Online racisme: de remedie is erger dan de kwaal
Netkwesties, 2 juli 2004
Uitpuilende tassen vol herhaling en repeterende toespraken over
stokpaardjes. Dat was het teleurstellende spectrum van het congres
van Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) in
Parijs over antisemitisme, racisme en xenofobie op het internet.
Het congres werd voornamelijk bezocht door door OVSE-ambassadeuren
met hun stafleden en afgevaardigden van ministeries en allerlei
onafhankelijke organisaties. Vrijwel alle speeches zijn te vinden op
www.osce.org/events/conferences/anti-racism.
De beste speech was, in mijn ogen althans, die van Anton Nosik,
redacteur van rambler.ru, een Russisch portal annex zoekmachine. Hij
verhaalde van een inventarisatie van Russische antisemitische sites.
De hoeveelheid was eigenlijk wel meegevallen; sterker, de
onderzoeksgroep had zich gerealiseerd dat je proportioneel meer
antisemitisme en racisme tegenkwam in de Russische Doema, het parlement.
Voorts relativeerde hij het gevaar van zulke sites: genocide was
immers nooit voortgekomen uit het racisme van individuen of kleine
groepjes, zulke wandaden ontstonden alleen als staatsorganen
racistische taal gingen spuien. Niettemin was de groep erin geslaagd
om met een campagne binnen korte tijd tachtig procent van de
betreffende sites gesloten te krijgen. Waarna ze zich realiseerden
dat hun ijver er boveal in had geresulteerd dat ze plotseling enorme
media-aandacht genereerden voor die racistische en antisemitische
websites, aandacht die die sites eerder niet kregen - waarna ze
besloten om hun actie onmiddellijk te staken. Met een beetje racisme
leven vonden ze uiteindelijk een betere optie.
Een Russische vertegenwoordiger van een mensenrechtenorganisatie
voegde eraan toe dat zulke restrictieve maatregelen in verse of
broze democratieën vrijwel altijd tegen oppositionle groeperingen
worden gebruikt en zelden tegen degenen voor wie ze oorspronkelijk
waren ontworpen. Regels tegen zogeheten 'hate speech' dienen dan als
legitimatie voor ingrepen in de vrijheid van meningsuiting en als
instrument om gerechtvaardigde politieke discussie de mond te snoeren.
Veel sprekers waren aanzienlijk minder vertrouwd met de werking
van het net dan Nosik. De schrik dat je racistische teksten op het
net kunt vinden is gewoonlijk groot, en de eerste (begrijpelijke)
reflex is dan dat je iets tegen zulke sites moet doen. Maar het net
is hierin niet uitzonderlijker dan andere media: ook op de radio, in
boeken en in de geschreven pers kom je, als je op zoek gaat, rabiate
opvattingen tegen. Op het net vind je dergelijke teksten inderdaad
makkelijker dan in de analoge wereld, juist doordat het net in zijn
geheel doorzoekbaar is. Maar kenmerkend voor het internet is dat je
in de zoekresultaten per definitie ook - of zelfs vooral -
tegengeluiden zult aantreffen. Wie bijvoorbeeld de termen 'leugen'
en 'concentratiekamp' samen in Google stopt, krijgt als eerste
suggestie een pagina van Stormfront.org waarin wordt ontkend dat
Treblinka een doodskamp was, maar de rest van de zoekresultaten is
zonder meer kosher. Wie zoekt op 'protocols Zion' vindt zelfs als
eerste een link naar Nizkor.org, die de opvattingen van
revisionisten en neo-nazi's gedocumenteerd weerlegt.
De roep om regulering was groot, te Parijs. Duitsland betoonde
zich er een groot voorstander van, evenals gastland Frankrijk. Beide
landen passen overigens al geruime tijd filtermaatregelen toe om
antisemitistische en neo-nazistische pagina's ontoegankelijk te
maken. Dat is zeer omsterden, zeker de methode die sinds februari
2002 in Nordrhein-Westfalen wordt toegepast: er wordt geblokkeerd op
DNS-niveau. ((Een uitgebreide analyse van de methode staat in
md.hudora.de/publications/200306-gi-blocking/200306-gi-blocking.pdf).
Vrijwel alle providers die de regel naleven, blokkeren enerzijds
meer dan is voorgeschreven terwijl ze anderzijds niet al het
verbodene weten weg te filteren; een inmiddels klassiek probleem bij
filtering.
Voor zulke inzichten was geen plaats ingeruimd in de conferentie.
'Unfortunately, the use of filtering software and other soft law
instruments like hotlines and codes of conducts did not raise any
discussion among the participants of the official sessions, while
many civil liberty organisations, librarians, and other researchers
have shown, through a number of well documented reports, how these
practices and instruments may also lead to violations of
internationally recognised human rights and fundamental freedoms'
schreef Meryem Marzouki van IRIS, een Franse organisatie voor
digitale rechten, over de conferentie (zie
de jongste nieuwsbrief van European Digital RIghts (EDRI)).
'Regulering van het internet' moge dan de wens van velen geweest
zijn, er waren gelukkig ook instanties die daar weinig voor voelden.
Het OVSE-bureau
Freedom of the Media (FOM) hield een zogeheten
'side-event' waar grote skepsis over filtering, zelfregulering en
dergelijke werd geuit, en waar werd benadrukt dat zulke maatregelen
gewoonlijk inbreuk maken op grondwettelijke rechten van burgers en
met te weinig waarborgen zijn omkleed.
In vervolg op dat side-event organiseerde de FOM deze week een
seminar in Wenen voor de gedelegeerden van de 55 OVSE-landen. (De
teksten daarvan staan op www.osce.org/news/show_news.php?id=419.)
Er is niet zoiets als 'het internet', mocht ik de geachte
delegaties daar uitleggen. Het net is een grote verzameling aan elkaar
geknoopte computers in verschillende landen waarop verschillende
diensten (of protocollen) beschikbaar zijn. Terwijl elk van die
diensten andere juridische kenmerken bezit, kennen al die landen
daarenboven hun eigen wetgeving, niet alleen voor de diverse
internetdiensten maar ook voor de vraag wat nu precies onder
discriminatie en hate speech (of het oproepen tot geweld) wordt
geschaard. Hoewel de algemene teneur is dat providers voor wat
betreft de websites van hun klanten als common carriers worden
beschouwd, oftewel als neutraal doorgeefluik, behandelen sommige
landen providers niettemin grosso modo als uitgevers.
Waar websites nog redelijk te monitoren zijn - ze zijn stabiel,
algemeen toegankelijk, met meestal eeen te identificeren maker -
geldt dat voor veel andere diensten niet. Wie is aansprakelijk voor
een chat? Iemand opent een chatkanaal en verlaat dat, waarna een
robot het kanaal in stand houdt. Deelnemers ervaren chats als een
semi-openbaar gesprek, een beetje alsof ze een boom opzetten in hun
stamcafé. Moet je nu werkelijk zulke cafégesprekken gaan controleren
op racistische of anderszins discriminatoire praat? Indien zoiets in
het gewone leven zou gebeuren, stond iedereen op zijn kop. Maar op
zo'n conferentie te Parijs kunnen meldpunten (in dit geval
Jugendschutz.de) daarvoor pleiten zonder dat iemand verbleekt.
Daarnaast speelt het oude debat over bovengronds versus
bovengronds. Je kunt racistische sites wel willen sluiten en
racistische taal willen uitbannen of wegfilteren, maar je bereikt
daarmee niet dat het daadwerkelijk wég is, alleen dat je zulk spul
niet meer ziet. Door die onzichtbaarheid onttrekt het zich ook
meteen aan matigende invloed, en beneem je jezelf de mogelijkheid
inzicht te verwerven in wat er in die kringen omgaat, hoe en waarop
mensen zich er organiseren, wat ze precies denken en doen. Je
beneemt jezelf derhalve de kans op kennis en op tegenspraak als je
racistische praat naar de ionzichtbaarheid duwt.
Op dat punt is de vergelijking met spam interessant: du moment
dat duidelijk werd dat spammers door hun providers zouden worden
afgesloten, zochten ze andere kanalen om hun advertenties te spuien.
Sinds augustus 2003 komt het leeuwendeel van de spam tot ons via
zogeheten open proxies: machines van onschuldige derden, die via
virussen zijn omgetoverd tot spam-relays. Die methode maakt het
bijzonder moeilijk de verantwoordelijken achter zo'n spamrun te
achterhalen, en hij berokkent de eigenaar van de misbruikte computer
veel leed: die komt op zwarte lijsten, krijgt gedonder met zijn ISP
en heeft - uiteraard - een besmette computer. Spammers zijn
sindsdien niet minder zichtbaaar geworden, alleen veel moeilijker te
traceren.
Dat racistische uitingen diezelfde kant op kunnen gaan, bleek een
week voor de Parijse conferentie. Op 10 juni 2004 deed zich de
eerste wereldwijde racistische spamrun voor: dagenlang werden er
miljoenen mails rondgepompt, verzonden via open proxies. De daders?
Niet te achterhalen. Bijzonder aan deze (Duitstalige) run was dat de
bewuste open proxies niet eerder bekend waren bij spamjagers en
derhalve nergens in bloklijsten voorkwamen (zie voor meer informatie
dit usenetbericht.)
Dat wijst erop dat de groep zich buitengewoon goed heeft voorbereid
en eerst een nieuw virus de wereld heeft ingestuurd om de bewuste
open proxies te creëeren.
Ook de pogingen van de RIAA (en verwante auteursrechtuitbaters)
om de uitwisseling van auteursrechtelijk beschermd materiaal te
stoppen, is instructief. Aanvankelijk was Napster het populairste
programma voor de verspreiding van muziek. Napster werkte met een
centrale database; iedereen die zich bij de dienst aanmeldde,
vertelde Napster welke muzek hijzelf had en kon daarna via die
database bij anderen grasduinen. Die database bleek de achilleshiel:
ook belanghebbenden konden erin zoeken, waarna vervolging werd
ingezet. Napster werd daarna al snel overvleugeld door een nieuwe
dienst, peer-to-peer. Uitwisselingsprogramma's die op die leest zijn
geschoeid houden geen centraal bestand meer bij, de bestanden worden
gedistribueerd uitgewisseld: deelnemers geven elkaar onderling door
wat ze zoeken en aanbieden. Het ontbreken van een centrale
registratie maakt peer-to-peer diensten lastig te bestrijden: vraag
en aanbod zijn niet langer transparant voor de buitenwacht.
Auteursrechtinbreuken op het net zijn ook om een andere reden
interessant studiemateriaal voor degenen die hate speech op het net
de kop willen indrukken. Met auteursrechtinbreuken zijn beweerdelijk
miljarden gemoeid, en de instanties die erachteraan zitten hebben in
tal van landen vergaande wetgeving te bewerkstelligen. Maar bijster
effectief is dat allemaal niet: handhaving is moeilijk, opsporing en
bewijsvoering lastig, en bovendien zijn gebruikers inventief. Waarom
zou wetgeving op het gebied van hate speech en racisme dan plots wél
effectief zijn?
Buiten zulke meer technische, netgerelateerde argumenten is er
een politiek argument tegen regulering. In bijna alle gevallen wordt
gepleit voor ingrepen van providers, al dan niet in samenwerking met
meldpunten of NGOs. Maar ISPs noch meldpunten zijn rechters en
missen vaak simpelweg de deskundigheid om de moeilijke afweging
tussen rechten en verboden zorgvuldig te kunnen maken. En het gaat
het in zulke zaken natuurlijk altijd om de vraag hoe het verbod op
discriminatie versus het recht op de vrijheid van meningsuiting zich
tot elkaar verhouden, en welk van die twee in welke situatie de
overhand moet hebben.
Zowel de procedure bij ISPs als die bij meldpunten ontneemt de
mensen wier teksten inzet van dispuut zijn, voorts fundamentele
rechten die ze bij een klassieke rechtsgang wel hebben: het recht op
een advocaat, het recht van beroep, en soms zelfs het recht op
weerwoord. Tenslotte worden ook de belangen van het publiek
geschaad: er is slechts bij uitzondering sprake van transparantie
van de zijde van de meldpunten en ISPs, er wordt zelden
verantwoordelijkheid afgelegd. Niemand weet hoe vaak er teksten
worden verwijderd of op welke grond dat gebeurt.
Tot slot geldt er een getalsmatig argument tegen regulering. Want
om hoeveel sites hebben we het nu eigenlijk? De Anti Defamation
League telt meer antisemitische sites op het net dan anderen doen,
maar hun definitie is dan ook buitengewoon ruim: ook sites waar
christenen joden trachten te bekeren, beschouwen ze als unverfroren
antisemitsch en verbodswaardig. De definities van Hatewatch.org zijn
wat strikter en meer algemeen gedeeld. Hatewatch heeft in 2000 400
tot 450 zogeheten hard core hate sites geïdentificeerd, en trof
daarnaast 1500 tot 1750 sites die ze als problematisch aanmerkten.
(In deze berekening gaat het bij mijn weten overigens uitsluitend om
Engelstalige sites; worden alle talen onder de loep genomen, ddat
zullen de aantallen zonder twijfel hoger liggen.)
Datzelfde Hatewatch.org, inmiddels omgedoopt to het Southern
Poverty Law Centre, herhaalde deze telling in 2004 en kwam tot de
conclusie dat er circa 400 hate sites waren - evenveel als vier jaar
terug, derhalve. En dat terwijl het aantal websites in die vier jaar
meer dan verdubbeld is. (Het onderzoek wordt aangehaald op door
Media Awareness, Canada, op
www.media-awareness.ca/english/issues/online_hate/hate_and_free_speech.cfm).
Laat ons eens rekenen. Stel dat het aantal individuele pagina's
per site ongeveer 300 is (sommige sites zullen er meer hebben. De
meeste minder, maar ik stel in dit geval prijs op een ruimhartige
berekening). Dan kom je op 135.000 pagina's, plus nog eens 525.000
pagina's van die problematische sites. In totaal gaat het dus, ruim
geschat, om 660.000 pagina's. Google telt momenteel 4.285.199.774
pagina's (telling eind juni 2004) en indexeert niet alles, maar meer
dan anderen. 660.000 van 4,25 miljard is 0,015%. Met andere woorden:
we hebben het overnog geen tweetiende promille van alle webpagina's.
Je zou willen dat er zo weinig racisme was in de gewone wereld....
Copyright Karin Spaink.
Deze tekst wordt uitsluitend
voor persoonlijk gebruik aangeboden.
|