De antirook-brigade
Het Parool, 4 december 2000
WINNEN, MAAR TOCH een veeg uit de pan krijgen van de jury:
dat overkwam Gert de Graaff van de week bij de IDFA, het
Internationaal Documentaire Festival. De Graaf won een mooie
prijs en lovende woorden waren zijn deel. Tegelijkertijd
sprak de jury een "sterk protest" uit tegen "de buitensporige nicotineverslaving van de hoofdpersoon" in
diezelfde documentaire. Dat suggereert kettingrokerij,
scènes die schier onzichtbaar worden door walmen van rook -
maar in de ruim anderhalf uur die de film duurt rookt de
hoofdpersoon slechts twee sigaretten, wat zelfs in real
time weinig is voor een verstokt roker.
En al zóu er continue gerookt worden, wat dan nog? Sinds
wanneer is de aan- of afwezigheid van rokers een artistiek
criterium? Gaat het bij het beoordelen van de waarde van een
documentaire niet over opzet, stijl, innovatie, structuur,
montage, snit, belichting, kadrering en dergelijke? Heeft
een jury zich niet over vakmanschap en vorm te buigen in
plaats van over het gedrag van personages? Je hoeft het niet
eens te zijn met een personage om een film, boek of
documentaire prachtig of overrompelend te vinden - anders
kun je alle documentaires over oorlog, verkrachting, roof en
dergelijke beter meteen buiten de competitie houden.
Ik kan in zo'n absurd juryrapport niets anders zien dan een
misplaatste politiek correcte actie van een jurylid dat over
de ruggen van documentairemakers zijn gelijk wenst te halen:
roken is ongezond en dus wens ik het niet eens te zien,
moet de man geredeneerd hebben, en wie het toch
toont zal ik kastijden (ook al bewonder ik zijn werk).
De werkelijkheid, ook de verbeelde, laat zich echter niet zo
makkelijk aan wensen en ideologie aanpassen. Dat niemand
voorstander is van dakloosheid, schizofrenie, moord of
mishandeling betekent niet dat die daarom plots niet
bestaan, en al helemaal niet dat zulks vanwege die
collectieve afkeuring niet getoond mag worden. Toch is dat
precies het standpunt dat dit mallotige jurylid innam,
onderwijl met griezelig gemak een algemene
gezondheidsaanbeveling omzettend in bevoogding, zelfs in
verboden. Men mág überhaupt niet roken van hem. Dat is geen
machtsdrift, hij draagt dat standpunt slechts uit vanwege
ons aller bestwil. Heus. En wie niet luisteren wil, moet
maar voelen.
Waar zo'n bekeringsijver aan voorbijgaat is dat elk mens het
recht heeft zichzelf te gronde te richten. Iedereen heeft
het recht ongezonde dingen te doen, zolang ze anderen
daarmee niet rechtstreeks raken: je mag je kapot roken of
drinken, te dik zijn, een hoge bloeddruk hebben en toch veel
zout eten, je mag zelfs verslaafd zijn. Wie een ander met
alle macht van risico's wil afhouden laat zich verleiden tot
het instellen van een gezondheidsregime waarbij elke
persoonlijke vrijheid het onderspit delft.

KORT GELEDEN RAAKTE IK zelf in discussie met zo iemand: de
voorzitter van
CAN, de Club van Actieve Niet-rokers. Fons
Nijpels was boos omdat ik op tv had gerookt (en aldoende
mijn medediscussianten had "vergiftigd"). Dat ik mijn
gespreksgenoten op voorhand netjes had gevraagd of ze
bezwaar hadden als ik zou roken en een vrijbrief had
gekregen, maakte de zaak volgens hem alleen erger. Wat ik
als een normale beleefdheidsregel zag - roken moet mogen,
herinnert u zich nog? - was volgens hem namelijk inherent
onbeschoft: ik had anderen gevraagd zich
medeverantwoordelijk te maken aan hun ongewenste, door mij
opgedrongen ondergang. En het allergruwelijkste was wel wat
ik de kijkers had aangedaan: "Paffend de huiskamers van honderdduizenden kijkers binnenstappen blijft een daad van agressief onfatsoen," schreef hij me.
Wat Fons Nijpels in zijn woede vergat was dat ik geen enkele
huiskamer was ingestapt. Ik bevond me in Hilversum en in die
"honderdduizenden huiskamers" zat ik veilig achter glas;
niemand merkte iets van mijn rook, zelfs de meest gevoelige
astmapatiënt niet. Mijn sigaret was voor de kijkers slechts
een afbeelding, niet de werkelijkheid zelf. Maar Nijpels
hield vol: "Ik verzoek u dringend uw verslavingsgedrag te beperken tot uw privé-omgeving of tot plaatsen waar géén overlast kan worden gegenereerd." Ik had hem geen overlast
bezorgd, hij was hooguit ideologisch gekwetst. Een sigaret
op tv als overlast voorstellen is een idiote uitholling van
de term. CAN stelt zich met zo'n opmerking niet veel anders
op dan de religieuze fundamentalist die zich getergd voelt
door mijn kleding of door mijn seksuele moraal, en die mij
zijn normen wil opleggen terwijl ik mij niet eens in zijn
buurt begeef.
Hoewel zulk fanatisme bevreemdend is, lucht het me ook op.
Zolang de antirook brigade zo persistent dom is, kunnen wij
rokers rustig ademhalen.
Copyright Karin Spaink.
Deze tekst wordt uitsluitend
voor persoonlijk gebruik aangeboden.
|