Wereldgriep
Het Parool, 10 februari 2004
Volgens de tellingen van het Aidsfonds zijn er wereldwijd al 3
miljoen mensen aan aids overleden en zijn 40 miljoen mensen met het
virus besmet. Bijna driekwart van de besmette mensen zijn Afrikanen,
meest mensen tussen de 25 en 45. Dat laat op termijn een gebied van
bejaarden en wezen over, een ramp waarvan haast niemand de
proporties werkelijk kan overzien: er blijven simpelweg te weinig
mensen over om te werken, om de kinderen op te voeden, om de ouderen
te verzorgen en het land te besturen. Ethiopië kent grote groepen
dakloze aids-wezen, kinderen die amper verzorgd worden en die geen
opleiding kunnen volgen.
Maar hoe vreselijk aids ook heeft huisgehouden, dat zinkt in het
niet vergeleken met de Spaanse griep. 'Griep', dat klinkt akelig
maar niet ernstig: alsof je na twee weken weer op de been staat. Dat
was bepaald niet het geval, de Spaanse griep was een heuse plaag. Op
een wereldbevolking van 1,8 miljard mensen raakte een kwart besmet
en stierven er naar schatting 40 miljoen. Als we dat omrekenen naar
onze huidige wereldbevolking van 6375 miljoen mensen, dan hebben we
het over 1594 miljoen zieken en 130 miljoen doden.
Dat zijn onvoorstelbare aantallen. Het hele openbare leven zou
instorten: geen openbaar vervoer, geen water of elektriciteit
(behalve voor de overvolle ziekenhuizen), geen bevoorrading van
winkels, het betalingsverkeer stokt, het halve bestuur ligt plat. Er
zouden te weinig verpleging, te weinig ziekenhuisbedden en te weinig
medicijnen zijn. De politie was dan ziek en overal braken relletjes
uit waartegen niemand goed kon optreden. Winkels zouden worden
geplunderd. En veel, heel veel mensen zouden vreselijk ziek zijn,
hun geliefden en soms ook hun huis verliezen, en ze zouden ten einde
raad zijn.
De kans is groot dat een verse Spaanse griep meer impact heeft
dan de vorige. We leven dichter op elkaar en reizen veel meer dan
een eeuw geleden: die dichtheid en beweeglijkheid helpt enorm bij de
vlotte verspreiding van besmettelijke ziektes.
De aarde zou het wel kunnen gebruiken, zo'n ziekte, dat is
wellicht nog het allerergst. Wij mensen wonen haar uit. We nemen te
snel in aantal toe en we plegen roofbouw op dieren, aarde, lucht en
water. We verspreiden ons als ene plaag. De aarde kan wel een vals
virus gebruiken om ons in toom te houden. Maar je moet er niet aan
denken.
Toch is dat precies wat mensen doen. In de epidemiologie wordt
steeds openlijker gesproken over de kans dat er een opvolger van de
Spaanse griep de kop opsteekt, en ik zie steeds vaker horrorfilms
over gruwelijke, besmettelijke ziektes die uitbreken en miljoenen
mensen ineens te grazen nemen. Horrorfilms zijn altijd een geweldige
graadmeter voor de angsten van een cultuur, en dit is kennelijk een
angst in opkomst. In die films komt het meestal op het nippertje
goed, gewoonlijk dank zij de dappere inspanningen van
wetenschappelijk en medisch personeel, maar in de echte wereld weten
de deskundigen het nog zo net niet.
Aids was de eerste grote ziekte van onze tijd. Aids heeft ons de
angst opnieuw geleerd. Daarna kwamen de dierenplagen: de vogelgriep,
de varkenspest. Uit angst dat die ziektes op mensen zouden overslaan
(of onze export zouden aantasten) zijn er toen miljoenen dieren over
de kling gejaagd. Met mensen doe je dat niet zo snel, een massamoord
plegen, ook niet als de hele wereldbevolking op het spel staat. Wat
we wél kunnen doen is volstrekt onduidelijk. SARS - een ziekte die,
net zoals aids dat eerder had gedaan, van dier op mens oversloeg -
heeft ons geleerd hoe snel een dodelijke ziekte van land naar land
kan springen: SARS nam gewoon het vliegtuig. De vogelgriep heeft ons
geleerd dat mensen ontvankelijk kunnen zijn voor vogelziektes;
gelukkig lijkt zo'n ziekte tot op heden niet van mens op mens
overdraagbaar.
De grote angst van deskundigen is dat een vogelgriep op varkens
overslaat en daar een dodelijk verbond aangaat met varkensgriep.
Zo'n mutatie levert namelijk een variant op die mensen op elkaar
kunnen overdragen: wij zijn buitengewoon gevoelig voor varkensgriep
en besmetten elkaar daar heel gemakkelijk mee.
De dieren die we houden, leven nog meer opeengepakt dan wij en we
vervoeren ze de hele tijd. Als in een stal iets naars uitbreekt, is
er meteen geen houden meer aan. We hebben daar al te veel akelige
beelden van gezien: van levenloze roze biggetjes in stalen grijpers
en kipjes die bij honderdduizenden werden geruimd, tot Chinese
politieagenten die levende kippen in het vuur gooien.
We maken door onze leefwijze onze dieren kwetsbaar, en daarmee
ook onszelf.
Copyright Karin Spaink.
Deze tekst wordt uitsluitend
voor persoonlijk gebruik aangeboden.
|