Vermijdbaar en verwijtbaar
Het Parool, 1 juni 2004
Zwangerschap is godlof geen kwestie meer van de natuur, het lot en
ongelukjes. De pil, het spiraaltje, sterilisatie en de abortuswet
hebben vrouwen de middelen verschaft om hun vruchtbaarheid te
reguleren. De wetenschap dat het vermijden van zwangerschap min of
meer gegarandeerd kon worden, opende echter een onvermoed
achterdeurtje waarlangs een andere notie binnenkwam, namelijk de
gedachte dat ook de gewenste zwangerschap een verzilverbaar recht
was. Er ontstond iets dat het beste te betitelen valt als
consumentisme: voor we het wisten begonnen mensen te spreken over
'een kind nemen' in plaats van het te 'krijgen'.
Tussen de bedrijven door is de definitie van een 'gewenst kind'
dramatisch veranderd. Het gaat niet langer alleen over de vraag of
het tijdstip van de zwangerschap gewenst en goed gekozen is, maar
ook - en steeds meer - of het genetisch gesternte van dit
specifieke, te verwachten kind in orde is. Er mag (of moet) niet
alleen een kind komen, het dient bovenal gezond te zijn.
Dat via genetische screening de geboorte van kinderen met
ernstige ziekte en handicaps kan worden voorkomen is in eerste
aanleg prachtig, want ouders willen liever een gezond dan een ziek
kind. Maar genetische screening roept ook vragen en risico's op.
Voor je het weet gaan we geloven dat zulke diagnostiek gezonde
kinderen garandeert. (Dat is uiteraard een misverstand. Lichamen
zijn zulke complexe fenomenen dat lang niet alle processen die zich
erin afspelen, op voorhand zijn te bepalen.)
Lastiger nog is dat aangeboren afwijkingen niet alleen als
vermijdbaar worden gezien, maar ook gaandeweg als verwijtbaar. Je
móet screenen, je bent immoreel of dom als je een kind met
afwijkingen geboren laat worden. August Hans den Boef noemde het
recent in een teken van 'je verantwoordelijkheid nemen' om kinderen
met Down niet geboren te laten worden, Elsbeth Etty noemde niet
willen screenen deze week een uiting van 'achterlijk christendom'.
Ik vind dat buitengewoon simpel. Wie prenatale diagnostiek laat
uitvoeren kan voor vreselijke vragen komen te staan: laat je een
foetus aborteren als je weet dat het kind later taaislijmziekte
krijgt? Ook als je weet dat mensen met die ziekte tegenwoordig
steeds ouder worden en niet meer dood gaan voor hun puberteit? Hoe
groot is de kans dat er iets tegen taaislijmziekte is gevonden tegen
de tijd dat jouw aanstaande kind er serieus last van gaat krijgen?
Hoe maak je uit of zo'n kind - en latere volwassene - een gelukkig
leven kan leiden? Hoe verdisconteer je daar je eigen zorgen over een
kind bij in, en het feit dat de opvoeding van een ongezond kind
zoveel meer aandacht vergt dan dat van een gezond kind? Daarover
piekeren kun je moeilijk als 'onverantwoordelijk' afdoen.
Etty en Den Boef schuiven zulke vragen groots terzijde. Niet
alleen hebben we recht op gezonde kinderen, lijken ze te menen, ook
- en erger - zijn ouders die hun aanstaande kind niet laten testen
achterlijk dan wel onverantwoordelijk. Dat zijzelf daarmee op hun
beurt de gedachte in de hand werken dat een kind met een aangeboren
ziekte ter wereld brengen fout is, want vermijdbaar en
verwijtbaar, lijken ze niet te beseffen. Noch dat ze er een
consumentisme van de ergste soort mee bevorderen: het kind als
bestelbaar product en gezondheid als verwerfbaar goed, verkrijgbaar
door ongezondheid weg te wieden.
Copyright Karin Spaink.
Deze tekst wordt uitsluitend
voor persoonlijk gebruik aangeboden.
|