De patiënt in de computer
Het Parool, 24 februari 2004
In 2006 moet het elektronisch patiëntendossier landelijk zijn
ingevoerd: een centraal bijgehouden medisch dossier waartoe alle
behandelaars toegang hebben. Zo'n elektronisch dossier (EPD)
voorkomt, zo hoopt men, dat de ene arts niet weet wat de andere arts
de patiënt in kwestie heeft voorgeschreven of dat onderzoeken dubbel
worden uitgevoerd. Op zich een prachtig plan, hoewel ik me altijd
afvraag of je een gebrek aan samenwerking eigenlijk wel via de
techniek kan afdwingen.
Aan dat EPD zitten echter nog allerlei vragen vast die slecht of
niet doordacht zijn, En de tijd dringt: over pakweg twee jaar zou
het systeem werkend moeten zijn en gaan al uw medische gegevens, de
informatie over uw medicijngebruik en de verslagen van uw
fysiotherapeut erin.
De toegangsproblematiek - wie mag het EPD bekijken; wie mag gegevens
invoeren; wie mag gegevens muteren - is buitengewoon complex. Het
idee is dat alle betrokkenen het dossier moeten kunnen raadplegen.
Maar dat is een veel te eenvoudig uitgangspunt. Als patiënt (en als
beleidsmaker) wil je evident niet dat de bedrijfsarts zomaar
toegang heeft tot alle gegevens, dat heeft hij nu trouwens ook niet.
Maar hoeveel mag een verpleegkundige weten, hoeveel de vroedvrouw of
de laborant? Hoort de opticien toegang tot zo'n systeem te hebben?
De psychiater, de psycholoog? Wie regelt de niveaus van toegang? Kan
de patiënt zelf iemand 'promoveren' en hem of haar hogere toegang
geven of ontzeggen? Tot welk niveau krijgt de patiënt zélf eigenlijk
toegang?
Deels zijn deze vragen natuurlijk dezelfde als bij een papieren
systeem, maar juist omdat EPDs veel vollediger zullen zijn dan de
dossiers die nu her en der over één en dezelfde persoon bestaan -
immers, de bedoeling is dat alle medische informatie per persoon
wordt verzameld en geordend - worden deze vragen navenant prangender.
Daarnaast maakt de aard van het EPD dat er plots twee heel nieuwe
categorieën beroepsgroepen toegang hebben tot de patiëntendossiers:
ten eerste datatypisten (die oude gegevens en de notities van
computervrezende artsen moeten invoeren), ten tweede de
systeembeheerders. Alleen voor artsen en verpleegkundig personeel
geldt thans een geheimhoudingsplicht, compleet met privacyregels en
sancties. Ook aan de niet-medici die met het EPD te maken krijgen,
de systeembeheerders en datatypisten, zal een geheimhoudingsplicht
moeten worden opgelegd. Gebeurt dat niet, dan zou ik als patiënt
heel ongerust worden van zo'n EPD.
Voorts roept het karakter van een EPD een heel nieuw probleem op.
Misbruik maken van gegevens - ze ontvreemden, bijvoorbeeld - wordt
aanzienlijk makkelijker. Een kopie van iemands medisch dossier maak
je niet zo een-twee-drie, maar een bestand op een floppy zetten is
een fluitje van een cent. En ik wil wedden dat er grof te verdienen
zal zijn aan zulke medische spionage: bladen als Story en Weekend
zullen vermoedelijk goud geld betalen voor het EPD van Maximá, Frans
Bauer of de minister-president. Werkgevers zullen erg nieuwsgierig
zijn naar het medisch dossier van hun sollicitanten,
verzekeringsbedrijven naar dat van hun klanten. 'Wist mevrouw X écht
niet dat ze een chronisch progressieve ziekte had toen ze zich bij
ons aanmeldde?'
Los van slechte bedoelingen: ook met de beste intenties of uit
onnadenkendheid wordt er thans al te soepel met medische informatie
omgesprongen. Nu al is het gebruikelijk dat allerlei instanties, al
dan niet bedoeld, persoonlijke medische informatie van hun cliënten
uitwisselen. (Verzekeringsmaatschappijen krijgen bijvoorbeeld,
zuiver via de rekeningen die ter declaratie bij hen binnenkomen, een
vrij gedetailleerd beeld van de actuele conditie van hun
verzekeringsnemers.) Met de ingebruikneming van EPDs zal die
hoeveelheid enthousiast uitgewisselde informatie alleen maar
toenemen. Er is voorts amper wetgeving ter bescherming van medische
gegevens, terwijl (om database- en privacy-deskundige Simson
Garfinkel te citeren) 'op geen enkel gebied het verschil tussen
enerzijds de gegevensbescherming die mensen verwachten en anderzijds
de alledaagse realiteit zó groot is als juist in de medische sector.'
Toch is juist de zekerheid dat met medische gegevens bijzonder
secuur wordt omgesprongen, cruciaal. Immers, de bereidwilligheid van
mensen om pijnlijke of gênante zaken aan specifieke personen of
instanties te openbaren, staat of valt met hu vertrouwen dat er
zorgvuldig met zulke gegevens wordt omgesprongen. Wie zou er nog een
aidstest doen als hij weet dat er kans is dat die gegevens morgen op
straat liggen? Maar juist die geheimhouding is een lastig ding, en
des te moeilijker te handhaven naarmate meer mensen toegang tot
gegevens hebben. Zoals Garfinkel zegt: 'De geheimhouding van feiten
vergt de medewerking van alle betrokkenen. Het openbaar maken ervan
vergt slechts één klootzak.'
Copyright Karin Spaink.
Deze tekst wordt uitsluitend
voor persoonlijk gebruik aangeboden.
|