Internet

AL TWEE MAANDEN leef ik virtueel. Sinds eind november heb ik een Internet-aansluiting en besteed ik zowat al mijn tijd achter de computer. De ganse dag bezig briefjes te sturen, briefjes te lezen, briefjes te beantwoorden, nieuwsgroepen te volgen en over het net te surfen.

En alles wat iedereen er ooit over heeft gezegd is waar. Het is een godgeklaagde klus om als beginneling je weg te vinden, er gaat inderdaad een wereld voor je open, het is een mix van absurde kolder en zinnige informatie die je daar aantreft. Het meest rare wel is dat ik niet eens uitzoek hoe ik kan schiften tussen zin en onzin. Het kan me namelijk niet schelen. Ik ben met alletwee evenzeer in mijn nopjes.

Laatst nam ik deel aan een IRC-gesprek; een soort babbelbox op Internet. Iedereen die inlogt kan meepraten, of liever: meeschrijven. Van de andere deelnemers zie je alleen hun naam (vaak een pseudoniem) en de paar regeltjes die ze intikken. Ik raakte in gesprek met ene Lister. Wij wisselden wat zinnen terwijl de rest van het gezelschap verder zaagde aan hun boom over computers, de snelheid van modems en dergelijke. Een café-achtige situatie: overal kleppende mensen en conversaties die elk onderling verband ontberen, maar dat geeft niet want je kwam toch voor de drank en niet voor het niveau. In IRC zien zulke gesprekken er alleen wat vreemd uit: kun je in een cafe je oren min of meer sluiten voor naburige stemmen, hier krijg je alles wat iedereen zegt op je scherm en zitten er soms tien regels van anderen tussen voor je een antwoord krijgt op je vorige opmerking.

Lister begon een grap te vertellen; steeds meer mensen verlieten hun boom en begonnen hem tekstueel aan te moedigden en maakten flauwe opmerkingen. Toen Lister eindelijk uitverteld was, applaudisseerden wij allen luid en bestelde iemand een rondje van de zaak. Het was meligheid troef. Het rare was dat ik me al die tijd (twee uur lang) realiseerde dat ik me met hart & ziel in non-conversaties stortte die ik in gewone café’s zou mijden als de pest – liever drie tafeltjes verhuizen dan zulke ongein te moeten aanhoren. Nu deed ik niet alleen mee, ik genoot er ook nog van.

Per dag hang ik algauw een uur of vier op het net rond. Een middagje uitzoeken wat er wereldwijd over aids voorhanden is. Onvoorstelbaar veel, maar minder dan je zou denken; er zijn vooral veel medische artikelen en rapporten van overheidsinstanties te vinden, en verder mooi opgetuigde pagina’s over safe sex. Muziekbestanden uitpluizen in de hoop de vaste stekken van mijn favoriete bands te vinden en te kijken of ze opnames hebben die ik niet ken (je kunt vaak muziekfragmenten opvragen). De discussies lezen in nlnet.misc, de verzamelbak van Internettende Nederlanders, en daar af & toe iets terugmailen over vrouwen op het net, over de constatering dat het buiten sneeuwt of over de voordelen van Albert Heijn versus Aldi.

En tussendoor kijken of ik alweer post heb. Met een opgetogen glimmend gezicht zie ik dan hoe mijn postprogramma meldt bezig te zijn om de eerste van zeven berichten op te halen; die ga ik daarna fijn beantwoorden. Met sommige mensen wissel ik ettelijke keren per dag briefjes uit en de meeste van mijn mailpals ken ik alleen van het net. Ik schrijf met mensen uit Zweden, Denemarken, Nederland en de VS, allemaal mensen die ik via de nieuwsgroepen heb leren kennen.

Het erge is dat mijn vroegere leven – dat toch min of meer solide leek – geheel ontwricht is. Gewone post bleef altijd wel eens liggen, maar nu helemaal; een e-mailtje beantwoord ik meestal binnen het uur en de ptt-post stapelt zich schrikbarend op. Tegenover iedereen die ik tegenkom begin ik over Internet te praten en al mijn vrienden die de vergissing maken langs te komen, sleur ik voor het beeldscherm en onderwerp ik aan een sightseeing-tour. Tot schrijven kom ik nauwelijks; ik mail voornamelijk.

Het zal wennen. Ooit zal dit medium ingepast raken in mijn dagelijkse routine en even gewoon worden als de ochtend- en de avondkrant. (Ik veronderstel dat dat moment aanbreekt zodra de telefoonrekening over de afgelopen twee maanden binnenkomt.) Maar tot nader order verklaar ik mezelf verslaafd.


Schrijf een reactie

E-mail adressen worden niet getoond noch aan derden doorgegeven.
Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *