Bedelen bij de dokter
Het Parool, 2001
IN ZIJN BOEK Sterfwerk beschrijft psychiater Boudewijn
Chabot het wedervaren van mensen die, zonder de hulp van een
arts, in eigen kring zelfmoord pleegden, meestal om fysieke
redenen. Het is een nogal wrang boek, vooral omdat de meeste
mensen van wie hij de dood beschrijft, in eerste instantie
veelvuldig en vergeefs hebben aangeklopt bij hun huisarts.
Een fors deel van de verhalen gaat over mensen die, alle
zorgvuldigheidseisen rond euthanasie en hulp bij zelfmoord
in acht nemend, wel degelijk binnen de daarvoor gestelde
criteria vielen.
Artsen zijn echter niet altijd genegen ernstig zieke of
gehandicapte mensen bij te staan indien zij dood willen.
Soms aarzelt een arts omdat hij niet zeker is of het in dit
specifieke geval wel mag (en wanneer je als patiënt dan -
met jurisprudentie in de hand, zoals één van de mensen in
Chabots boek deed - aantoont dat het wel degelijk mag, wordt
je als drammerig weggezet en verspeel je je kans). Soms
weigert een arts omdat hij moreel niet goed met euthanasie
uit de voeten kan, wat zijn goed recht is (al zou het zo'n
arts sieren als hij je dan naar een ander doorverwees). Soms
weigert een arts omdat euthanasie ook voor hem een slopend
traject is, en je wanneer de derde patiënt in een half jaar
bij je komt aanzetten, wel eens gaat denken: oh hemel, niet
weer!
Wie afgewezen wordt voor euthanasie of hulp bij zelfdoding,
slikt zijn voornemen echter zelden in. De drijfveer om de
dood te kiezen is immers de aftakeling of de als
onacceptabel ervaren afhankelijkheid, en die wordt er met
zo'n afwijzing heus niet minder op. Dus doen mensen het soms
zelf, dat doodgaan. Ze organiseren uit arren moede dan maar
hun eigen dood. Dat gaat niet altijd van een leien dakje.
Verpleeghuisarts Bert Keizer sprak in een recensie van
Chabots boek zelfs over "de taaie volharding die [deze]
moeizaam levende medeburgers moeten opbrengen om zichzelf
het graf in te vechten".
Chabot verhaalt van versterven, een uiterst langzaam en
pijnlijk proces waarbij de patiënt gaandeweg uitmergelt. Hij
vertelt van patiënten die hun arts om de tuin leiden en die
geleidelijk een voldoende hoeveelheid dodelijke pillen weten
te sparen. Hij vertelt van patiënten die in een onzegbaar en
ontoetsbaar complot met hun arts een receptje hier en een
receptje daar krijgen, waarbij de arts weet welk doel die
pillen op termijn zullen dienen en van de patiënt
zwijgplicht vergt in ruil voor zijn eigen mondjesmaat
loslaten van de middelen daartoe, zonder echter
verantwoordelijkheid te hoeven nemen.
Nu begrijp ik die artsen wel. Die hebben de medicijnkast in
alleenrecht gekregen, en dit monopolistische bezit brengt ze
vaak in een netelige positie. Ik zou soms echter - in ruil
voor ons maatschappelijk begrip voor hun pijnlijke positie -
wel willen dat artsen luidruchtiger protesteren tegen die
tamelijk onmenselijke positie van poortwachter van de dood
die ze is toegeschoven, en afstand deden van de macht die ze
kennelijk zo zwaar weegt.
Artsen zouden zich bijvoorbeeld
krachtiger kunnen verweren tegen de fervente pogingen van
overheden om alles wat een zachte dood bewerkstelligt onder
de exclusieve hoede van artsen te brengen. (Maar dat doen
artsen nooit, en dat maakt hun bezwaar als gewone mensen een
beroep doen op de toegang van de medicijnkast nogal
ambivalent. Je kunt niet zeggen dat morrelen aan die
sleutel zo'n ramp is als je hem tegelijkertijd vast in de
knuistjes wilt houden. Als je hem loslaat, hoeven wij er
niet meer over te zeuren.)
Het is een wrang boek, dat boek van Chabot. Wat ik echter
niet begrijp is dat hij dit gekonkelefoes tussen artsen en
patiënten om één pil per dag te sparen tot de benodigde
veertig of tachtig, bestempelt als mensen die "hun dood in
eigen regie nemen". Dat doen ze namelijk niet écht, ze zijn
nog steeds afhankelijk van hun huisarts, die zich bovendien
in de machtspositie bevindt hun die middelen wel of niet
voor te schrijven, en die zelf bepaalt - door middel van
zijn voorschrijfbeleid - hoelang ze moeten sparen, en dus
hoelang ze moeten wachten. Wat hier vooral gebeurt is dat
een huisarts besmuikte hulp bij zelfdoding verleent, maar
dan in een vorm die hem nooit ten laste kan worden gelegd.
We spreken eigenlijk over onprocedurele officiële hulp.
En meer nog: ik begrijp niet dat Chabot zelf deze praktijk
kan betitelen als "ontmedicalisering". Je moet nog steeds
bedelen bij je huisarts, nu niet om euthanasie, maar om vier
vesparax. En nog vier. En nóg vier. En dan maar hopen dat
je huisarts geen nattigheid voelt, of zijn nattigheid
als morele moed verkoopt.
Copyright Karin Spaink.
Deze tekst wordt uitsluitend
voor persoonlijk gebruik aangeboden.
|