'Ik heb het gevoel dat ik af ben'
Arjen Visser
Trouw, 19 aug. 2006
[Arjen Visser voert voor Trouw interviews waarin de Tien geboden de leidraad voor het gesprek vormen. Visser is een begenadigd interviewer: iemand die nadenkt, doorvraagt en verrassende invalshoeken kiest.]
door Arjan Visser
Karin Spaink (Amsterdam, 1957) is publiciste en columniste. Ze schrijft bij voorkeur over zaken die ’buiten het normale blikveld’ liggen. Nadat in 1986 multiple sclerose bij haar werd geconstateerd, richtte zij haar aandacht op de gezondheidszorg en schreef, onder andere, het boek ’Het strafbare lichaam. De orenmaffia, kwakdenken en het placebo-effect’. In 2005 was Spaink voor het eerst sinds lange tijd in staat twee dagen per week te werken. In april van dit jaar werd een agressieve vorm van borstkanker bij haar ontdekt.
Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben
„Ik kan me niet voorstellen hoe het is mijn hoop, mijn verwachtingen – maar
ook mijn koers, mijn morele kompas – buiten mezelf te zoeken. Moet ik dan,
nu ik borstkanker heb, daar iemand de schuld van gaan geven? Ik weet nog dat
ik, toen ik in 1986 MS kreeg, in ’Nee heb je’, het boek dat Renate
Rubenstein over haar ziekte schreef, las dat zij er net zo over dacht als
ik. Het heeft geen zin je af te vragen ’Waarom ik?’. Zij schreef ook: ’Wees
maar dankbaar dat ik het kreeg, dan heb jij het tenminste niet. Iemand moet
het toch krijgen?’ Er zit geen bedoeling achter ziekte. Ziekte is ook niet
rechtvaardig* ja, weet je wat ik dacht toen die borstkanker werd
geconstateerd? Het had eigenlijk longkanker moeten zijn. Die heb ik eerlijk
verdiend. Die heb ik, sinds mijn veertiende, netjes bij elkaar gerookt. Ik
moet toegeven dat ik wel heb gevraagd: mag het nu eindelijk eens ophouden?
Aan wie ik dat vroeg? Ja, dat weet ik ook niet. Het was eerder een
verzuchting: nu dít weer! Ik geloof niet dat het helpt om te bidden. Ik
geloof ook niet in ’het gevecht tegen kanker aangaan’ omdat je daarmee
suggereert dat er een tegenstander is die je kunt verslaan – of die jou kan
verslaan. Alsof het iets te maken heeft met de kracht waarmee je de ziekte
te lijf gaat. Het is gewoon een kwestie van goede, adequate behandeling en
een hele hoop geluk.”
Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in
de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder
de aarde is
„Ik ben twee keer in Egypte geweest. Toen ik mijn allereerste tempel zag,
had ik de klassieke Stendhal-ervaring: ik ben in tranen uitgebarsten. Ik
vond het zo ontzettend mooi. Het waren tranen van ontroering, maar
waarschijnlijk ook van opluchting; dat het me niet tegenviel. Ik was bang
dat ik alles in boekjes al had platgekeken. Mijn grote liefde is Ramses, de
God-koning, met zijn serene kop. Alle farao’s worden met een beminnelijke
glimlach afgebeeld, maar die van hem is toch altijd net iets breder. Het
zijn de vaders van het koninkrijk, de hoeders, de wetgevers, maar ze zijn
niet streng. Steeds is er die glimlach en zijn de oren vrij, zodat ze het
volk kunnen horen. Wat me ook zo ontroert: dat het er nog altijd is, dat het
bewaard is gebleven. Nee, niet de troost van voortgang; ik geloof dat onze
beschaving op z’n eind loopt. We maken er een soepzooi van. Het was voor mij
de reden om te bedenken dat ik geen kinderen wilde. Ik dacht toen dat het
voor mijn kinderen over tachtig jaar niet leuk meer zou zijn. Inmiddels
geloof ik dat die termijn zelfs korter is. Volgens mij is het tijd dat een
andere soort het van ons gaat overnemen. Katten, bijvoorbeeld. Laten die het
maar eens een tijdje doen.”
Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken
„Het belangrijkste wat ik in de afgelopen tien jaar heb geleerd, is ruzie
maken. Ik doe het nog steeds niet makkelijk, maar het gaat echt aanzienlijk
beter dan vroeger. Het meeste heb ik opgestoken van een ex die niet alleen
heel goed was in ruzie maken, maar die mij vooral heeft laten zien dat je
over één ding boos kon zijn terwijl het voor de rest nog dik in orde was. Ik
heb altijd gedacht dat het hele kaartenhuis in zou storten zodra ik mijn
woede zou tonen.
Ik werd als kind vaak gepest. Ik was het beste meisje van de klas, dat ligt
niet altijd lekker. Misschien was ik ook niet hip genoeg, ik weet het niet*
Soms stonden ze mij op te wachten, dan moest ik door een haag van meisjes en
sloegen ze mij allemaal, zo hard mogelijk, op mijn rug. Het heeft me jaren
dwarsgezeten; niet alleen die pesterijen, maar het hele gevoel van
buitengesloten worden, van er niet bij mogen horen. Misschien komt daar mijn
fascinatie voor de oneffen terreinen van harde muziek en rare films wel
vandaan. Wat net buiten het normale blikveld ligt; dat is mijn Umwelt
geworden. Omdat ik op die andere terreinen toch niet welkom was. Pas veel
later heb ik mij gerealiseerd – als je een religieuze ervaring wilt, is dat
er misschien wel één – dat ik er helemaal niet bij wílde horen. Dat was echt
een moment van inzicht, iets van buitenaf. Dat plotselinge besef zorgde voor
een verschuiving: als ik die meiden dan niet leuk vind, waarom doe ik dan zo
vreselijk mijn best? Omdat ik het eng vond een buitenbeentje te zijn. Toen
ik dat op een rijtje had, viel de angst weg. Goed, dan ben ik een
buitenbeentje: who cares?
Op mijn vijfendertigste heb ik nog wel wraak genomen. Ik schreef een verhaal
waarin ik met het ’oppermeisje’ van toen een gevecht met woorden aanga. Ik
geef haar alle kans zich te verdedigen, maar ze snapt het niet en
uiteindelijk snij ik haar met een woord de keel door. Ik heb het verhaal met
natte handen geschreven. Het werd zo tastbaar, zo echt: het bloed gutste
door de kamer. Ik vond het vreselijk eng om te schrijven, maar toen het af
was, verkeerde ik in een euforische staat. Yes! Ik heb het gedaan!
Of het meisje van toen de vrouw die ik ben geworden zou herkennen? Dat is
interessant* eh, nee, ik denk het niet. Ze zou niet kunnen geloven dat ze
uiteindelijk toch tevreden, redelijk succesvol en van binnen rustig was
geworden. Ik was een ongelukkig kind, had een bijzonder wankel
zelfvertrouwen. En al die dingen heb ik aangepakt. Er is nog voldoende op
mij aan te merken, maar ik heb toch het gevoel dat ik af ben; dat ik geen
huiswerk meer hoef te doen.”
Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en
al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan
zult gij geen werk doen
„Ik werk het liefst ’s nachts, in het donker. Vaak vergeet ik de lampen aan
te doen en dan is er alleen het zuigende licht van de computer. Het gaat
tussen mij en de tekst, al het andere valt weg. Soms word ik, zo tegen
zessen, misselijk van moeheid, dan móet ik gewoon naar bed. Als ik
vervolgens om elf uur met een lichte hoofdpijn – een schrijfkater – wakker
word, weet ik: ik heb goed gewerkt.”
Eer uw vader en uw moeder
„Toen ik te horen kreeg dat ik een agressieve vorm van kanker had, dat het
foute boel was, hebben we er met zijn drieën over zitten praten. Mijn vader
– een nuchtere, rationele man die de neiging heeft bij alles te zeggen: maak
je niet druk, als het misgaat, zien we wel weer verder – was, bleek later,
toch behoorlijk aangeslagen. Ik had hem het litteken laten zien waar nog een
paar bobbeltjes op zaten, vochtophopinkjes die vanzelf weer weg zouden gaan,
en hij belde een dag later op om te zeggen dat ik beter even naar het
ziekenhuis kon gaan omdat hij ergens had gelezen dat op het litteken vaak
nieuwe tumoren ontstaan. Dat tumoren zich nooit tien dagen na een operatie
op die manier kunnen ontwikkelen, was helemaal niet in hem opgekomen.
Daaruit begreep ik hoe erg mijn vader was geschrokken, hoe ongerust hij was.
Mijn moeder is, wat dat betreft, veel directer. Die zegt wat ze voelt.
Ze was erg blij dat ze na de eerste chemokuur iets voor mij kon betekenen.
En ik vond het heerlijk dat ze er was. We hebben eindeloos gepraat. Over de
familie, over het leven, over de dood, over haar, over mij. Ze is daarna nog
eens geweest en toen hebben we voor een tweede keer, met de fles op tafel,
eindeloos met elkaar gesproken. Daarna wilde ik niet meer. Ik merkte dat ik
me wilde terugtrekken, dat ik even een paar dagen van de wereld moet zijn –
zij begrijpt dat wel.
Mijn moeder is een groot talent in sociale contacten. Ze heeft zoveel
aandacht, zoveel liefde voor anderen. Het is ook goed om te zien dat mensen
van haar houden; dat het waar is dat je er iets voor terugkrijgt. Mijn
ouders zijn ook allebei harde werkers. Heel consciëntieus. Als ze iets doen,
doen ze het goed. Ze zullen het niet snel verknoeien en áls dat gebeurt,
gebeurt dat ondanks hun inspanningen en niet omdat ze er de kantjes van af
hebben gelopen. Dat heb ik altijd al nastrevenswaardig gevonden.
Voorbeeldig. Zo zou ik het ook gaan doen.”
Gij zult niet doodslaan
„Ik had een kat die heel oud was, 21 jaar en vier maanden, en die steeds
meer problemen kreeg met lopen. Ze viel vaak zomaar om en als ze overeind
wilde krabbelen, werkten haar achterpoten niet meer mee zodat ze almaar
rondjes om haar achterlijf bleef draaien. Ik had verschrikkelijk met haar te
doen, maar kon maar niet besluiten er een einde aan te laten maken. Toen ik
de dierenarts uiteindelijk had laten komen, zei hij: ’Ja, het is echt de
hoogste tijd.’ Later heb ik mij zo bezwaard gevoeld: had ik die beslissing
niet veel eerder moeten nemen? Een goede vriendin die bij me op bezoek kwam,
zei: ’Ik heb je nog nooit zo ontredderd gezien.’
Weet je, ik ben altijd voor abortus geweest, voor het recht zelf te
beslissen – ik heb in Bloemenhove gezeten om de kliniek open te houden – en
toch heb ik me altijd gerealiseerd dat ik het zelf waarschijnlijk niet zou
kunnen. Het is een vergelijkbare spagaat: ik vind dat iedereen het recht
heeft om er een einde aan te laten maken, maar ik vind de gedachte dat je
een ander opzadelt met het nemen van dat besluit – ja, nú moeten we
ingrijpen – onverdraaglijk.
Het was me een lief ding waard geweest als Kim, dat arme, oude katje, zelf
had kunnen zeggen: ik wil nog wel even. Of: doe maar niet meer. Ik had nooit
gedacht dat die beslissing mij zo zwaar zou vallen. Ze kreeg eerst een
slaapmiddeltje. Toen heb ik haar opgepakt, zodat ze in mijn armen dood kon
gaan. Dat leek me zo fijn voor haar. Dat beeld heeft me nooit meer
losgelaten: zo wil ik het ook. Ik wil zo graag dat iemand mij vasthoudt als
ik doodga; dat ik het niet alleen hoef te doen.”
Gij zult niet echtbreken
„Ik ben een zigeuner in de liefde. Het gaat bij mij net zoals met het
schrijven: ik stuit op een bepaald onderwerp, wil daar alles van weten en
als ik het dan helemaal heb doorgrond, dan* ja, dan ben ik er dus klaar mee.
Dan is de fascinatie weg. Ik ben altijd degene die breekt. Ik zeg van
tevoren ’Ik ben geen blijvertje’, maar dat helpt natuurlijk niets. De pijn
wordt er niet minder van. Ik vind het een naar trekje van mezelf, maar het
is niet anders. Er zijn momenten waarop ik een lief mis. Natuurlijk, ik heb
vrienden, er zijn genoeg mensen bij wie ik terechtkan, maar ik weet dat ik
mensen niet makkelijk dichtbij laat komen. Of het blijft bij praten, terwijl
ik nu graag tegen iemand aan wil liggen. De afgelopen maanden heb ik wel
eens gedacht: ik wou dat er nu iemand was bij wie ik veilig was, iemand die
mij zou oppakken en even in zijn broekzak zou bewaren.”
Gij zult niet stelen
„Tijdens de chemokuur heb ik zes seizoenen ’Gilmore Girls’, twee seizoenen
’Lost’ en twee seizoenen ’Desperate Housewives’ gezien. Allemaal gedownload.
Dat mag. Je mag alleen niet uploaden en aangezien iemand dat heeft moeten
doen zodat ik het weer kon downloaden, maak ik toch deel uit van die chain
of events. Dáár voel ik me vooral bezwaard over: dat anderen rechtszaken aan
hun broek krijgen terwijl ik heerlijk voor Pampus, met een laptop op bed,
naar al die series lig te kijken. Maar voor het argument van de muziek- en
filmindustrie – dat ze zo zwaar lijden onder het illegale kopiëren – ben ik
niet gevoelig. Vroeger wisselden we ook lp’s uit via cassettebandjes.
Bovendien: door al het uitwisselen komen mensen soms op de gedachte alsnog
een cd of dvd aan te schaffen. Het probleem is dat de film- en
muziekindustrie te behoudend is omgesprongen met de digitalisering. Je kunt
wel eindeloos blijven roepen dat iets diefstal is, maar is het niet
verstandiger om uit te zoeken hoe je je product op een betere manier bezorgt
bij de consument – die nu eenmaal andere eisen heeft?”
Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste
„Het is niet zo dat ik denk dat mensen worden voorgelogen, maar ik geloof
wel dat er over veel dingen onvoldoende wordt nagedacht, en in die gevallen
staat de schooljuf in mij op die roept: ’Jongens, meisjes, let nou eens op!
Kijk wat er gebeurt!’ Neem die toestand rond de elektronische
patiëntendossiers, in 2005. Daar was gewoon niet goed over nagedacht. Er
stonden een paar veredelde persberichten in de krant en dat was dat. Er was
helemaal geen publiek debat over geweest. Niemand had de moeite genomen uit
te zoeken of het wel veilig was al die persoonsgegevens op internet te
zetten. Toen ik een paar hackers had gevraagd te proberen bij een tweetal
ziekenhuizen ’in te breken’, had ik binnen de kortste keren 1,2 miljoen
dossiers tot mijn beschikking! Naam, adres, telefoonnummers, bloedgroep,
ziektes, alles! Door mijn toedoen is er door het College Bescherming
Persoonsgegevens een brief naar het ministerie gegaan en heeft minister
Hoogervorst op zijn beurt een brief naar de Kamer gestuurd waarin maar
liefst zevenentwintig keer het woord ’veiligheid’ ’voorkwam, terwijl het
daarvoor niet één keer was genoemd. Dat was geweldig, een eclatant succes.
Voor mij was het vleiend, natuurlijk, maar ik had het ook prima gevonden als
een ander het had gedaan. Wat telt is dat er meer wordt nagedacht over
veiligheid. Ik wil niet geloven dat dingen willens en wetens, uit
slechtheid, worden gedaan, maar soms is het beleid van de overheid zo dom,
zo kortzichtig, dat het moeilijk wordt er geen kwaaiigheid in te zien.”
Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten
vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch
zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is
„Ik wil graag een beetje meer energie, een beetje meer kracht en veel meer
concentratievermogen. Ik heb zin in andere dingen dan steeds maar weer die
borstkanker. In het slechtste scenario heb ik nog anderhalf jaar te gaan –
uitzaaiingen worden meestal zoveel tijd na de diagnose ontdekt – maar ook
dán zou ik, in ieder geval tot die tijd, weer iets willen doen. Ik weet het
niet.
Aanvankelijk dacht ik: borst eraf en dat was het dan. Toen bleek dat
het een agressieve vorm van kanker was en er een hele behandeling aan te pas
moest komen, heb ik het vertrouwen een beetje verloren. Sindsdien weet ik
niet zeker of het nog een keer goed komt. Voor mijn ouders vind ik het
vreselijk, maar zelf heb ik er wel vrede mee. Ik heb een goed leven gehad.
Ik heb van weinig dingen spijt en als ik iets verkeerd heb gedaan, heb ik
het toch een beetje goedgemaakt. Ik heb goede mensen gekend en niet alleen
voor mezelf geleefd. Ok. Dat was het dan. Jammer, maar het is niet anders.
Curtain. Hoe ik mij dat voorstel? Ik heb ooit een hersenbloeding gehad. Daar
had ik een hele tijd mee rondgelopen – verschrikkelijke hoofdpijn – tot ik
ineens, hier, op mijn stoel, een epileptische aanval kreeg. Ik kon nog tegen
mijn toenmalige vriendje zeggen dat hij de huisarts moest bellen en daarna
was het alsof ik in een zwartfluwelen niets werd opgenomen. Aardedonker,
zonder enige reflectie. Ik was ervan overtuigd dat ik doodging. En het meest
frappante was, dat ik, een beetje monkelend, dacht: ’Ga film leven zien, zou
naar echte film.’ Precies zo, zonder een enkel voornaamwoord. Ik zou ook
echt met mijn vriend naar de bioscoop zijn gegaan, maar nu* En het gekke was
dus dat ik mezelf uit die zin had weggesneden. Alsof ’ik’ al niet meer
bestond. Het was niet angstig, ik was niet bang. Ik voelde me hooguit een
beetje genept: hé, ik ging vanavond toch iets anders doen? Maar zo, denk ik,
zal het ongeveer zijn: wegzakken in een zwartfluwelen niets. Als het
werkelijk zo zal gaan, dan vind ik dat helemaal niet erg.”
Dit interview is met toestemming van de maker herplaatst
en wordt uitsluitend voor persoonlijk gebruik aangeboden.
|