Zalige onwetendheid
Het Parool, 19 juni 2001
"KANKERPATIËNTEN LEVEN LANGER", meldden de kranten afgelopen
week. Een onderzoeksinstituut in Eindhoven, dat cijfers
heeft uitgespit die sinds de jaren vijftig zijn verzameld,
toonde dat aan. Chirurgische ingrepen en bestralingsmethodes
zijn verbeterd, en kanker kan tegenwoordig eerder worden
ontdekt, waardoor de kans op een succesvolle behandeling
toeneemt. Terwijl vroeger slechts iets meer dan de helft
van de mensen tussen 15 en 44 na vijf jaar nog in leven was,
is dat nu bijna driekwart. "Deze cijfers tonen onomstotelijk
aan dat er winst is geboekt bij het opsporen en behandelen
van kanker sinds de jaren tachtig," vertelde onderzoeker
Coebergh opgetogen.
Het zijn enthousiaste en hoopgevende berichten, die echter
iets meer relativering verdienen. Er zijn eigenlijk nog
altijd maar een paar soorten kanker die redelijk goed kunnen
worden behandeld, met name borst- en prostaatkanker. Er zit
een heel andere kant aan die betere screening: mensen worden
door verbetering van diagnostische methoden namelijk eerder
als patiënt herkend. Ging je vroeger pas naar de dokter als
je je daadwerkelijk ziek voelde en er zich iets raars
voordeed in je lichaam, nu wordt kanker vaak bij
routine-onderzoek ontdekt, op het moment dat je eigenlijk
nog nergens last van hebt. Meer cynisch ingestelde
onderzoekers beweren daarom wel dat de verlenging in het
aantal jaren dat iemand na de diagnose overleeft, niet
zozeer veroorzaakt wordt door het verleggen van de
eindstreep (langer leven), maar door het vervroegen van de
aanvang. Je staat eerder - en dus langer - als patiënt te
boek.
Coebergh erkent dat weliswaar - "Een deel van de winst komt
doordat de diagnose eerder wordt gesteld. De mensen komen
eerder bij de juiste dokter" - maar stapt naar mijn smaak
iets te makkelijk over de consequenties van dat inzicht
heen. Die zijn niet mis. Door de vroege diagnose verlies je
een paar onbezorgde jaren die je anders in zalige
onwetendheid had doorgebracht; jaren die nu met angst,
tobben en zorg zijn gevuld. En zodra arts en patiënt weten
wat er gaande is, willen beiden uiteraard iets doen: er moet
ingegrepen worden, niets doen kán uiteraard niet meer zodra
bekend is dat je een dodelijke ziekte onder de leden hebt.
Bestralingen, operaties en chemotherapie kunnen het tempo
waarmee de ziekte huishoudt enigszins indammen, en het ligt
zo vreselijk voor de hand ze allemaal uit te proberen. Maar
al die ingrepen hebben grote consequenties voor je
dagelijkse leven: ze gaan gepaard met lange
ziekenhuisopnames, maanden van misselijkheid, wekelijkse
controles, de noodzaak tot revalidatie, de inbreng van
stoma's en pompjes. En aldoor leef je in de wetenschap dat
het alsnog fout kan gaan, erger: dat het meer een kwestie is
van wanneer dan van óf.
Diezelfde week wees hoogleraar Annemarie Mol, die al
jarenlang de effecten van medische technologieën bestudeert,
erop dat de keuzes die artsen aan hun patiënten voorleggen,
vaak nogal beperkt zijn en zich uitsluitend tot medische
keuzes bepalen. De vraag die je als patiënt krijgt
voorgelegd, is meestal deze: kies je voor deze riskante
ingreep, of toch maar die andere, die minder gevaarlijk is
maar ook minder effectief? "Het is belangrijk niet alleen
informatie te krijgen over het slagingspercentage van een
behandeling," waarschuwt Mol, "maar ook over hoe het leven
eruit ziet na zo'n zware behandeling." Ze pleit ervoor de
keuzes die aan mensen worden voorgelegd, breder te
definiëren en afzien van ingrijpen of van eindeloze
behandelingen ook als mogelijkheid te overwegen. Want wat
wil je: twee jaar een gruwelijke en belastende therapie
ondergaan waar veel ziekenhuisopnames aan te pas komen, of
een jaar in redelijke kwaliteit leven? "Misschien wil je
liever je kinderen in Australië nog eens bezoeken in plaats
van iedere week misselijk naar het ziekenhuis te gaan,"
geeft ze als voorbeeld.
Het lijkt mij een gruwelijke afweging om te moeten maken, en
ik weet bij god niet wat ik zelf zou kiezen als de situatie
zich voordoet. Ik heb me lang geleden voorgenomen om zo min
mogelijk patiënt te zijn en niet alles over te hebben voor
mijn gezondheid; een goed leven hebben acht ik belangrijker
dan de lengte ervan. Maar oog in oog staand met de dood
maakt een mens rare sprongen, en angst is een slecht
raadgever.
Wat ik - als ik dan toch kiezen moet - het liefst wil, is
eigenlijk onwetendheid, het in alle onschuld doorleven
terwijl niemand, ook ik niet, weet dat er iets in mij
woekert, en dan in een paar maanden tijd snel aftakelen.
Afzien van kennis is een wonderschone en onderschatte optie.
Copyright Karin Spaink.
Deze tekst wordt uitsluitend
voor persoonlijk gebruik aangeboden.
|