Op de wip
Over biseksualiteit en homo's in schaapskleren
22 september
Lezing uitgesproken ter gelegenheid van de conferentie
van het Landelijk Netwerk Biseksualiteit in samenwerking met het COC, 22 september 2007
Wie voor het eerst verliefd wordt op - of zich fysiek
aangetrokken voelt tot - iemand van de eigen sekse, is genoodzaakt zijn
oriëntatie te herzien. Er moet worden nagedacht, in de ziel gegraven,
piketpaaltjes worden verzet en aannames onderuit gehaald. De
vanzelfsprekendheid van heteroseksualiteit komt op de tocht te staan. Wie dapper
is - want hoe je het ook wendt of keert, en ook al is homoseksualiteit
tegenwoordig veel minder ongewoon, onbekend en ongewenst dan dertig of veertig
jaar geleden, tegen de vanzelfsprekendheid ingaan vergt altijd moed en
inspanning - komt op enig moment tot de conclusie dat hij of zij 'dus'
homoseksueel is. Je bent óm. Van de andere kant, zoals ze dat
vroeger zeiden.
Ik kan niet genoeg benadrukken dat die stap, die ommezwaai, een grote is, en een
moeilijke. Wie seksuele fascinatie voor de eigen sekse ontdekt, of dat nu op
jongere leeftijd is of later, dient veel te herijken en heeft veel te
bepiekeren. Zet je je gevoelens om
in handelen? Hoe zit het met je toekomstplannen? Wat doe je met de
verwachtingen van je ouders. Hoe verandert de omgang met vrienden, wat doe je
met de ángst van vrienden? ('Oh hemel straks zit hij/zij nog aan me!') Zien anderen het aan je? Zo ja, wil je dat? Hoe kom
je in contact met gelijkgestemden? Hoe vind je een partner? Kun je die op
dezelfde manier versieren als je gedacht had te zullen doen toen je nog een
partner van de andere sekse zocht? Kun je op dezelfde manier met een partner
leven? Moet je je anders gedragen? Wat doe je in bed, straks? Krijg je te maken
met repercussies op straat, in je dorp of wijk, op school, op het werk, bij je
sportclub, in je geloof, in je cultuur? Moet je voor je homoseksualiteit
uitkomen, en zo ja, hoe doe je zoiets? Hoe gaat het later, met kinderen
bijvoorbeeld? Wil je die wel, en kun je ze dan wel krijgen? Of: hoe moet het
nu, met jou en je heteroseksuele partner? Kan die zich aanpassen aan de nieuwe
situatie, mag je dat eigenlijk wel van hem of haar verlangen, en kun jij zo
verder of draait het op een scheiding uit? Hoe moet het dan met je kinderen, je
huis, je hypotheek, je leven? Het zijn stuk voor stuk verscheurende vragen,
vragen die je leven op de kop zetten.
In de jaren zestig tot en met negentig van de vorige
eeuw - dat klinkt ineens heel ver weg, maar 't is feitelijk heel recent - is
homoseksualiteit sterk politiek ingekleurd. Dat was niet voor niets. Naarmate
de acceptatie van homoseksualiteit kleiner is, is het belangrijker een vuist te
maken. De barricades op! Maar ook nu zijn politiek en homoseksualiteit nog
sterk met elkaar verbonden:
- van Rooie Flikkers tot Paarse September;
- van jongens die in roze tutu's op de redactievergadering van Bluf!
verschenen, tot ontzetting van andere krakers die nooit over he en ho
hadden nagedacht;
- tot vrouwen die zeiden dat elke vrouw lesbisch was behalve zij die
het 'nog niet wisten';
- van de grote groep mensen die in 2005 massaal op het Leidseplein
ging staan zoenen nadat er weer een homo in elkaar was geslagen;
- tot aan de organisatoren van het aanstaande congres over
homoseksualiteit en ouderschap:
....ze doen allemaal aan politiek. Aan openbaarheid.
Aan zichtbaarheid. Aan het weghalen van barrières. Aan het slechten van
discriminatie.
Die politieke connotatie heeft echter ook nadelen.
Juist wie zichzelf een minderheid weet, heeft behoefte aan medestanders en wil
de eigen groep zo groot mogelijk houden. Soms wordt de eigen groep zo het hele
het leven, uit een mengelmoes van noodzaak, behoefte, erkenning en opluchting,
en zo ontstaat wat Jan-Willem Duyvendak ooit 'de homoseksuele Bibelebonse Berg'
noemde: je hebt hoofdzakelijk homoseksuele vrienden, je gaat 's avonds naar een
homoseksueel café, je koopt je boeken bij de homoboekhandel, je gaat bij
voorkeur naar een homoseksuele kapper en je bezoekt alle homoseksuele films.
Gaandeweg
- en deels is dat ontstaan uit een slecht doordachte maar zeer begrijpelijke
politieke strategie - heeft het idee wortel geschoten dat homoseksualiteit
'aangeboren' is. Als homoseksualiteit aangeboren is, kun je er immers niks aan
doen. Je bent zo gemaakt, het is geen keuze, het is je overkomen. En omdat jij
het maar hebt te accepteren, hoort dat ook voor anderen te gelden. Anderen
hebben niet het recht je te verwerpen. Het is immers je natuur en met de natuur
valt niet te argumenteren noch valt eraan te ontkomen. Of, in religieuze
termen, en om met de rooms-katholieke priester Fr. Franco Barbero te spreken:
'Gays are gay by the will of God. God does not produce faulty parts. God is not
Fiat.' Een dappere man overigens, deze Barbero: hij verbond dertien
homoseksuele stellen in de echt in zijn kerk en werd om die reden door paus
Johannes Paulus II uit het ambt gezet.
Deze
opvatting van homoseksualiteit - het is je lot, je aard, je natuur - gaat uit
van een essentialistische opvatting van de mens. We
zijn dit of dat en wat
we ook zijn, er is geen ontkomen aan. Je kunt jezelf niet onderdrukken, en daarom
mogen anderen dat ook niet. Onderdeel van deze essentialistische opvatting is
de gedachte dat seksuele uitingen veel meer dan een type gedrag zijn: ze geven
een wezenskenmerk weer. Homoseksualiteit is geen gedrag maar karakter. Diep
geworteld, onvervreemdbaar en slechts op straffe van frustraties en trauma's
onderdrukbaar karakter. Je natuur. Alleen wie zijn natuur niet onderdrukt, kan
waarlijk vrij zijn.
In het plaatje van seksualiteit als essentialistische geaardheid zitten echter
barsten en haperingen. Hoe passen mensen erin die freelance homoseksueel zijn?
Waar vallen de mannen onder die keurig heterosekseel getrouwd zijn en 's avonds
op parkeerplaatsen langs de snelweg heimelijke contacten met mannen hebben? Hoe
passen we de meisjes erin die op hun juf Engels of gymnastiek verliefd waren?
Waar plaatsen we jonge islamitische mannen die zich, zoals Hafid Bouazza
beschrijft, in verhalen die mij doen denken aan de oude Griekse cultuur, anale
seks laten welgevallen met oudere mannen? Waar hoort de noodhomo, de man die in
gemeenschappen zonder vrouwen - zoals het leger of de gevangenis - seks met
geslachtsgenoten heeft? Veel historica's waren ferm in zulke discussies: zij
plaatsten vrouwen die hun emotionele banden vooral met vrouwen hebben en met
hun man niet veel meer dan de huwelijkse status delen, met een grote zwaai
onder het banier der homoseksualiteit.
In de essentialistische opvatting zijn deze mensen eigenlijk homoseksueel. Maar ze
weten 'het' nog (?) niet, of ze durven 'er' niet voor uit te komen. Ze zijn
kasthomoseksuelen, luidt de redenering. Onderdrukt door zichzelf, onderdrukt
door de samenleving.
Wat doe je in dit model echter met uitgesproken homoseksuele mannen of vrouwen die
tussendoor, of later, oog voor de andere sekse krijgen? Zo ken ik een lesbisch
stel dat geregeld seks heeft met meneren - weliswaar gedrieën, en die meneer is
dan vrijwel altijd homoseksueel, dus het blijft fijn onaangepast - maar toch:
ze hebben de facto dan heteroseksueel verkeer. Toch zullen ze dat zelf nimmer
zo betitelen. Daarnaast ken ik vrouwen die zichzelf jarenlang als lesbisch
hebben betiteld en die daarover nooit enige publieke of politieke aarzeling
hebben gehad, die zich nu volledig op het daten met mannen hebben gestort. Ook
daarover wordt wel gepraat, maar nooit publiek. Ik bespeur enige gêne,
voortkomend uit de vrees verraad te plegen aan de goede zaak. Dat je niet meer
zuiver op de graat bent. Dat je afvallig bent. Dat je wellicht uitgestoten
wordt. Of erger: dat je niet Echt bent, en al die tijd een homo in
schaapskleren was.
Videofragment: Will & Grace, seizoen 2, aflevering 19.
Will heeft een lapdancer uitgenodigd ter gelegenheid van het vrijgezellenfeest
van een heteroseksuele vriend, maar niemand durft. Jack, een dijk van een nicht,
offert zich op. Alleen kan hij niet voorzien wat er dan gebeurt.
Klik
hier voor het fragment, dat zal dan in een nieuw venster verschijnen.
Want over zuiver op de graat gesproken: daar kunnen we
inderdaad wat van, in homoland. Een verhaaltje uit de oude doos, een column van
vijftien jaar geleden uit de XL, het blad van het COC. De gebeurtenissen zijn
gedateerd maar de gedachtegangen zeer zeker niiet:
Tekens
Op de Feministische Boekenbeurs was nog een akelige
rel. Iets met radicalesbo's die begonnen te schelden op heterodames in het
algemeen en mannen van beiderlei kunne in het bijzonder, en dat hetero
enigszins vies was en lesbo witter waste en het programma van de beurs te bont
was. U kent ze wel, dat soort discussies, vrees ik.
Er werd gescholden; er werd geschreeuwd. Er werd uiteindelijk zelfs gepord,
getrokken en geduwd. Een vriendin van
mij, Z, die die dag medeverantwoordelijk was voor het reilen en zeilen des
beurzes en die nogal bedreven was in het omgaan met hinderlijke types, liet
zich niet intimideren en greep in. Waarop een van de radicalezzies begon te
krijsen dat Z zich er al helemaalbuiten diende te houden aangezien ze
overduidelijk deel uitmaakte van het vijandelijk kamp: ze was hartstikke
hetero, dat zag je zo met die laknagels van d'r, en Z had dus sowieso geen
recht van spreken. Bek houden, oprotten, weg met dat heterogedoe, d‡t was het
devies. Z, ook niet op haar mond gevallen, liep dreigend op de schreeuwlelijk
af en voegde haar toe: 'Wacht maar, straks pák ik je.' De radicalesbo
verbleekte en bond in.
Mevrouw W, die alom bekend stond als lesbisch, was
iets erg moois aan het beleven met mevrouw X, een dame die voor heteroseksueel
versleten werd. Je hoefde ze maar samen te zien om te weten wat er gaande was:
ze waren vreselijk verliefd, het spatte hun ogen uit.
'Hoe zit dat nu toch, met jou en X,' vroeg een door de wol geverfde exclusieflesbo
aan mevrouw W. 'Is ze nu wel écht zo?' Mevrouw W dacht aan haar mevrouw X; een
lach van minnen en houden van en vertederd en verliefd zijn krulde zich om haar
lippen. Ze zei niets; ze smolt alleen maar. 'Ja maar hoe zí dat nu?' drong de
vragenstelster aan. 'Ze is toch niet lesbisch?' Mevrouw W dacht aan hun kozen
& kussen en aan haar in de war geslapen bed en zei niets. Haar glimlach
verdiepte zich nog. 'Maar haar nágels dan?' hield de vragenstelster aan.
Nagels. Daar is iets mee - het is de laatste grens die
ingezet wordt om he van ho te kunnen onderscheiden, qua dames. Lippenstift mag
weer, korte rokken en lingerie zien wij alom en zelfs hakken zijn tegenwoordig
toegestaan, maar lange nagels en dan ook nog gelakt - nee, daar haakt men af.
Dat kan niet. Dan is men Niet Echt Lesbisch.
Daartoe geprest wil iemand nog wel eens een poging doen de lange nagel ideologisch te
kloven. Dan volgt er een uitleg in het genre dat zulke nagels pijn kunnen doen
en tot verwondingen kunnen leiden wanneer men elkaar vasthoudt en kust en
koost. Dat lange nagels gevaarlijk zijn, krassen achterlaten en náár aanvoelen.
Nog daargelaten dat eelt en ruwe nagelriemen volgens mij erger zijn, en esthetisch
bovendien minder aangenaam: men overdrijft. Men overdrijft schromelijk. Dat het
in werkelijkheid niet om de lengte der nagels gaat of deszelfder kleur, maar
dat wij feitelijk spreken over de korte nagel als teken, als middel
ter herkenning van De Damessectie van De Familie, begon
mij te dagen toen ik eens een lief had dat per definitie kloeg over de lengte
van de mijne. Hoe kort ik ze ook knipte, het was haar nooit kort genoeg. Zelfs
wanneer ik mij in het vlees knipte en vijlde kloeg zij mij dat mijn nagels te
lang waren en haar leed berokkenden. Ik vijlde en knipte; zij snibde. Het ging
ook helemaal niet om mijn nagels, besefte ik. Het ging eigenlijk over mijn
lippenstift en mijn kleren en mijn lange haren, met krullen bovendien. Het ging
erover dat ik te damesachtig was, niet zó genoeg.
Nu ben ik inderdaad niet zó genoeg, en meneren daar kan ik vreselijk veel en ook
innig oprecht van houden, maar dat doet er even niet toe. Het ging erom dat
alle onwennigheid over kleding en haar en lippenstift werd uitgevochten op de
vierkante millimeters van mijn nagels. Kleren en haar en lippenstift zijn
tegenwoordig namelijk politiek oké, ze mogen weer, of liever gezegd: ze moeten
weer mogen. En de dames die daar nog over dubben grijpen de nagels aan als
laatste verdedigingslinie. Opdat men elkaar Onderling dan namelijk toch nog érgens aan kan herkennen. Dat er een teken dient te zijn dat he van ho scheidt,
en twijfelgevallen en overgangszones markeert.
Z deugt. Of Z lange of korte nagels heeft is haar zaak
en desnoods die van haar geliefde, maar zegt absoluut niets over haar
betrouwbaarheid in politieke discussies.
W en X zijn razend verliefd en vreselijk aan elkaar gewaagd. Of X pas bekeerd is
indien zij haar nagels trimt en in de aceton doopt, betwijfel ik. Of X überhaupt bekeerd en tot Officieel Lid der Familie bestempeld moet worden,
betwijfel ik al evenzeer. Belangrijker is dat W en X razend verliefd zijn en
vreselijk aan elkaar gewaagd; met etiketten en Familie heeft dat niet veel uit
te staan.
Ik wil niemand ooit meer iets horen zeggen over nagels. Nog één woord en ik sla ze
uit.
Terug naar nu
Wat we hier zien, is de zucht naar Echt. De zucht naar
Uitspreken. De zucht, uiteindelijk, naar conformisme, de zucht naar een
partijlijn. Het is dezelfde zucht die spreekt uit woede over uitbundige kledij
of gedrag tijdens de Gay Parade - 'Maar niet alle homo's zijn ZO!!, dit geeft
een verkeerd beeld van ONS!' - alsof er een allesoverkoepelend 'ons' is waar iedereen die homoseksuele
gevoelens of oriëntaties kent, onder zou kunnen vallen.
Juist deze opvatting - er is een 'natuur' die ontdekt kan worden, er is een groep,
'ons', die deze natuur gemeen heeft - maakt biseksualiteit tot een lastig
concept. We weten het allemaal: wie zegt biseksueel te zijn, wordt in homoland,
op de Bibelebonse Berg, niet helemaal voor vol aangezien. Je durft niet te
kiezen. Je eet van twee walletjes. Je schippert. Je gaat de discriminatie, de
repressie, de niet-acceptatie uit de weg. Je schuwt de discussie. Je flirt met
homoseksualiteit omdat het 'modieus' zou zijn (denk aan de discussie over
'metroseksuele mannen'). Je bent eigenlijk wel homoseksueel maar je bent nog niet
zover dat je daar honderd procent voor uit durft te komen. Je verzaakt de
strijd, je past je aan aan de heteronorm. Je bent een homoseksueel in
schaapskleren. Met gelakte nagels, ook dat nog.
Maar de ingeburgerde gedachte dat homoseksualiteit exclusief is, een aan/uit-switch
- je bent het, of je bent het niet - is in de grond vals. Evenals de gedachte
dat heteroseksualiteit voor homoseksuelen uitsluitend iets uit het verleden is,
iets van toen ze 'het' nog niet wisten, of nog niet durfden erkennen. De werkelijkheid
is aanzienlijk rafeliger en minder afgebakend, en vooral: minder gepolariseerd.
Heteroseksualiteit is niet altijd een eens gepasseerd en nu achterhaald
station, en homoseksualiteit niet altijd het eindpunt van de reis. Er zijn veel
mensen die oscilleren. Die op de wip zitten: Now you see it, now you don't. Die
gedurende hun leven meerdere keren van voorkeur wisselen, of die soms relaties
met beide seksen tegelijk hebben.
Is 'biseksualiteit' eenzelfde
categorie als homo- en heteroseksualiteit? Moeten we de instelling van een
derde categorie bepleiten en een nieuw hokje inrichten voor mensen die niet zo én niet zo zijn? Is er behoefte aan een derde weg in seksuele identiteit? Om
die vraag te beantwoorden, sla ik even zijpaadje in, ingeleid door een videofragment.
Videofragment: Sex & the City, seizoen 2, aflevering 11.
Charlotte gaat uit met een kennis, 'a gay friend who
catered parties for the gallery', en raakt in de war.Klik
hier voor het fragment, dat zal dan in een nieuw venster
verschijnen.
Wat we gewoonlijk doen, is homoseksualiteit tegenover
heteroseksualiteit stellen. Die twee sluiten elkaar vervolgens uit, zo gaat dat
bij dichotomiën. Vandaar ook al die verhalen over moeten keizen, over of het
een dan wel het ander zijn.
Dichotomiën houden zichzelf in
stand doordat de ene helft de andere veronderstelt en beide delen niettemin
niet zonder elkaar kunnen bestaan. (Een lichaam zonder geest is een lijk, een
geest zonder lichaam is bijgeloof.) Zulke binaire opposities vormen een
gesloten, zichzelf reproducerend systeem waarbij de ene helft de andere
aanvult, of beter: construeert. Want dichotomiën zijn zelden vrijblijvende
ordeningsprincipes, ze zijn hiërarchisch en asymmetrisch.
De wrangheid ervan is inderdaad dat het dominante deel - iemands witheid, iemands
heteroseksualiteit, iemands mannelijkheid, iemands gezondheid, iemands
menselijkheid - op voorhand wordt verondersteld tenzij het tegendeel bewezen
is. Alleen de uitzonderingen en de afwijkingen van de norm hoeven te worden
benoemd: de allochtoon, de homo, de vrouw. Het prerogatief van de macht is om
niet in twijfel getrokken en geanalyseerd te worden: de macht is de
vanzelfsprekendheid.
Belangengroeperingen
en emancipatiebewegingen ondermijnen deze normerende vanzelfsprekendheden en
bevechten tevens de vermeende neutraliteit ervan: ze wijzen op het gemak
waarmee het een boven het ander wordt gesteld. Ze
richten zich doorgaans op een beter evenwicht tussen beide helften van de
tweedeling. Homo's zouden dezelfde rechten moeten krijgen als hetero's, mannen
horen niet bevoorrecht te worden boven vrouwen, zwarte mensen doen niet onder
voor witte en de mens zou de natuur niet horen te behandelen als iets dat naar
believen gebruikt, gemanipuleerd en uitgeput kan worden, en ook dieren hebben
rechten.
Emancipatiebewegingen willen
kortom hun 'rechtmatige' deel en eisen daartoe betere omgangsvormen, gebaseerd
op een gelijkwaardiger etiquette. Opdat men rekening houdt met het feit dat
niet iedereen wit, man, heteroseksueel etc. is.
En juist hier lopen de dingen spaak.
Want wat lastig is, is dat zulke dichotomiën zichzelf voortplanten en zichzelf in
stand houden - soms zelfs door de mensen die ze proberen aan te vechten.
Immers, het simpele hanteren van de dichotomie heeft de zaak aan beide kanten
dramatisch vertekend - en het is naar alle waarschijnlijkheid weinig zinvol te
blijven denken in termen van 'beide kanten' die met elkaar 'in overeenstemming'
of 'in evenwicht' moeten worden gebracht. De definities van wat zo'n kant
behelst, zijn namelijk per definitie beïnvloed door het simpele feit dat er een
tweedeling is geconstrueerd en dat we uitgaan van de gedachte dat er 'dus' een
constituerend verschil moet zijn, dat vervolgens slechts gevonden en geuit
dient te worden. Je moet je 'ware' aard vinden. (en dan goed je nagels vijlen).
De categorie 'biseksualiteit' tracht zich aan die
tweedeling, aan die dichotomie te onttrekken. Maar het probleem is dat we
daarmee een nieuwe categorie in het leven proeberen te roepen, een soort van
bufferzone. Wat de categorie 'biseksueel' eigenlijk doet, is trachten het
grensverkeer tussen twee Koude-oorlogsmachten te reguleren. Het is een nobel streven,
maar ik denk niet dat het werkt. In de praktijk word je dan namelijk gewoon
onder de voet gelopen, en over en weer als oorlogsbuit opgeëist. Dat is
inderdaad precies wat biseksuelen, politiek en sociaal, altijd gebeurt: ze
worden ingelijfd bij een van de twee kampen of erdoor vermalen.
Een stom, simpel en doeltreffend praktijkvoorbeeld. Veel mensen weten dat ik mezelf
makkelijk met homoseksualiteit associeer. Ik schrijf in homoblaadjes, ik zit in
het bestuur van een homoboekhandel, ik verschijn wel 's op homo-gebeurtenissen
en ik schrijf geregeld in de krant over het denken over homoseksualiteit en
bevecht dan domme vooroordelen. De meeste mensen zien mee echter niet als
lesbisch. Dat heeft deels te maken met mijn uiterlijk en de daarmee gepaard gaande
aannames, deels ook met het feit dat ik net iets vaker met mannen dan met
vrouwen verkeer.
Sinds een paar maanden heb ik een vriendin. Ik geneer me absoluut niet om dat tegen
wie dan ook te zeggen, en als het te pas komt doe ik dat ook. Maar de enige
drie mensen op mijn werk bij wie ik ineens schuw word - nee erger: argwanend -
om het te vertellen, zijn de drie homoseksuele mannen bij een van mijn
opdrachtgevers. Omdat ik vermoed te weten hoe ze zullen reageren, en ik geen
zin heb in een hartelijk 'Dat had ik altijd al gedacht!' of: 'Welkom in de familie!'
Mijn bezwaar is dat ik het
kennelijk eerst met een dame moet doen om effectief als lid van de familie
erkend te worden. Waarom tellen mijn politieke en sociale inspanningen voor de
goede zaak eigenlijk minder dan de vraag naar de sekse van degene wie ik in het
weekend in slaap val? Tel ik werkelijk minder mee als mijn enige bedpartner
mijn kat zou zijn, of een man? Zou het zelfs niet meer winst zijn als ik in
mijn liefdesleven een doorgewinterd heteroseksueel zou zijn, en politiek toch buitengewoon
homoseksueel betrokken? Waarom zien we eigenlijk überhaupt een tegenstelling
tussen die twee dingen? Waarom moet ik eigenlijk in een familie? En waarom zou
ik het etiket 'lesbisch' wél accepteren als ik het etiket 'heteroseksueel'
zowat mijn hele seksuele leven heb verworpen?
Noem ik mezelf dan biseksueel? Nee. In de regel noem
ik mezelf niets, dat doen anderen voor me. Hooguit, bij wijze van grap en om
verwarring te zaaien, noemde ik mezelf vroeger wel eens'hutspot'. Maar ik vind
dat geen mooi woord dus ik heb die gewoonte laten vallen.
Er speelt nog iets anders: verzet tegen uitspreken. Pas toen een goede vriend van
me mij vertelde over zijn wedervaren bij een buddytraining, drong dat tot me
door. In de training - gegeven door de Schorer, het ging om mensen die werden
geschoold tot buddy voor aids-patiënten en mensen die beginnende transseksuelen
zouden bijstaan - werd een rondje gemaakt over ieders achtergrond, je moest
vertellen hoe en wat. Toen het de beurt aan mijn vriend was, zette alles in hem
zich schrap. Als hij ging vertellen over zichzelf, moest-ie dingen vertellen
waarvan hij vond dat het anderen helemaal niet aanging. Of hij moest liegen,
dat kon natuurlijk ook, maar dat voelde nog raarder. Zodat hij daar voor het
oog van de zaal uitlegde over transseksualiteit en zichzelf daarmee nolens
volens als 'zo' bekend maakte.
Wellicht was het goed voor de rest van de aanwezigen dat hij ze iets vertelde en liet
zien over transseksualiteit, maar waarom werd hij eigenlijk verplicht dat te
vertellen? Hij wil zich juist als man tonen en nu haalde de Schorer - de
emancipatie nota bene van harte toegedaan - dat streven (waar hij overigens
gewoonlijk altijd goed in slaagt) zonder meer onderuit.
Dat verplicht uitspreken - we vragen het steeds, en we vragen het altijd aan de
mensen die de minderheid vormen. We vinden dat elke homoseksueel (of
biseksueel) zich ten alle tijde moet uitspreken, zichzelf bekend moet maken.
Waarom toch in hemelsnaam? Vanwaar toch die coming-out dwang? Om te bewijzen
dat 'wij' ook heel gewone mensen zijn? Om te bewijzen dat we 'er' zijn, ook
daar? Maar dat weet toch iedereen? En mag je niet gewoon seksistisch gedrag of
heteronormen aanvallen, of gewoon maar beu zijn, zonder zelf een coming out te
moeten doen? Of beter: zonder zelf bi of homo te hoeven zijn? Waarom eisen we
altijd maar dat iedereen zuiver op de graat is? Waarom hanteren we ook zelf
steeds maar weer die dichotomie, en verzanden we in loopgraven? Met dat
zelf-etiketteren maken we van onszelf, waar we eerst 'gewone' mensen waren,
onverbiddelijk 'de ander' en zetten we onszelf in een uitzonderingspositie.
De voornaamste reden dat ik biseksualiteit interessant
vind is dat de praktijk ervan, meer dan die andere twee seksuele categoriën,
zien dat seksuele oriëntatie een vlottend, veranderlijk en flexibel ding is,
iets dat aan constante verandering onderhevig is. En dat geldt oacute;ók voor homoseksualiteit en heteroseksualiteit
- dat zijn niet zulke rotsvaste, geaarde dingen als waar we ze wel voor
verslijten. Het zijn oriëntaties, het zijn niets dan filters waardoor je de
wereld bekijkt en seksuele partners beoordeelt. Het zijn richtingen, geen loopgraven vanwaar we elkaar over en
weer bekijken en beoordelen.
Er is immers ook een andere opvatting over de mens dan de essentialistische,
namelijk de flexibele. Mensen zijn meesters in aanpassing. Ze kunnen zich
camoufleren, ze kunnen provoceren, ze kunnen inbinden of uitpakken, al naar
gelang de situatie dat van ze verwacht of het hen mogelijk maakt. Ze kunnen veranderen.
Ze kunnen wisselen, op hun stappen terugkeren, een ander pad kiezen.
Wellicht zijn we beter af wanneer
we voortaan scheel kijken of licht loenzen, in plaats van onszelf blind te
staren op het verschil of op een van de beide polen van de dichotomie; want
kiezen behelst altijd, onverbiddelijk, ook delen.
Copyright Karin Spaink.
Deze tekst wordt uitsluitend
voor persoonlijk gebruik aangeboden.
|