Vrouwenpraat
Het Parool, 8 maart 2005
Snappen hoe je lichaam werkt vind ik niet minder belangrijk dan
snappen wat je hoofd of de wereld doet, zodat ik op zoek wou naar
informatie toen ik vorig jaar vermoedde dat ik in de overgang
raakte. Want van verbazing constateerde ik dat ik daar weinig van
weet. Over vrouwenbloed en baarmoeders hoor of lees je zelden iets,
alle huidige - relatieve - openheid over seks en lichamelijkheid ten
spijt. Was zesenveertig niet wat jong? Begon de menopauze
tegenwoordig misschien vroeger vanwege goede voeding, net zoals
meisjes steeds op jongere leeftijd gaan menstrueren? Als je nooit
veel last hebt gehad van je menstruatie, heb je dan ook een
betrekkelijk probleemloze overgang? (De natuur is zelden
rechtvaardig, en in dit geval zou dat me goed uitkomen: dan zou ik
ook hier moeiteloos doorheen fladderen.)
Geen antwoord op te vinden. Het was hoogleraar vrouwengezondheid
Marli Huijer die me de basics uitlegde: ja, vrouwen raken steeds
eerder in de overgang, en nee, dat heeft niks met voeding te maken
maar alles met die vroegrijpheid van meisjes. Je hebt namelijk een
beperkt aantal eitjes, een kleine vijfhonderd: hoe vroeger die aan
hun rijping en reis beginnen, hoe eerder je door je voorraad heen
bent en de overgang zich derhalve aankondigt. En nee, er was geen
correlatie tussen menstruatie- en overgangslast.
Ik vroeg vriendinnen en kennissen naar hun verhalen. Gek dat ik
daar expliciet naar moest vragen, op één vriendin na had niemand
ooit eigener beweging gemeld dat ze middenin dat overgangsgedoe zat.
Waarom meld je wel terloops in een gesprek dat je zeurpijn hebt van
je menstruatie maar niet dat je last had van de menopauze? Waarom
had ik daar zélf eerder nooit naar geïnformeerd, uit interesse voor
hen, en waarom moest er eigenbelang aan te pas komen alvorens ik het
onderwerp aansneed?
De antwoorden die ik kreeg waren vrij eenduidig: 'Breek me de bek
niet open.' Bijna iedereen vond het een rotperiode. De een blééf
bloeden, de ander zat in een emotionele roetsjbaan, de derde werd
mal van die opvliegers. Dat maakte de stilte rond het onderwerp eens
zo bevreemdend: er zijn momenteel grofweg een miljoen vrouwen in de
overgang en kennelijk gaat dat bij veel van hen gepaard met
gedonder, maar je hoort er zelden iemand over. Niet in de kranten,
niet op tv, niet in de bladen, en niet onder je vriendinnen. Tenzij
je er doelgericht naar vraagt.
Als het onder vrouwen zelf een drukbesproken onderwerp was, kon
je nog speculeren dat de media de menopauze niet interessant genoeg
vinden: een vrouwenkwestie. (Over een toestand is het altijd
moeilijker te berichten dan over een gebeurtenis, dat helpt ook
niet.) We houden er echter ook zelf onze mond over. Waarom is dat?
Hebben we angst weer tot vrouwenkwaaltjes gereduceerd te worden?
Willen we niet voor zeur worden versleten? Zijn we bang dat als
we vertellen van die roetsjbaan en over wekenlang zonder aanleiding
huilend opstaan, we inboeten aan moeizaam verworven respect? Dat we
worden afgedaan als emotionele vaatdoek, terwijl we eindelijk het
stereotype van de irrationele, onberekenbare vrouw een beetje achter
ons hebben gelaten? Het zou me niet verbazen.
Alleen donderen we van de weeromstuit in een andere valkuil: het
zwijgend gedragen lot. Tanden op elkaar en doorgaan. De fout die we
maken is te denken dat praten gelijk staat aan klagen en zeuren.
Copyright Karin Spaink.
Deze tekst wordt uitsluitend
voor persoonlijk gebruik aangeboden.
|