De groeten!
Het Parool, 1 november 2005
Natuurlijk is een vakantie geen criterium - het is daar zonnig, je
bent vrij, je kijkt uitgebreid rond en bent ontvankelijker, en
bovendien: je valt er zelf meer op in je zomerjurkje - maar toch:
het is niet alleen dat. In Amsterdam worden mensen met het jaar
narriger en afwerender, ik verklaar dat gewoonlijk met de gedachte
dat er hier ook wel erg veel mensen op elkaars lip zitten, maar dat
is niet de enige uitleg. Wenen is ook vol maar daar heerst een
ingebouwde beleefdheid die zo ver gaat dat als je per ongeluk tegen
iemand op botst, de bebotste zich oprecht verontschuldigt. In
Nederland is het logischer iemand in zo'n geval af te snauwen, ook
al veroorzaakte jijzelf de botsing.
'Welkom! Waar kom je vandaan, hoe gaat het met je, hoe vind je
Luxor (of Cairo, of Aswan)?' is de vragentrits die het meest gesteld
wordt aan toeristen in Egypte. 'Wil je thee, moet je zitten. zal ik
je helpen?' de tweede. Het is lawaaierig en soms bemoeizuchtig - en
ja, sommigen willen je allicht iets verkopen - maar het is bovenal
buitengewoon vriendelijk. Als ik naar iemand knikte kreeg ik een
brede glimlach terug. Moet je in Amsterdam eens om komen, hier
vinden we toeristen hoofdzakelijk lastige obstakels, en ze
begroeten? Van zijn leven niet.
Waarom zijn we hier zo onvriendelijk geworden? We wenden onze
blik af als iemand op ons afloopt - oh help, vast een bedelaar of
een gek, straks kom ik niet meer van hem af - en kijken elkaar nog
zelden aan op straat. We lopen in ons eigen coconnetje op straat,
ingepakt in afhoudendheid. Na Cairo ben ik ook hier gaan lachen
tegen iedereen wiens blik de mijne kruiste, en de meeste mensen doen
of ze het niet zien, uit misbegrepen zelfbescherming.
In het verkeer zijn we helemaal onvoorstelbaar bot.
Automobilisten stoppen nog amper voor voetgangers op zebrapaden, en
wie het wel doet stuit op een verraste blik die ongeloof bevat. Of
erger, argwaan: 'weet je het zeker, trek je niet alsnog op?' Ik
knik, toe maar, 't is goed. En dan breekt er een glimlach door.
Even. Goh die mevrouw deed aardig. Wat ongewóón. We zouden ons de
ogen uit de kop moeten schamen dat zulke vriendelijkheid kennelijk
ongewoon is geworden.
Wie systematisch knikt en stopt stuit trouwens op een vreemd
patroon, dat zo sterk is dat ik me afvraag of er zoiets bestaat als
de politiek van de glimlach. Witte Nederlanders betonen zich
namelijk stugger, die teruglach laat bij hen langer op zich wachten
of blijft zelfs helemaal uit. Bij Arabische Nederlanders breekt de
reciproke glimlach aanzienlijk sneller door en is-ie guller. Waarom
is dat? Is aardig zijn tegen vreemden, bij ons kennelijk een
geërodeerd gebruik, bij hen nog gewoonte? Dat zou best kunnen. Maar
ergens in mijn hoofd dreunt oud feministisch onderzoek dat me leerde
dat wie minder macht heeft en gediscrimineerd wordt, vaker
glimlacht. Uit opluchting gezien te zijn, en uit noodzaak. Want ie
minder status heeft, kan zich geen norsheid veroorloven tegenover
hen die dat wel hebben.
Dat laatste zou een vreselijke conclusie zijn: dan lachen
uiteindelijk alleen nog de machtelozen. Beschouwen we iemand als
eerste toelachen werkelijk als een teken van zwakte, en
vriendelijkheid als een inbreuk op onze privacy en onze status? Dan
zijn we ver heen. Want vriendelijkheid is in de grond niets anders
dan de kortste afstand tussen twee mensen.
Copyright Karin Spaink.
Deze tekst wordt uitsluitend
voor persoonlijk gebruik aangeboden.
|