Praten is lijfsbehoud
Het Parool, 18 oktober 2005
Zodra ik tegenwoordig mail krijg van een Britse journalist, weet ik
hoe laat het is: iemand heeft zichzelf omgebracht en heeft daarover
op internet gepraat. De vragen die ik krijg voorgeschoteld zijn
altijd hetzelfde. Moeten pagina's met informatie over zelfmoord niet
worden afgesloten, mogen providers nieuwsgroepen over zelfmoord
doorgeven, wordt zelfmoord zo niet te makkelijk gemaakt, en voelt u
zich niet verantwoordelijk voor de dood van die zelfmoordenaar,
mevrouw Spaink? Een oude website over zelfmoord staat namelijk op
mijn site geparkeerd; er staan verhalen en gedichten van mensen die
suïcidaal zijn, hij bevat informatie over methodes, en er staan
links naar discussiegroepen.
Ik antwoord altijd hetzelfde. Wie denkt dat mensen makkelijker
zelfmoord plegen als ze er informatie over hebben gevonden,
onderschat schromelijk hoe enorm de stap is om er daadwerkelijk een
einde aan te maken, zelfs als je er ten diepste van bent overtuigd
dat het leven je niets meer heeft te bieden. Er is absoluut geen
eenduidige link tussen weten en doen, tussen kennis en handelen.
Sterker: de ervaring leert dat wanneer mensen die suïcidaal zijn
daar in alle rust over kunnen praten - zonder bang te hoeven zijn
voor de paniekerige, geschrokken of verwijtende reacties van
vrienden en familie, zonder een gedwongen opname te hoeven vrezen,
zonder op een muur van onbegrip te stuiten - ze gaandeweg
realistischer naar hun problemen en oplossingen gaan kijken. Ze
bijten zich minder vast in het idee van zelfmoord. Romantische
noties ('ik wil gewoon in slaap vallen en niet meer wakker worden')
verdwijnen.
De nieuwsgroepen over zelfmoord bewijzen het. Legio zijn de mensen
die vertellen dat ze zichzelf al jaren overeind hebben weten te
houden doordat ze daar in hun donkere uren terecht kunnen, terwijl
het eigenlijk zelden voorkomt dat iemand uit de nieuwsgroep
inderdaad zelfmoord pleegt. In alle jaren waarin ik de groepen
volgde, gebeurde dat gemiddeld drie, hooguit vier keer per jaar. Een
buitengewoon lage score gezien de gesteldheid van de bezoekers ervan.
Het is makkelijker te geloven dat die vieze-vuile-gevaarlijke
nieuwsgroep verantwoordelijk is, te denken dat zonder internet je
kind nog geleefd zou hebben. Het is makkelijker te wijzen naar
websites dan je af te vragen wat er nu zo vreselijk misging in het
leven van je kind, je lief, je vader. Het is makkelijker boos te
worden dan verdrietig te wezen. Maar misschien, heel misschien, is
het goed om te weten dat je kind tenminste ëën plaats had waar het
wel vrijuit kon praten, misschien is het goed te ontdekken dat je
lief zelfs in zijn donkerste uren niet helemaal alleen was, en
misschien helpt het je te realiseren dat je vader ook zonder
internet wel een weg had gevonden om eruit te stappen. Kennis over
zelfmoordmethodes is immers vrij algemeen.
Dat probeer ik dan allemaal te vertellen aan zo'n Britse
journalist. Meestal kom ik, zoals gisteren op de radio, niet verder
dan de eerste zinnen omdat mijn bijdrage slechts symbolisch is
bedoeld en moet bewijzen dat ook de verdedigers van zulke websites
en nieuwsgroepen worden gehoord. Het zijn rare gesprekken, waarin
het concrete leed van de nabestaanden tegenover algemene verhalen
komt te staan en een wedstrijdje moeten aangaan. Zo'n discussie
werkt niet.
En toch moet het soms. Als niemand tegenwicht biedt, hoe moeizaam
ook, beroven nabestaanden met al hun verdriet de mensen die toch al
op de rand balanceren, van de laatste plek waar ze soelaas kunnen
vinden.
Copyright Karin Spaink.
Deze tekst wordt uitsluitend
voor persoonlijk gebruik aangeboden.
|