s naar Sporthuis Centrum geweest? Daar weer nader dacht ik: geen wonder dat er zo weinig Nederlandse stellen met kinderen waren…

[geschreven op 12 mei 1996 (da’s moederdag, ja)]

Pardon, daar gaan we weer

SOMS ZIJN ER van die momenten. Niet die van – bliep – koffie, maar wel voor je zelf. Dat je namelijk daarna ineens weer snapt waarom je ooit een bepaald standpunt betrokken hebt, en dat verdedigde. Het bewuste standpunt in een notedop: trouwen mag dan ouderwets zijn, iedereen heeft natuurlijk het recht ouderwets te wezen. En zolang dat huwelijk omkleed is met tal van voordelen die door de constructie van het burgerlijk huwelijk per definitie aan een belangrijk segment der samenleving ontzegd worden, is er iets tamelijk fundamenteel mis. Ach, een doordeweekse mening, verder niks pervers, revolutionairs of recalcitrants aan, integendeel.

Maar dan komt de weekendkrant op tafel en bij lezing daarvan – tijdens het uitgebreide zaterdagse ontbijt – blijkt juist de discussie over het homohuwelijk een dusdanige hoeveelheid venijn en achterbakse redeneringen bij de tegenstanders naar boven te halen, dat ik me ineens weer realiseerde dat zo’n doordeweekse mening als ik erop nahoud, in sommige kringen het summum van provocatie is. En dat de discussie misschien juist daarom zinnig is – niet omdat men voorstander is van het huwelijk, doch omdat de tegenspeler zich al debatterende vies in de kaart laat kijken. (Oftewel: het homohuwelijk als gereedschap ter ontmaskering van homohaat, en het debat erover als failliet van het heterohuwelijk.)

De rubriek ‘Open Forum’ in de Volkskrant van 6 april bevatte een vertaalde bijdrage uit de New York Times. Kop: ‘Homohuwelijk is in strijd met Amerikaanse waarden’. Auteur: Lisa Schiffren, speechwriter voor voormalig vice-president Dan Quale (Uweetwel, die man die ‘aardappel’ niet op z’n Engels kon spellen en die zo boos was over die tv-serie waarin een ongetrouwde moeder voorkwam).

Homohuwelijk in strijd met Amerikaanse waarden – welja, ze doet het niet voor minder, deze Lisa. Het land dreigt ten onder te gaan als we het hohu invoeren, is de implicatie, en alles wat mooi en patriottisch is dreigt dan ten onder te gaan door gebrek aan burgerzin. Los van de vraag of iemand ooit heeft kunnen definiëren wat ‘Amerikaanse waarden’ zijn (valt het gelieg en bedrieg van Watergate eronder? De afschaffing van de slavernij? Het recht op vrije meningsuiting? Het no pay, no cure waarmee advocaten zich aan burgers opdringen, en de zondvloed aan rechtszaken waarmee burgers en instanties elkaar dientengevolge belagen? Het terroriseren van abortusklinieken? Gay Pride in San Francisco? De preutsheid van de Parent Teacher Association, die heavy metal als des duivels bestempelt? Valt Prince eronder? Michael Jackson? Madonna? OJ Simpson? De Freemen in Montana?) – ik heb zelden zo’n staaltje onbenul gelezen. En dat van iemand die zich op politiek hoog en invloedrijk niveau bevond. De huiver slaat je om het hart.

“Voor de meeste Amerikanen heeft het huwelijk iets heiligs, een element dat in andere relaties – seksuele, juridische of economische – ontbreekt,” schreef ze al in de tweede kolom. Ach, mevrouw de speechwriter, is het huwelijk dan uitsluitend een sacrament? Waarom het is dan verbonden met juridische, seksuele en economische rechten en plichten? Als het huwelijk sacraal is, waarom het dan laten sluiten door een overheid? Bestaat er op dat vlak dan geen scheiding van kerk en staat, ondanks het feit dat de Amerikaanse overheid – en ook de onze, net zoals de meeste Europese overheden – die scheiding streng respecteert? Verwart U hier niet ideologie met staathuishoudkunde, mevrouw de speechwriter?

“In de kern is het huwelijk een verdrag voor het leven tussen man en vrouw, gericht op seksuele trouw en het krijgen en opvoeden van kinderen. (…) De samenleving hecht waarde aan stabiele heteroseksuele relaties omdat die noodzakelijk zijn, zowel voor een solide opvoeding van kinderen als voor de overdracht van waarden waarop de Amerikaanse cultuur berust.”

Kunnen die waarden – whatever they may be – dan alleen door heteroseksuelen worden overgedragen? En zijn huwelijken van mensen die geen kinderen willen, dan niet ‘echt’? Wat vindt U van echtscheiding, mevrouw Schiffren? Of nee, laat maar. Ik denk het antwoord wel te weten.

“Of homoseksuele relaties duurzaam zijn, is vanuit maatschappelijk bezien van weinig belang.”

Gaat U wel vaker met zo’n dramatisch gebaar voorbij aan individuele mensen, mevrouw Schiffren, een onduidelijk ‘algemeen belang’ hoger stellend? En was het niet juist Uw kamp dat zo hamerde op die vieze promiscuïteit van homoseksuelen? Dat die slecht was, en aids bevorderde bovendien? U gebruikte het vermeende gebrek aan duurzaamheid eerder wel als maatschappelijk argument, mevrouw Schiffren.

“De samenleving heeft echter wijselijk besloten alle huwelijken, kinderloos of niet, over een kam te scheren. Anders zou de overheid iedereen die in ondertrouw gaat naar zijn of haar motieven en verlangens moeten vragen.”

Dat klinkt alsof U het eigenlijk niet prettig vindt dat zulks niet gebeurt, mevrouw de speechwriter, en eigenlijk liever heeft dat iedereen die trouwt, ook verplicht kinderen krijgt. Uit eerbaarheid, en vaderlandsliefde. En te Uwer troost: in Nederland worden ondertrouwers al uitgebreid naar hun motieven gevraagd. Namelijk wanneer een van de huwelijkskandidaten uit een ander land komt. Stel je toch voor dat ze zouden willen trouwen om er voordeel uit te slaan, mevrouw Schiffren! Ongehoord, wat U zegt. Dat die buitenlanders trouwen om economische redenen dat doen, bedoelt U? Maar dat doen Nederlanders – en ik neem aan Amerikanen – toch vaker, is het niet? Iets met pensioenen, en erfenissen? Huizen kopen? En alimentatie? Misschien is het helemaal geen slecht idee aan het huwelijk inderdaad een degelijk kruisverhoor te laten voorafgaan!

“In het traditionele huwelijk is het enige aspect dat werkelijk voor het leven bindt, de gedeelde verantwoordelijkheid voor kinderen.”

U meent het! Trouwen mensen dan nooit uit liefde? Is het nooit de liefde die mensen bindt, en samenhoudt? Is het hehu dan zo wankel dat er kinderen aan te pas moeten komen om het te stutten? Is dat wat U bedoelt? Homoseksuelen voeden overigens vaak kinderen op, en wensen daar juist de gedeelde verantwoordelijkheid voor. U wilt hen die ontzeggen? Maar die kinderen gingen U toch juist bovenal?

“Ook homoseksuele paren kunnen samen kinderen opvoeden, en enkele zullen dat misschien ook doen. Maar dan gaat het altijd om kinderen van een van de partners en een buitenstaander.”

U meent het! Zal ik U een geheim verklappen, mevrouw Schiffren? Dat gebeurt in heteroseksuele huwelijken ook! Dat iemand scheidt, en hertrouwt, en de zorg voor andermens kinderen draagt – herstel: van kinderen die voor de helft van een ander zijn. Sterker: je hoeft er helemaal niet voor te scheiden. Er worden veel kinderen opgevoed wiens biologische vader niet hun wettelijke vader is, mevrouw de speechwriter. Dat heet, in Uw vocabulaire, ‘overspel’ en ‘bastaard’. Er worden, erger nog, ook kinderen opgevoed die geen biologische vader hebben. Die was namelijk dood. Wat U zegt, het moest verboden worden.

Wat U eigenlijk zegt, is dat het heterohuwelijk niet deugt. Mevrouw Schiffren, misschien moesten we het hele huwelijk maar afschaffen. Dat is wel zo fair. Want die hetero’s maken er ook maar een potje van. (Oh, dat mens tegenover je te mogen hebben in een heus debat. Villen. Verbaal.)

Gezinswaarden

HET BLIJFT EEN heet hangijzer, dat trouwen. En natuurlijk moet het mogen, al was het maar om er daarna met een grandioos gebaar van af te kunnen zien (zoals veel heterosuele mensen ook willen, kunnen en doen). Allerlei rechten die heterosuele stellen bij een trouwakte gratis in de schoot geworpen krijgen (de voogdij over hun kinderen, adoptierecht, erfrecht, verlaging van het successie-tarief, pensioenrecht) horen vanzelfsprekend ook homosuele stellen toe te kunnen vallen.

Maar mijn hemel, wat heeft het een boel voeten in aarde. Iedereen vertrappelt zich om er iets over te zeggen, en wat er al doende omgewoeld wordt brengt een paar vieze vette wormen naar boven.

“Ja maar HO!”, roept iemand, “dan mogen ze ineens ook kinderen adopteren! En dát kunnen we niet hebben!” Want dat zou zo zielig zijn voor de heteroseksuelen, nietwaar, is de implicatie. Bovendien zou het de aanvoer van kinderen uit derde-wereldlanden maar doen stokken, wordt beweerd. Dat is een beetje een smerig argument, vind ik, want veel van die kinderen komen via adoptiebureau’s die het niet bijster veel uitmaakt aan wie ze een kind bezorgen, als er maar geld op tafel komt. En laatst schijnt iemand die veel over adoptie heeft geschreven, en de zelf drie adoptie-kinderen heeft, gezegd te hebben: “Adoptierecht voor homoseksuelen is unfair jegens het kind. Dat zal op school geplaagd worden met z’n homoseksuele ouders, en het kind heeft het toch al zo moeilijk, juist omdát het geadopteerd is.” Het zal best dat kinderen van homoseksuele ouders geplaagd worden op school, maar dat worden roodharige kinderen ook, evenals beugel- & brillendragers, zwarte kinderen, lelijke kinderen, kinderen die steeds tienen halen, kinderen die geen Nikes hebben en kinderen die slecht in gym zijn.

Sowieso is het vreemd dat adoptie nu ineens de crux van de discussie lijkt te gaan worden. De kranten en nieuwsshows putten zich uit en vinden homostel na homostel dat voor kinderen zorgt, waarbij mannen veruit favoriet zijn. De onderliggende toon is niet een waarbij duidelijk wordt dat zulks regelmatig gebeurt, dat het deswege onzin is daar zo zwaarwichtig over te somberen en dat ook zonder trouwpartijen en adoptieperikelen mannen allang voor kinderen zorgen, en dat ze dat goed doen; de toon is veeleer een aangepaste en zoetgevooisde versie van het rariteitenkabinet. Kijk! Een mannenstel met een kind. Lijken ze niet net op de vrouw met de baard, of met de drie borsten?

En toch – hier wordt er tenminste over gediscussieerd, en wordt er op parlementair niveau een serieus voorstel gedaan voor het homohuwelijk. Bravo, Anne-lize! Wie de Amerikaanse voorverkiezingen volgt en ziet hoe de Republikeinen over homo’s spreken, kan niet anders dan concluderen dat homoseksualiteit daar thans dezelfde plaats in de campagnes inneemt als in de jaren vijftig het communisme: die van een hetzerige boeman, een demon die wordt geïnvokeerd om te laten zien hoe vuig, pervers en destructief de tegenpartij is en hoe onbesproken menzelf is. Je tegen homoseksualiteit verzetten is in conservatieve kringen in de VS zo ongeveer het bewijs geworden van persoonlijke eerbaarheid en van de verdediging van familiewaarden – terwijl het omgekeerde even zo makkelijk te bewijzen is. Als homoseksuelen willen trouwen, als ze kinderen willen, dan zijn zí­j toch bij uitstek de nobele ridders die het gezin verdedigen, en niet hun tegenstanders?

Zo zei Forbes – de miljonair die dacht een presidentszetel te kunnen kopen, en die zich gelukkig zojuist heeft teruggetrokken – toen hij gevraagd werd naar zijn mening over het homohuwelijk tegen de New York Post: “I’m afraid I’m hopelessly conventional. If you want to live together, fine. If you want to have a life together, fine. All I can say is, compassion is not approval.” (bron: euroqueer-digest, Internet). Met andere woorden: je mag het heus wel doen, als het maar in het geniep is en als je maar geen rechten wilt opeisen; alleen op die voorwaarden zal ik het door de vingers zien. En dan te weten dat Forbes’ eigen pappa een closet-queen was…. Je zou haast denken dat hij zich verborg voor z’n eigen zoon.

De Amerikaanse Demokraten zijn grosso modo te angsthazig om homosuelen te verdedigen; frank en vrij uitroepen dat vooroordelen nog nooit iemand een stap verder hebben geholpen, is tot mijn diepe spijt er niet bij. Clinton durft niet eens zijn belofte waar te maken dat homoseksualiteuit geen ontslaggrond meer mag zijn binnen het leger – een belofte waar hij godbetere wel veel stemmen mee heeft gewonnen, aangezien grote delen van de Amerikaanse homowereld hun hoop op hem hadden gevestigd. En wat deed hij, na het incasseren der stemmen? Nada. Je wordt nog steeds uit het leger geflikkerd als homosueel (oh, wat had ik graag dat Colin Powell ook zo bleek), ondanks Clintons beloftes; laat staan dat hij iets als het homohuwelijk wenst te verdedigen, of althans de vooroordelen van de Republikeinen daaromtrent durft aan te vallen. Wie homoseksualiteit verdedigt, tornt aan de positie van heteroseksuelen; wie homoseksuelen verdedigt, komt aan het gezin. En wie aan het gezin komt, deugt niet. Zo wordt homofobie een ware gezinsdeugd. Getver.

De vraag of het homohuwelijk het gezin aantast, wordt niet gesteld – laat staan dat iemand suggereert dat het homohuwelijk het gezinsdenken juist steunt.

Mannen en sport

DAT IK EEN aversie tegen sport heb, moet welhaast een jeugdtrauma zijn. Ik had een hoogst onaardige opa die er elk familiebezoekje mee verpestte. Hij was een ordinaire huistiran, die zijn kinderen sloeg, zijn vrouw grof behandelde, haar bij hem liet bedelen om huishoudgeld, schold als er door zijn krenterigheid te weinig op tafel stond en zichzelf van het allergrootste belang benevens geniaal achtte.

(Ik heb op elfjarige leeftijd een overwinning op hem behaald. Hij verbeterde ongevraagd mijn huiswerk voor de extra lessen Frans die we in de vijfde klas kregen. Ik was boos, want er was volgens mij geen fout die correctie behoefde. Opa wist om wel duizend gulden zeker dat hij gelijk had. Ik daagde hem uit en vroeg hem er een weddenschap van te maken. Nou, pfff, zonder problemen hoor. Ik vertrouwde hem niet, en zei dat je dan een contract moest opstellen. Dat deden we; we tekenden beiden. Hij verloor, en ik kreeg niets. Zelfs geen excuses. Ook snapte ik toen ik dertien was dat ‘langs de weg’ geen goede vertaling was van ‘by the way’, waarna we weer ruzie kregen.)

Opa was sportgek. En hij was de enige in de familie, mijn vader zij geloofd en geprezen. Als we op zondag bij Opa en Oma waren – altijd op zondag – moest, wat er ook aan de hand was, zowel ‘s middags op de radio als ‘s avonds op tv Studio Sport aan. Voor het voetballen. ‘Nulll – één,” ik hoor het die afgemeten radiostem nog zeggen. Opa met de toto erbij, waar hij zijn kruisjes controleerde. De rest van de familie kroop onderwijl bijeen in de keuken, want Opa schreeuwde zo hard bij het horen en zien van de prestaties of stomheden van anderen, dat je niemand anders meer kon verstaan. In de keuken was het koud. Er moest een gaspit aan om ons warm te houden. Binnen schreeuwde Opa zich in het zweet.

Verjaardagen, Sinterklaas, of het hele huis nu vol zat met bezoek of niet: het donderde niet. Op zondag ging Studio Sport aan. Opa’s wil was wet.

Niemand daar in huis had de autoriteit om de tv uit te zetten, of een kanaal van meeste-stemmen-gelden te kiezen. Wat zou er gebeurd zijn, vraag ik me wel eens af, als iemand simpelweg had ingegrepen en de knop had omgedraaid? Ik vermoed dat Opa van woede ontploft zou zijn, en de boel kort en klein had geslagen. Of verkruimeld was: z’n liefste speelgoed hem wreed ontnomen.

En verdomd. Wat me bij alle deliberaties over het Sportkanaal opvalt is niet de woede over de slinkse onderhandelingen van de KNVB, noch de politieke vragen (die overigens nauwelijks beantwoorden worden: moet een organisatie die kennelijk zo goed verdient, gesubsidieerd worden? Moet de winst niet naar het vergoeden van voetbalvandalisme of aangewend worden ter betaling van die politie-begeleide treinen en bussen?) maar de gebroken mannen die er het gevolg van zijn. Ze moeten gaan betalen om te mogen kijken of verliezen hun monopolie-positie op Nederland 3 als commentator – en als een gevallen glas op een granieten vloer spatten ze uiteen.

Een greep uit hun commentaren. Ene Evert Jansma merkte dat er ‘even niets door hem heenging, en pas daarna besefte hij de omvang van de ramp ten volle: ‘Ik was behoorlijk aangeslagen en ben pas zondag voorzichtig opgekrabbeld.” Jansma, kennelijk een verslaggever, had het echt te kwaad. Zo ook zijn collega’s, meldt hij. Hij spreekt erover als betrof het de dood van een dierbaar iemand: “We hadden de behoefte even tegen elkaar aan te hangen, maar er was nauwelijks tijd voor. Na een half uur moest er weer gewerkt worden. Er was nauwelijks tijd voor het verwerken.” Macho-reporter Mart Smeets over de klassieke sportvraag wat er door hem heen ging: “Wil je niet zo’n dramatische vragen stellen” [sic]. De chef van Studio Sport rent, hoe gepast met al die onvoltooide rouwprocessen, “van de ene naar de andere vergadering. Tussendoor laat hij af en toe zijn hoofd op de redactie zien: ‘Leven we hier allemaal nog, jongelui?'”

De Volkskrant meldt verder (al deze quotes komen uit één enkele krant, die van de dag na de ramp): “Verstokte fans werken aan een stichting ‘Voetbal op de buis voor iedereen’. Een andere liefhebber meldt dat hij overweegt een claim bij de KNVB in te dienen. Nu hij straks geen voetbal meer kan ontvangen in zijn kabelloos huis, schat hij dat zijn woning een ton minder waard wordt.” “Een optater, dat was het voor iedereen,” meldt Reitsma, ook sport-commentator. Jansma weer, nog altijd in tranen: “Het is me nu te emotioneel. Je moet me nu niet vragen of ik wil overstappen.” Macho Smeets tenslotte vatte het probleem grandioos samen, toen hij gevraagd werd naar zijn mening over de nieuwe uitbater van het Sportkanaal, Willem van Kooten: “Hij heeft Nederland weer bij de pik.”

Wie de sport heeft, heeft de pik.

Volgens mij is de volgende stap dat ze het Sportkanaal in het ziekenfonds willen.

Verkenningen

OP EEN RECENT verjaardagsfeestje dwaalde het gesprek naar het onderwerp ‘ontmoetingen’; in casu: hoe men de meneer of mevrouw waarmee men thans was, precies had leren kennen, en hoe de fase van toevallige kennismaking naar iets innigs was verlopen. Voor alle aanwezigen gold dat men elders had kennis gemaakt – hetzij bij gemeenschappelijke vrienden, hetzij in een min of meer zakelijk bedoelde context – en dat uit die ontmoeting het plan voor een volgend samenzijn was ontstaan, waarna de een de ander had gebeld en er een afspraak was gemaakt ‘om eens iets samen te gaan doen’.

Maar wat doe je dan, op zo’n eerste afspraakje? Dat is de prangende vraag. Men kent elkander amper, er is een vreemde fascinatie, een zinderende verliefdheid of een meer dan middelmatige interesse. Die zou zich tot iets substantieels kunnen ontwikkelen, vermoedt men, maar men weet het niet precies. Is die belangstelling ergens op gestoeld? Allicht, vanwaar anders die wens een afspraak te maken. Maar waarop dan wel? Op een zinneprikkelend fysiek? (Maar dan had je hem of haar misschien ter plekke naar het bed moeten noden. Geef het lichaam wat des lichaams is, doch verbindt daar geen verwachtingen aan, hooguit een ontbijt na afloop. Het was toch ook niet alleen om het vooruitzicht van seks? Nahh. Hoewel: je had na die eerste ontmoeting toch woelend in bed gelegen.) Op een sprankelende conversatie? (Maar die kon ingegeven zijn door de drank die op het feestje of bij het cafébezoek na afloop van de vergadering vloeide.) Op de behoefte aan een heuse verliefdheid? (Maar waarom denk je die in hemelsnaam daar te vinden, bij juist die persoon – hoewel, X was toch wel érg leuk. Toch?) Op intuïtie? (Ja ja, intuïtie. Klinkt heel overtuigend, maar zo’n verklaring is natuurlijk niets dan een legitimatie van – van wat? Ja verdorie, als je dat nu wist, wist je ook waarom je die afspraak wel wilde.)

En zo bibbert en beeft en dubt men naar de afspraak toe. De afspraak waarop uitgemaakt diende te worden of het inderdaad iets was, deze meneer of mevrouw, en wat dan wel en waarom, en daarna zag men wel weer verder.

En waa¡r af te spreken? Op neutraal terrein, uiteraard. Stel je voor dat het weerzien tegen zou vallen en het inderdaad alleen de drank, de momentane eenzaamheid of dito geilheid was geweest die de interesse had veroorzaakt. Dus niet thuis. Dat kan altijd nog. (Na afloop. Niet vergeten van te voren op te ruimen.) In een café? Maar dan zit men daar tegenover elkaar en moet men een conversatie voeren, en of dat mogelijk is weet je nu juist niet… noch of je dat wilt. Voor je het weet zit je met pijnlijke stiltes en verwoede pogingen een moeizame conversatie op gang te houden. Was het toch gewoon om de seks. Bovendien, in je stamcafé kennen ze je en geheid dat je later vragen krijgt over je onbekende gezelschap. De film? Geen denken aan. Met z’n tweeën in het donker, de uitnodiging om handjes en benen te gaan verkennen is al te impliciet en of dat de bedoeling is weet je nog niet, en straks mist X de laatste tram of trein en voor je het weet zit je met een ongewenste logé.

Dus het werd overdag. En het werd het museum, of de dierentuin. Dan heb je tenminste nog iets te doen bij die ontmoeting, is er een onderwerp buiten menzelf waarop men zich kan verlaten. Samen, maar toch veilig. Met anderen erbij, maar toch met de kans iets gemeenschappelijks te creëren want je kijkt naar hetzelfde. Met elkaar kunnen praten, maar niet per definitie over elkaar en toch stiekem kunnen peilen. Zonder doorzichtige smoezen te hoeven verzinnen gewoon kunnen zeggen dat je, als de schilderijen of de dieren op zijn maar eigenlijk omdat de herontmoeting tegenviel, nodig naar huis moet. Dat café of die film, en zeker dat huis, kunnen altijd nog. Men VVV’t kortom flink wat af, zo in de verkennende fase.

Twee van de verjaardagvierende en inmiddels tot een stel geworden aanwezigen meldden – tot grote hilariteit van de anderen – in de eerste twee weken van hun aarzelende verkenningen niet minder dan vijf musea te hebben bezocht voor ze elkaar durfden toe te geven dat ze elkaar inderdaad erg leuk vonden. In een zaaltje van het Kröller Möller konden ze zich ineens niet meer beheersen en waren ze uiteindelijk tot beider verlichting in elkaars armen gezonken, met veronachtzaming van alle kunst die al die tijd hun toevlucht en bliksemafleider was geweest. Twee anderen wisten al na het eerste aquarium in Artis dat ze zich terstond naar de privacy van een hunner huizen dienden te begeven; maar pas toen na afloop van het bezichtigen der dierenstapel in het café de mogelijkheid van een afhaal-Chinees ter sprake kwam, was er een geldig en niet te doorzichtig argument gevonden en reisden ze spoorslags af. Daarna duurde het toch nog uren voor de eerste zoen viel.

Het Openbaar Kunstbezit is kortom een relatiemakelaar.

Het grappige is dat mensen precies dezelfde gedragingen vertonen wanneer een verhouding opnieuw gestabiliseerd dient te worden. De klad komt in het huiselijk verkeer en men verveelt zich in elkanders aanwezigheid, maar boos roepen dat je nu je voorgoed bullen pakt en er de brui aan geeft wil je ook niet, en wat stel je voor? ‘Kom, laten we eens naar het museum gaan.’ Men heeft een brouille met een vriend of vriendin, wil opnieuw de oude vertrouwelijkheid hervinden maar niet alweer praten over de aanleiding tot de ruzie, da’s al zo vaak gedaan en het gaat er nu juist om een nieuwe gemeenschappelijkheid te constitueren, een recente herinnering over de oude te leggen en het verleden niet langer te herkauwen – en wat doen jullie? Op naar het Van Gogh, of Blijdorp.

De VVV heeft al heel wat verhoudingen tot stand gebracht en huwelijken gered. Laten wij de museumjaarkaart en het Hortus-abonnement prijzen. Ook al worden ze, als het goed is, slechts kort gebruikt.

Kinderdromen

ZELF DEED IK het met haar jongere zusje, Skipper. Die had een garderobedoos waarin je haar kon opbergen als spelen niet leuk meer was. Dan hing je Skipper in haar standaard, duwde de twee zijpanelen annex klerenkasten van de doos dicht en sloot het grendeltje. Vaag herinner ik me dat er laatjes in die doos zaten voor het opbergen van pietepeuterige troepjes als kammen, borstels, huisdieren en zacht-rubberen schoentjes. En je moest inderdaad verdomde goed opletten dat je dat minuscule spul niet kwijtraakte; die schoentjes waren nog geen anderhalve centimeter groot. Veel deed ik niet met Skipper, geloof ik. Wat met de kleertjes tutten en na gedane arbeid haar schoenen trachten terug te vinden. Soms haakte ik een jurk voor haar. Met Barbie zelf had ik helemaal niets. Lego vond ik veel leuker.

Die desinteresse schijnt uitzonderlijk te zijn. Barbie is in honderdmiljoenenvoud uitgezet en wereldwijd spelen er miljoenen kinderen met haar. En honderdduizenden volwassenen die zelfs Barbie-beurzen afschuimen in de hoop oude modellen te kunnen of missende onderdelen te kunnen aanschaffen. Sinds ik bezig ben met het bewerken van een Barbie-vertaling (Voor altijd, je Barbie) weet ik meer van het popje dan ooit. Bijvoorbeeld dat het tegenwoordig mode is om veel Barbies te hebben – zes of zeven exemplaren is heel gewoon – en daarbij dan één Ken, die vooral als voetveeg voor de Barbies wordt gebruikt. Ken moet de auto voorrijden. Ken wordt gecommandeerd. Ken is de huisknecht. Ken mag de dames naar hun auto begeleiden en moet dan zelf thuis blijven. Ken is Assepoes.

Wraak, denk ik dan meteen, da’s wraak. Al die meisjes die flink hun gram halen. Lekker hun eigen regels maken en de jongens mogen niet meedoen, hooguit toekijken en hand- en spandiensten verrichten. Op commando.

Al dat gedoe rond uiterlijk en modieuze ensembles en beroepsuitrustingen – hoogst vrouwelijk, naar verluidt – blijkt een stevige leerschool voor feministen. Zelfs Gloria Steinem begon als Barbie-fan, begrijp ik uit het boek. In haar jonge jaren streefde ze zelf een vergelijkbaar uiterlijk na en schreef ze over hoe dat Barbie-ideaal te bereiken was: The Beach Book, een lijvig werk dat geheel gewijd was aan de vraag hoe je er mooi uitziet in een badpak en de aandacht van het schepsel man op het strand op jezelf weet te vestigen. ‘Niets is zo voorbijgaand, zo nutteloos en zo volmaakt begeerlijk als een gebruinde huid,’ merkt Steinem erin op. ‘Een bruine huid zorgt dat je er goed uitziet, en dat rechtvaardigt alles.’

Tientallen jaren voordat Jane Fonda en Barbie zelf de markt veroverden met hun aerobic video’s, schreef Steinem haar vrouwelijke lezers al een strak trainingsschema voor: ze moesten dagelijks twintig armbuigingen maken onder het uitspreken van de onsterfelijke woorden ‘I must… I must… I must develop my… bust’. Verder propageerde ze in haar boek oefeningen als: ‘Zuig aan de muis van je hand. Dit maakt dunne lippen voller, volle lippen steviger en dikke wangen slank.’

Het is daarna alleen maar beter met Steinem gegaan. Met Barbie trouwens ook. Steinem werd een wereldberoemd schrijfster en een gevierd feministe; Barbie bleek een ondernemend rolmodel en was al in de jaren zeventig een succesvol pilote. Alletwee nooit getrouwd, geen kinderen, maar wel de wereld rondreizen en uiterst gevarieerd werk doen. Dat zijn pas vrouwen. (Jammer trouwens dat er nooit een Construction Worker Barbie is geweest. Maar ja, in Barbies upper middle class chic past een vliegtuig wel, en kniebeschermers, een drilboor of een bouwvakhelm ni­et.)

‘t Is een fantastisch en onderhoudend boek. Koopt allen, en zo. Maar de rol die Ken in het geheel speelt: die blijft me dwarszitten. Niet omdat hedendaagse meisjes hem zo ongeïnteresseerd verwaarlozen of wraakzuchtig uitbuiten, en al evenmin omdat Mattel Ken jaar in, jaar uit slechts heeft gepromoot als privébezit, als een van de vele eigendommen van Barbie, en nooit als een zelfstandig personage. Wat ik zonde vind is hoe de schrijfster zelf Kens betekenis bagatelliseert.

In haar Barbie-biografie beschrijft Lord mooi hoe allerhande meisjes – en soms vrouwen – hun eigen projecties op Barbie loslaten en de pop geheel naar eigen hand zetten. Iedereen gebruikt de pop om hun eigen voorliefdes op los te laten. Meisjes vernielen Barbie, feministen maken een vals persbericht over een niet-bestaande Hacker Barbie (een wizz-pop met laptop), zwarte meisjes identificeren zich met Black Barbie of met Hispanic Barbie. Ze fotograferen Barbie en fantaseren zichzelf tot topfotograaf; ze trekken Barbie van alles aan en fantaseren zichzelf tot topmodel. Cineasten maken animatiefilmpjes met Barbie in de hoofdrol, op het web zit een homepage met lesbische Barbies (compleet met bondage-act) en actievoerders verwisselen de teepjes van He-Man en Barbie.

En zou dat met Ken niet gebeuren? Lord schrijft dat hij door veel meisjes in Barbies kleding gehesen wordt, maar dat spreekt voor zich (die van hemzelf is immers akelig saai). Maar wat doen jongens met Ken, of liever: mannen? Laten die nooit hun fantasieën op de pop los? Ik heb al zo vaak verhalen gehoord over volwassen homofielen die een Ken op hun nachtkastje hebben staan. Soms in uniform, soms in full drag (er zijn ook in Kens maat vast glamourpruiken te vinden). Mattel had dat beter door dan Lord: ze brachten ooit een Earring Magic Ken uit, die eruit zag alsof hij regelrecht op weg was naar de homobar.

Daar had ik graag meer over gelezen.

Suikerzakjes

MIJN TAFELGENOOT HAD me iets gevraagd. Aandachtig keken we daarna naar de zojuist geserveerde koffie. Er lag een papieren onderleggertje met opdruk tussen kop en schotel; het schoteltje was voorts uitgerust met een lepel, een suikerzakje, een cupje koffieroom en een chocolaadje. (De betere koffie onderscheidt zich doordat er chocolade naast wordt gelegd in plaats van een koekje.)

Nee,’ zei ik, ‘nooit. Mijn moeder doet het trouwens wel.’

‘De mijne ook,’ zei mijn tafelgenoot, ‘ze stopt ze in haar handtas.’

Waarna ik opsomde wat mijn moeder altijd meeneemt van haar schaarse bezoeken aan de horeca: suikerzakjes, koffieroom, mosterdzakjes, zakjes met zout en zakjes met peper. Als ze per vliegtuig reist bewaart ze zelfs het plastic bestek dat daar bij de maaltijden wordt geleverd, wast dat thuis af en legt het op een speciale plaats. ‘Dat kan nog goed van pas komen,’ zegt ze dan.

Wat is dat toch, vroegen we ons ineens af, dat mensen suikerzakjes en roomcupjes uit cafés meenamen? Zou het de gedachte zijn dat je er, aangezien je ervoor hebt betaald, ook recht op hebt ook al blief je het zelf niet in je koffie? Omdat ervoor betaald is en omdat het derhalve – zoals mijn oma dat altijd zei – ‘eeuwig zonde’ zijn om het daarna te laten liggen? Is het verkapte gierigheid en angst voor verspilling? Mijn moeder heeft ooit, toen ze om de rekening vroeg in een restaurant, een kurk bij de nota gevraagd. Dan kon ze de halflege fles witte wijn namelijk dichtmaken en meenemen. Voor mij.

De consumptie moet kennelijk voor het volle pond benut worden, zo niet nu, dan toch later, en zo niet zelf, dan door anderen. Mijn moeder beweert althans dat haar verzamelwoede ‘zo handig’ is; dan heeft ze namelijk altijd een reserve en hoeft ze voor de visite geen koffieroom te kopen die vervolgens aangebroken in de koelkast wacht op bederf, want zelf drinken ze hun koffie zwart. Maar dat is een kul-argument. Het gaat hooguit op voor de koffiemelk. Suiker, mosterd, zout en peper heeft ze thuis altijd in ruime hoeveelheden voorhanden. Dus nogmaals: waarom dat verzamelen van uitgereikte zakjes en pakjes?

‘Mijn moeder bewaart ook de stukjes zeep die van zo’n blok overblijven,’ zei mijn tafelgenoot. ‘Eens in de zoveel tijd verwarmt ze die resten en kneedt daar dan een nieuw zeepblok van. Waarvan de rest natuurlijk ook bewaard wordt, en samen met andere, nieuwe overblijfselen tot weer een volgend blok wordt geboetseerd… Goedbeschouwd moet er in dat stuk zeep nog resten te vinden zijn van vlak na haar trouwen.’

Dat woord – trouwen – deed me ineens beseffen dat er iets aan de hand was. Het zijn geen gewone mensen die suikerzakjes meenemen en in hun handtassen stoppen; het is een speciale groep. Moeders.

Het is vast iets hormonaals, iets dat pas in werking treedt en tot volle bloei komt na een bevalling; want het zijn bij mijn weten alleen moeders die dit doen. Ik heb nog nooit een vader op zulk hamstergedrag betrapt, en al evenmin jonge kinderloze mensen. Die nemen een enkele keer wel suikerzakjes mee maar plakken die vervolgens in een album: ze sparen niet voor noodconsumptie doch terwille van de collectie, en niet voor de inhoud maar vanwege de opdruk. Aanbreken is bij hen volstrekt uit den boze. Hun Suikerzakjes dienen gaaf bewaard. (Niet dat mijn moeder de hare ooit aanbreekt; de noodgevallen waarop ze zich immer voorbereidt doen zich zelden voor, juist omdat ze zo goed in zorgen is.)

Hormonen en moederschap. Je zou het kunnen testen. Hebben omgebouwde moeders er nog last van? Vertonen heren die hun kind van jongsafaan hebben opgevoed, zonder dame erbij, hetzelfde gedrag? Zorg. Het gaat om de zorg. Jezelf bevoorraden om hen die je lief zijn ten alle tijde te kunnen hoeden en voeden, om te zorgen dat het ze nooit aan iets zal ontbreken; en die suiker of mosterd is daar een mal symbool van.

Maar nee, bedachten we twee tellen later, die vlieger gaat niet op. Het gaat niet om sociale of biologische moeders; het gaat om oudere moeders, vrouwen die de oorlog hebben meegemaakt.

Ik denk dat mijn moeder eigenlijk suikerbieten verzamelt.

Vrijpartij

OP EEN MAANDAGMIDDAG, nu een maand geleden, was ik ernstig aan het vrijen met mijn allerliefste. Op het hoogst van de opwinding kreeg ik een vlijmende hoofdpijn; migraine-achtig. Die bleef, ook nadat de opwinding op de daartoe geëigende manier was opgeheven. Aspirine hielp niet.

De avond erna kreeg ik ineens een spasme in mijn linkerbeen – een andere dan ik ken. Bij een ‘gewoon’ spasme trekt een spier samen en ontspant hij zich weer; nu boog en strekte mijn been zich schoksgewijs; het leek te pulseren. Ik wist meteen dat dit niet in de haak was en van schrik rolden de tranen uit mijn ogen. Ik vroeg R me te omarmen, om de paniek te kalmeren; mijn been ging steeds heftiger schokken. R trachtte mijn been stil te houden maar het spasme werd erger en erger, het schoot door naar mijn voet en naar mijn arm, ik schokte op de stoel. Het leken stuipen. ‘Huisarts bellen,’ hijghuilde ik, ‘agenda naast telefoon.’ R belde. Er trok een waas door me heen en ik voelde dat ik bewusteloos ging raken; ik wilde nog tegen R zeggen dat hij me op de grond moest leggen maar ik kon niet meer spreken. ‘Ik moet het intikken,’ dacht ik nog.

Ik schijn bewusteloos geraakt te zijn. R heeft me opgetild en op bed gelegd; ik was lijkwit, mijn kaken had ik op elkaar geklemd en mijn ogen waren opengesperd. R telefoneerde om hulp. Toen R de slaapkamer weer in kwam was ik bijgekomen maar herkende ik hem niet; ik schijn vreselijk van hem geschrokken te zijn. Maar dat weet ik allemaal niet meer. Wat ik me herinner is dat ik zomaar op bed lag en dat R naast me zat; we spraken wat, keuvelend, zoals je dat doet als je net wakker bent geworden; ineens ging de deurbel en zei R: ‘dat zal de ambulance zijn.’ ‘Ambulance?’ vroeg ik, ‘hoezo?’

De verplegers hebben me uitgehoord en dachten aan een TIA (een kleine beroerte) of aan een epileptische aanval; hoewel ik inmiddels weer helder was, vonden ze het raadzaam me naar het ziekenhuis te brengen. Inmiddels was ook Lies gearriveerd; ik werd op de brancard gelegd en R en Lies gingen mee de ambulance in. In de VU werd ik onderzocht en ter plekke kreeg m’n been eenzelfde spasme als eerder, nu gelukkig zonder dat het zich uitbreidde. De dienstdoend neuroloog besloot dat ik naar huis toe mocht en dat ik de volgende morgen contact moest opnemen met mijn specialist. (Waarom ze me niet hebben gehouden, begrijp ik nu eigenlijk nog niet. Ik kon ook niet meer lopen: de spieren in mijn linkerbovenbeen hadden het opgegeven.)

Lies had ondertussen mijn ouders gewaarschuwd en toen die er waren, zijn we naar huis teruggegaan. Het was inmiddels half twee ‘s nachts. Ik moest aan weerszijden ondersteund worden; meer hangend dan lopend deed ik een paar stappen naar de voordeur. Ik was nog geen twee meter van de auto vandaan of ik kreeg een tweede aanval: weer begon het in mijn linkerbeen en breidde het zich uit naar mijn linkerarm. Die sloegen wild om zich heen. Ik gebaarde dat ze me op de grond moesten leggen en wilde nog roepen: ‘mijn tong, mijn tong, ik bijt mijn tong eraf’ maar er kwam geen geluid meer uit. Mijn moeder en Lies zaten er huilend bij. We veroorzaakten nogal wat kabaal in de nacht en een paar buren kwamen uit het raam hangen; de bovenbuurvrouw belde een ambulance. Ik schijn al op straat bijgekomen te zijn en herkende weer niemand: ik schrok erg van mijn moeder die ineens in mijn zicht verscheen en schijn gezegd te hebben; ‘Wie bent U?’ ‘Ik ben je moeder,’ zei ze. ‘Nou en?’ zei ik, naar verluidt.

De broeders van de ambulance hebben me naar binnen gebracht maar ook dat weet ik niet meer; ik herinner het me pas vanaf het moment dat ik thuis op de bank zat. R en mijn moeder brachten me later naar het toilet, waar mijn arm weer een stuip kreeg en daarna heb ik vreselijk overgegeven.

Dus dat werd het ziekenhuis. Eindeloze onderzoeken: scans dit en scans dat, contrastvloeistof zus en contrastvloeistof zo, EEG’s dit en bloedonderzoek zo. Bekaf was ik en mijn concentratievermogen was nul.

Dat het epilepsie was, was de artsen meteen duidelijk; maar hoe ik daar aan kwam, was een raadsel. Nee, geen nieuwe ms-haard, zoals ze eerst dachten. Er zat een vreemde plek bovenin mijn hersenen die de boosdoener was, maar die niet meteen verklaard kon worden. Het kon een tumor zijn, of een plaatselijke verkalking, of… Nervositeit alom en ik, plus ieder die ik lief ben, was bang. En al die tijd die vreselijke hoofdpijn.

Na drieëneenhalve week bleek dat ik een kleine bloeding heb gehad. Een gesprongen adertje, ofzo. Waardoor is niet helemaal zeker, maar de kans is groot dat de enorme spanning van die maandagmiddagvrijpartij van vier weken geleden de doorslag gaf. Sindsdien maken mijn allerliefste en ik uitbundige wrange grappen over minnen en kozen. Over hoe dodelijk de liefde kan zijn. Dat dit de meest opzienbarende vrijpartij ever geweest moet zijn: hopla, Spaink meteen voor weken het ziekenhuis in. En vrijen wij lustig door.

Maar het bungee-jumpen kan ik voortaan beter achterwege laten. Volgens mij is dat niet goed voor mijn hersenvaten…

Ouderschap en de wet

KINDEREN KRIJGEN IS een heel gedoe, zeker wanneer er meer dan twee mensen aan te pas moeten komen. Zodra andere mensen hun medewerking verlenen, neemt de aandacht die de media voor de jonge telg en deszelfder verzorging tonen, exponentieel toe. De reportages en artikelen zijn tegenwoordig niet van de lucht. De grote hausse begon nadat IVF en KI tot het takenpakket van de gezondheidszorg werden gerekend.

Sindsdien is het niet stil geweest: er werd (en wordt) gedebatteerd over draagmoederschap, over zwangerschap ver na de overgang, co-ouderschap, hoe een homostel zich kruist met een damesstel en tegen wie het kind dan allemaal pappa zegt, en waarom; er zijn klinieken waar men de klandizie voorliegt dat ze de voorkeur voor een jongens- of een meisjesbaby in resultaat kunnen vertalen en klinieken waarvan het hoofd zegt dat ze lesbische vrouwen niet langer helpen want die hebben maar een hekel aan mannen.

En juridisch wordt het al maar gecompliceerder. Ouderschap was aanvankelijk een simpel gegeven en werd ingekaderd door het huwelijk: een vrouw werd wettelijk moeder wanneer ze een kind baarde en een man werd wettelijk vader wanneer de vrouw met wie hij getrouwd was, moeder werd. Dat biologisch vaderschap niet altijd samenviel met wettelijk vaderschap zag iedereen het liefst over het hoofd (alleen in romans was een bastaard een tijdlang een vruchtbaar onderwerp). Getrouwde mannen konden kinderen die voor dit huwelijk waren geboren voorts ‘echten’ en dan werden daarvan ze alsnog de wettelijke vader. Biologische vaders van kinderen van ongetrouwde moeders tenslotte konden een kind ‘erkennen’ en dan had je alle mogelijke varianten wel gehad.

Maar thans gaan huwelijk en ouderschap al lang niet meer hand in hand en door technische ontwikkelingen is het bovendien mogelijk geworden een onderscheid te maken tussen sociaal, biologisch en genetisch ouderschap en de zaak wordt steeds complexer aangezien die verschillende definities daadwerkelijk op verschillende mensen van toepassing kunnen zijn. Van wie een kind nu wettelijk is bezorgt rechters derhalve hoofdbrekens en juristen volle werkdagen: is dat de donor van het zaad of de eicel, degene die de zwangerschap draagt, of zijn het degenen die het kind opvoeden? De wet bevoordeelt momenteel genetisch en biologisch ouderschap en tilt zwaarder aan moeders dan aan vaders.

Draagmoedercontracten zijn op die grond ongeldig verklaard: dat de draagmoeder het eitje leverde en het kind baarde, maakte dat de rechter besliste dat zij de moeder was en het kind mocht (of moest) houden, ook al was het zaad afkomstig van de mannelijke helft van het echtpaar dat het contract met haar had gesloten. Over donorschap bij mannen is al veel te doen geweest: de vraag is of hun anonimiteit moet worden opgeheven, in verband met mogelijke nieuwsgierigheid van de kant van het kind en vanwege de medische familiegeschiedenis. En ik wil wedden dat er binnenkort zaken komen over gevallen waarin mensen zelf wat gerommeld hebben met schema’s van vruchtbare dagen en met potjes sperma: is de genetische vader aansprakelijk? Mag hij rechten opeisen dan wel toebedeeld krijgen? Moet hij alimentatie betalen voor het kind? Mag hij het kind weghalen als de (biologische en sociale) moeder aan de drank is of anderszins minder capabel?

Wanneer eicel-donatie gewoon wordt, ontstaan er pas echt problemen: dan kan mevrouw A een kind krijgen met het eitje van mevrouw B en het zaad van meneer C. Als mevrouw A bovendien getrouwd is, wordt meneer A automatisch wettelijk vader wanneer deze mevrouw A bevalt. Dan zijn er vier mensen die allemaal een andere juridische positie jegens dat kind hebben. Van wie ‘is’ dat kind dan? Van de genetisch vader? Van de wettelijke vader? Van de biologische moeder? Maar wie van tweeën is dat, zij van wie het ei was of zij die bevalt? En hoe zit het met dat sociaal ouderschap dan?

En nu dus alweer een novum. Een tweeling in twee kleuren. Vanwege misplaatste zuinigheid – wat kosten die weggooi-pipetjes nu helemaal? Een duppie per stuk? – of een onnozele vergissing heeft de gezondheidszorg de juristerij weer handen vol werk bezorgd. Een Nederlands echtpaar dat via IVF een kind wilde bekomen kreeg een tweeling, wat vaker gebeurt; maar deze tweeling had zichtbaar verschillende vaders, wat zacht gezegd hoogst uitzonderlijk is. Een tweeling met één mamma doch een zwarte pappa en een blanke pappa. Wat het echtpaar in kwestie de meest lastige vragen opleverde, want veel mensen in hun omgeving gingen er ineens van uit dat mevrouw een slippertje had gemaakt, want hoe kwam ze anders aan dat zwarte kindje?

Nu had zij niets geslipt; dat had een laborant waarschijnlijk gedaan. Hoe dan ook raakten er zaadcellen door elkaar en na genetisch onderzoek is duidelijk geworden dat beide kinderen van de mevrouw in kwestie zijn, maar dat de ene van haar man is en de andere van de donor die net voor hem had ingeleverd. Waarna het echtpaar maandenlang in spanning heeft gezeten: zou die andere meneer, die kennelijk ook heel graag een kind wilde want anders beging je niet aan de mallemolen van IVF, het kind niet opeisen? Pappa twee heeft daarvan afgezien, tot grote opluchting van het echtpaar in kwestie.

Maar de vragen blijven. En in dit uitzonderlijke geval zijn de vragen zelfs zichtbaar geworden.

Queeste

LIGT HET NU aan mij of is de komkommertijd inderdaad al aangebroken? De minimale hoeveelheid zon waarmee we het de afgelopen weken hebben moeten stellen suggereert anders, maar nieuws is er nog minder dan zon en alle homo-media staan dezer dagen vol met tot artikelen opgewerkt niets. Geen grote debatten, geen grote vragen; laat staan nieuwe vragen. Gelukkig ook geen grote problemen, dat is wel weer een voordeel.

Op de homo-mailinglijsten emmert iedereen maar door over schier onoplosbare en derhalve bodemloze kwesties, zoals daar zijn: is pedofilie goed of fout en wat als ik mijn jonge vriendjes nu alleen maar een kusje geef; dient men voorstander te zijn van het homohuwelijk, de ja of de nee; en cruisen vind ik vies plus dat het een smet werpt op het imago der homosuele medemens versus ja maar we willen niet allemaal keurig getrouwd zijn met onze vent en ik ga ook niet op jouw seksuele gewoontes schelden.

Laat maar, denk ik, en klik door naar het volgende bericht of sla fluks de bladzijde om. Op zoek naar iets verfrissends. Op zoek naar een provocerend standpunt. Op zoek naar een kwestie. Opdat ik iets heb om mijn tanden in te zetten (de houtjes zijn op) en stof vind voor een column. Edoch: niets. Helegaar niets. (En wat ik momenteel wel interessant vind houd ik voor me, wat de zaak er niet eenvoudiger op maakt, want het is wel iemand die mijn aandacht heeft en die wegleidt van publieker zaken & taken.)

Maar ergens wrikt iets, en dat is niet alleen het nijpend gebrek aan zon. Zijn er geen Grote Kwesties dan? Zou het heus zo wezen dat de zaken nu geregeld zijn en iedereen puur voor het ritueel, de gezelligheid, de eventuele flirt en de contacten afreist naar Hilversum om daar te gaan Roze-Zaterdagen? Is er nergens meer werk aan de winkel, valt er nergens meer een beleidsnota om te buigen? Zou Nederland heus af zijn, qua roze?

Soms denk ik van wel. Er is vreselijk veel winst geboekt de afgelopen twintig jaar. Je wordt niet meer ontslagen, bespot, gemeden en geweken indien de eigen sekse toegenegen. Men kan thans rustig innig omstrengeld door de stad lopen; men kan samenlevingscontracten, pensioen- en levensverzekeringen met dan wel op elkaar afsluiten; tijdschriften hoeven niet meer onder couvert te worden verstuurd; café’s zijn nu gewone café’s met terrassen van promenade-achtige proporties in plaats van besloten sociëteiten waar je voor de veiligheid eerst moet aanbellen om binnen te kunnen komen, er zijn volop tijdschriften en programma’s die aan de doelgroep gewijd zijn; datingshows schijnen met enige regelmaat ook de homoseksueel en de lesbienne van een gelegenheidspartner te voorzien; de Privé maalt er niet om dat Jos Brink een vriendje heeft en meldt hooguit opgetogen dat ons aller Koningin zich zo gaarne met homosuelen omringt omdat dat zulke leuke mensen zijn en dat derhalve nogal wat leden van de hofhouding van de familie zijn. Nichten maken carrière in het leger en damesdames kunnen minister worden. Zelfs adoptie en het homohuwelijk liggen binnen handbereik. Herenstellen en damesstellen die iets ingewikkelds hebben gedaan met de voortplanting en die in wisselende samenstelling een kind opvoeden, worden alom geportretteerd in stukken waarin de vriendelijke belangstelling overheerst: hoe gaat dat dan?

Niet dat het leven nu eindelijk eenvoudig is en alom gladgestreken, maar dat is het nooit & voor niemand en bovendien zou dat vreselijk saai worden denk ik dan, cynisch als ik bij vlagen ben. Van wat wind tegen hebben word je groot en stoer en in oppositie leert men niet alleen de tegenstander doch ook zichzelf kennen.