De homoseksuele hinkstapsprong

«Wat heerllijk dat zij nu eindelijk ook mogen wat wij kunnen» verzuchtte de moeder van een vriend toen ik haar feliciteerde met het huwelijk van haar zoon, dat over een uur voltrokken zou worden. En ze keek innig vergenoegd naar haar jongens – haar zoon en haar aanstaande schoonzoon. Blij dat ze mocht meemaken dat haar zoon trouwde.

De trots bestond uit een mengelmoes: dat haar gezondheid het haar nog had toegelaten erbij te zijn was er onderdeel van, maar ook dat zoonlief nu eindelijk een man had gevonden waar-ie genoeg van hield om een vaste verbintenis mee aan te gaan. En politieke trots, vanzelf: dat dit nu kon, dat «zij» nu ook konden doen wat «wij» al zo lang mochten.

Er zit schot in de homo-emancipatie. In Nederland is het huwelijk opengesteld voor homoseksuelen; België is ermee bezig, en in steeds meer Westerse landen worden vormen van partnerregistratie ingevoerd. Halfzachte huwelijken zijn die partnerschappen meestal, geen keiharde boterbriefjes zoals die van heteroseksuelen, maar het is hoe dan ook voortuitgang en verbetering.

In Nederland en Zweden mogen homoseksuele paren kinderen adopteren; ook dat is een ontwikkeling die zich niet tot die twee landen beperkt. Vaak wordt het openstellen van de adoptiewet voor homo’s en lesbiennes afgedaan als een wassen neus: buitenlandse bemiddelingsbureaus weigeren immers vrijwel altijd hun diensten als de adoptiefouders homoseksueel zijn, en in eigen land worden amper kinderen ter adoptie aangeboden.

De winst zit ‘m elders, namelijk in de mogelijkheid om wettelijk ouder van het kind van je eigen partner te worden. Die optie voorkomt dat bij overlijden van de natuurlijke ouder het kind niet bij de partner mag blijven die al jaren mede-opvoeder was.

Tegelijkertijd schort er van alles aan de acceptatie van homoseksualiteit. In wettelijke termen zijn de verschillende vormen van liefde grotendeels gelijk getrokken, sociaal gezien is homoseksualiteit vaak nog normafwijking, niet gewoon, en hebben mensen moeite de gelijkgeslachtelijke liefde te aanvaarden. Je kunt ervoor in elkaar geslagen worden. Je kunt er gedonder mee op je werk krijgen. Je familie verstoot je er soms om. Hand in hand op straat lopen is voor homo’s en lesbiennes nog steeds een daad die repercussies kan hebben – je ziet het dan ook zelden, zelfs niet in de grote stad.

Homoseksualiteit is iets dat we liever in kleine kring houden. De trucker die trots de naam van zijn vriendje op zijn wagen plakt moet nog geboren worden, terwijl de vrouwennamen op vrachtwagens je om de oren vliegen. Directrices die het portret van hun vrouw op hun bureau hebben staan, zijn al even zeldzaam.

Discriminatie is iets van alledag, soms bedoeld, soms per ongeluk; en wat erger is of verdrietiger maakt, valt niet goed te bepalen.

Maar vooruitgang is er, meer dan je je gewoonlijk realiseert, juist omdat je meestal de stekelige praktijk afmeet aan wensen en idealen. Nog maar vijftig jaar geleden riskeerde je gevangenisstraf als homoseksueel, werden er per gerechtelijk vonnis «aversietherapieën» opgelegd, werden mannelijke homoseksuelen geregeld gedwongen vrouwelijke hormonen te slikken, werd je subiet ontslagen als je je homoseksualiteit niet verborg en waren politieinvallen in homocafés aan de orde van de dag.

Je kon alleen fatsoenlijk leven als je dekmantels ontwierp, je liefde verborg en haar heimelijk beleefde – met elke dag de angst voor ontdekking, de angst voor repercussies. Homotijdschriften en homoboekhandels, homobars en homoparades – het was alles tot diep in de twintigste eeuw ondenkbaar. Nu zien we advertenties op straat van elkaar zoenende meneren in het kader van safe-sex campagnes en vertellen pop- en filmsterren openlijk over hun homoseksuele liefde.

Tegelijkertijd houden homoseksuele leraren steeds meer hun mond uit angst dat leerlingen hen op de nek gaan zitten – emancipatie is zelden iets dat zich in een rechte lijn voortbeweegt, de geschiedenis loopt in hinkstapsprongen en struikelt vaak over haar eigen ontwikkeling.

We hadden zelfs een homoseksuele lijsttrekker in Nederland, en de aanhang van Fortuyn struikelde daar amper oveer. Mogelijk maakten ze een afweging – «jakkes, een homo, maar ja, hij is voor zussenmezo en dat ben ik ook, en dat laatste vind ik belangrijker» – maar ze maakten hem, en diie homoseksualiteit deed er amper toe, of werd juist als bewijs van Fortuyns authenticiteit en durf opgevat.

Waar ik me wel over verbaasde was dat de steun voor Fortuyn onder homoseksuelen zo massaal was, schijnbaar zonder acht te slaan op zijn politieke ideeën. Was het de hang naar identificatie, de wens om «een van ons» hoog te houden? Was het de angst onder homo’s dat meer invloed van de islam de gewonnen emancipatie ongedaan zou worden? Of waren de hetero’s voor een keer geëmancipeerder dan de homo’s?


Schrijf een reactie

E-mail adressen worden niet getoond noch aan derden doorgegeven.
Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *