alle boeken

De dood in doordrukstrip
Over dood, euthanasie en zelfmoord
Nijgh & Van Ditmar, 2001


  Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar,
Amsterdam 2001
ISBN 90-388-7064-7
omslag: Marjo Starink

224 pagina's, fl 32,95

verschenen nov. 2001
2e druk feb. 2002
Foto omslag

Recensies & interviews:



On-line bestellen:

Bij Bol.com, bij Belboek.nl, bij Ako.nl, of bij Bruna.nl.


Flaptekst:

Nederland denkt dat het nuchter en verstandig met de dood omspringt. Tegelijkertijd vallen we als een blok voor de kitsch van euthanasie - het romantische beeld van de zieke die, omringd door intimi, bij zijn volle verstand zijn kaars laat uitblazen - en schrikken we ons rot als informatie over hoe je zelfmoord kunt plegen, vrij voorhanden blijkt. We willen de pil van Drion, maar slepen artsen die hem voorschrijven voor de rechter en halen middelen die zelfmoord op enigszins zachte wijze mogelijk maken, ijlings van de markt. We verdoezelen dat er meer mensen door zelfmoord sneuvelen dan door het verkeer en willen niet weten dat tachtigjarigen vaker zelfmoord plegen dan jongeren. Wat we bovenal niet willen zien, is dat de dood steeds meer gemedicaliseerd raakt.

In De dood in doordrukstrip verkent Spaink dilemma's en paradoxen over dood, euthanasie en zelfmoord. Ze probeert dodelijke medicijnen te bestellen via internet en pleit voor een zwarte markt in zelfmoordpillen. Ze ontdekt dat in Vlaanderen en Australië, waar euthanasie verboden is, de praktijk niet veel anders is dan in Nederland; maar alles gaat er stiekem, en je moet maar hopen dat arts en patiënt elkaar begrijpen. Ze laat zien waar euthanasie ontspoort en hoe zelfmoord een fier levenseinde kan zijn. Ze wijst er vooral op dat de dood nooit zacht kan zijn - ons streven hem te temmen niettegenstaande.


Errata (gecorrigeerd in de tweede druk):


  • In de tabel op p. 38 staat dat er over de in 1990 uitgevoerde euthanasiegevallen in totaal 9 rechtszaken zijn gevoerd. Dat moet zijn: nul rechtszaken.
  • Bij de tabel op p. 143 mist het verklarend onderschrift: het gaat hier om aantallen zelfmoorden per honderdduizend.
  • En tenslotte de tabel op p. 145: bij de tabel over zelfmoordmethodes in België staat ten onrechte op de derde plaats: zich voor de trein werpen. Zoals ook uit de tekst blijkt, moet dat zijn: vuurwapens.

Enkele feiten en cijfers uit het boek:


  • In Nederland overlijden elk jaar meer mensen door zelfmoord (tussen de 1500 en 1600) dan door verkeersongelukken (minder dan 1200).
  • Mannen van tachtig jaar en ouder plegen vaker zelfmoord dan welke andere bevolkingsgroep ook: ongeveer vijftig op de honderdduizend (het gemiddelde ligt op zestien per honderdduizend).
  • Zelfmoord is een kwestie van oefenen: bij hen die eenmaal een poging achter de rug hebben, ligt de kans om het jaar erna door zelfmoord om het leven te komen ongeveer vijftig keer zo hoog als bij de gemiddelde bevolking.
  • De 'favoriete' zelfmoordmethode in Nederland is verhanging: ongeveer de helft van de mannelijke en eenderde van de vrouwelijke zelfmoordenaars komt zo aan zijn einde.
  • Zelfmoordmethodes zijn cultuur- en soms zelfs streekgebonden.
  • Tweederde van alle euthanasieverzoeken wordt door de arts afgewezen.
  • Euthanasie wordt vaak pas laat toegestaan. Een groot deel van de mensen die euthanasie aanvragen, sterft voordat de procedure is afgerond.
  • In circa driekwart van de gevallen waarin euthanasie wordt toegepast of de behandeling wordt gestaakt, wordt het leven van de zieke met minder dan een week bekort, bij een kwart met slechts één enkele dag. Slechts in circa 25% van de gevallen wordt iemands leven met meer dan een week bekort.
  • Blijkens Vlaams onderzoek zijn artsen die gespecialiseerd zijn in palliatieve zorg vaker geneigd euthanasie uit te voeren dan anderen. Dit is in aperte tegenspraak met de bewering van het CDA en de SP dat palliatieve zorg de vraag naar euthanasie zal doen afnemen.
  • In tegenstelling tot wat het buitenland vreest, ben je je leven in Nederland als patiënt juist zekerder. In landen waar euthanasie is verboden, wordt blijkens onderzoek ongeveer even vaak in het stervensproces ingegrepen, maar meestal zonder dat overleg tussen arts en patiënt heeft plaatsgevonden - zulk overleg is namelijk te gevaarlijk voor de arts.

foto presentatie


Speech tijdens boekpresentatie

Dit boek had eigenlijk op 2 november zullen verschijnen, op Allerheiligen: de dag waarop de doden het dichtst bij de levenden staan. Zo'n dag leek me een uiterst geschikt moment voor een onderwerp als dit. Helaas is dat me niet gelukt; er deed zich simpelweg teveel ziekte, dood en zelfmoord in mijn directe omgeving voor. Die trieste omstandigheid bracht me wel op de gedachte dat als de manier waarop mijn persoonlijk leven zich de afgelopen anderhalve maand heeft ontvouwen ook maar íets zegt over de overtuigingskracht van dit boek, het hoog tijd word dat ik eens een manifest over de wereldvrede ga schrijven. Misschien wordt ook dán de magische mogelijkheid bewaarheid dat de werkelijkheid zich naar de woorden plooit. De wereld kan dat wel gebruiken, wat vrede.

In die recente, lastige periode heb ik meer geleerd dan alleen de macht van woorden. Namelijk dat zelfmoord, of pogingen daartoe, uitermate weerbarstige materie is en dat weten waarom mensen zulke dingen doen je niet minder onmachtig maakt als je er eenmaal tegenover staat. Of dat sommige mensen verstokt kunnen zijn in hun doodsverlangen, doch diezelfde wens even zo vrolijk een week later ontkennen, om zes weken later weer op hetzelfde punt uit te komen. Ik heb kortom ook de onmacht van woorden ondervonden, en de ontoereikendheid van kennis, handelen en liefde.

Wat me zeer bedroeft is dat een van mijn beste vrienden hier vandaag niet bij kan zijn. Hij heeft enorm uitgekeken naar dit boek en naar deze feestelijke bijeenkomst, maar zijn lichaam begaf het, eigenlijk heel plotseling. Die abrupte dood maakte me bij toverslag duidelijk dat er een kant aan euthanasie vastzit die zwaar onderbelicht is: euthanasie is vaak geweldig troostend voor de nabestaanden. Je hebt daardoor net iets meer waarschuwing om dingen af te maken: je kunt nog een laatste keer iets zeggen, er is je ruimte gegund - en een reden - om een laatste geste te maken. Een abrupte dood snijdt die mogelijkheid af, terwijl de dood al teveel afsnijdt.

Tevens realiseerde ik me door dit sterven dat niet alleen, zoals mensen zo vaak zeggen, zelfmoord egoïstisch is, maar dat ook het verdriet om hen die 'gewoon' stierven een zelfzuchtige component heeft. Het verlies waarom ik huilde is het míjne: het verlies me begrepen te weten, het verlies van iemand die om me gaf, het verlies van iemand die ik alleen al met een telefoongesprek of een mailtje blij kon maken. Om hemzelf hoef ik niet te huilen: hij heeft een goed leven gehad en kreeg een mooie dood, in de armen van zijn dochter, en zonder een medisch spektakel eromheen.

Dit bij wijze van te persoonlijk voorwoord.

*

Het idee voor dit boek dank ik aan de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie, de NVVE. Ik sprak in februari 1998, daags na de presentatie van mijn vorige boek, op hun lustrumcongres, met een hoofd nog vol feestgedruis, en merkte toen dat er nogal wat tegenstrijdige of onrealistische ideeën, verwachtingen en verlangens rondom euthanasie leefden, zelfs onder hen die er groot voorstander van waren. Ik besloot die uit te diepen, en verzon een titel. Zelf zag ik een duidelijk verband tussen zelfmoord en euthanasie: beiden zijn uitwegen uit een lijden - van wat voor aard ook - dat je als te groot voelt en dus als ondraaglijk beschouwt. Je kunt je overgeven aan het medisch protocol; dan heet het euthanasie. Wie de dood verkiest op grond van zijn fysiek lijden, kan echter op aanmerkelijk meer instemming en medewerking - maar ook op meer toetsing, procedures en protocollen - rekenen dan hij die om psychologische of sociaal-maatschappelijke redenen de dood boven het leven prefereert. Ernstig zieke mensen krijgen hulp bij het doodgaan, fysiek gezonde mensen moeten het zelf maar uitzoeken en worden eerder tegengewerkt.

Met welk recht eisen wij dat mensen die dat niet willen, verder moeten leven? Met welk recht beschermt de staat burgers tegen zichzelf? Net zoals niemand ooit de dood in geduwd mag worden, mag niemand - ook de overheid niet - je het leven opdringen. Of je wilt leven, is immers in eerste instantie aan jou, aan niemand anders, en je leven is geen staatseigendom.

Niet alleen hebben mensen het recht om zich het leven te benemen, ze hebben zélfs het recht om dat ten onrechte te doen - net zoals iedereen het recht heeft zich de vernieling in te werken door een verslaving te hebben, er een ongezonde levensstijl op na te houden, onveilige seks te praktiseren, z'n geld te vergokken, zijn gekte uit te meten op prime time televisie of gevaarsporten te beoefenen. De staat hoeft ons niet zo fervent tegen onszelf te beschermen als hij thans doet door dodelijke middelen zoveel mogelijk uit te bannen of door ze uitsluitend via streng gecontroleerde kanalen beschikbaar te stellen. Sterker: met welk recht onthoudt de overheid mensen die echt dood willen, hun de mogelijkheden dat op een verhoudingsgewijs fatsoenlijke manier te doen? Met welk recht dwingt de overheid ons een harde weg te kiezen, zoals verhanging, je voor een trein of van een flat af werpen?

Ik geloof voorts niet dat zelfmoord per se hard en gewelddadig hoeft te zijn om mensen af te schrikken. Vroeger kon je 'aan het gas gaan liggen', zoals dat heette, en huisde de dood in elke keuken; niettemin joegen mensen zich niet en masse over de kling. Waarom zou dat nu heel anders zijn? Ieder mens gaat hoe dan ook ernstig bij zichzelf te rade en dient veel angsten en instincten te overwinnen, wil hij zover raken dat hij zelfmoord succesvol kan uitvoeren. En zodra het om een combinatiepil gaat, die in twee of drie fasen moet worden ingenomen, biedt de daarbij vereiste wijze van innemen op zich al voldoende waarborg tegen impulsieve zelfmoord. Zelf zou ik willen dat zulke middelen - in de vorm van een twee- of drieledige combinatiepil -voor iedere volwassene in de apotheek te koop zijn.

In de praktijk stuit zo'n voorstel waarschijnlijk op te grote weerstanden om reëel te kunnen zijn. Voor zover mensen al zelfmoordpillen voorstaan, is dat meestal in streng gereguleerde vorm, bijvoorbeeld door artsen als buffer op te stellen. Artsen hebben thans als beroepsgroep al de sleutels tot de medicijnkast, ze kennen hun patiënten redelijk goed en zouden die functie wellicht op zich kunnen nemen. Een cruciaal bezwaar echter is dat artsen die rol helemaal niet willen: niet wanneer het om de ouderen van Drion gaat, en zeker niet voor zelfmoord in het algemeen, of die zelfmoord nu rationeel is of niet. Artsen vinden - overigens terecht - dat zij slechts in noodgevallen mensen uit het leven mogen helpen.

Een logische consequentie van deze opstelling is echter dat artsen en apothekers hun monopolie op de medicijnkast moeten versoepelen. Sinds het begin van de twintigste eeuw hebben artsen en apothekers, in een duivelse alliantie met moralisten die mensen tegen zichzelf wilden beschermen, het alleenrecht op het verschaffen van geneesmiddelen verworven, inclusief dat op middelen die meer kunnen doen dan alleen genezen of symptomen verlichten. De enige legale toegang tot alles wat mensen genot, extase, verpozing, verdoving, rust of dood kan brengen - van laudanum (een mix van opium en alcohol), belladonna en seconal via poppers en viagra tot morfine, methadon en heroïne -, loopt tegenwoordig via artsen. Waardoor er prompt een zwarte markt in diezelfde middelen is ontstaan, een handel die zich van niets iets aantrekt behalve van geld.

Misschien is die zwarte markt echter niet zo'n ramp; hij tast dat medicijnmonopolie immers aan. Misschien is het zelfs zaak die zwarte markt te bevorderen, opdat mensen een keuze krijgen en artsen als beroepsgroep niet hoeven worden opgezadeld met een vraag die ze niet willen. Eerder kon je makkelijker aan dodelijk spul komen: er is een periode geweest dat dodelijke slaapmiddelen vrij bij de drogist verkocht werden. Na invoering van het verplichte recept schreef de dokter seconal of laudanum nog geruime tijd betrekkelijk snel voor. Daarnaast was er een levendige zwarte handel in zulke middelen, en iedereen had zodoende wel z'n adresjes.

Artsen en apothekers hebben zich nimmer uitgesproken wanneer de overheid een maatregel neemt om de toegang tot dodelijke middelen te bemoeilijken. Sterker, ze moedigen een dergelijk restrictief beleid aan, of dat nu het tegengaan van de vrije verkoop van medicijnen betreft, het bestrijden van handel in medicijnen via internet, of het uit productie nemen van medicijnen die voor zelfmoord kunnen worden gebruikt. In de loop der jaren zijn allerlei middelen die een weinig gewelddadige en betrekkelijk veilige zelfmoord kunnen waarborgen, systematisch verdreven: laudanum en belladonna zijn niet meer te vinden, seconal, vesparax, depronal en pentobarbituraten worden zelden nog voorgeschreven (en kunnen dus ook niet worden gespaard of zwart verhandeld), palfium, morfine, methadon en heroïne zijn voor niet-geregistreerde gebruikers alleen nog zwart te bekomen.

Als artsen niet willen bemiddelen bij het verkrijgen van zelfmoordmiddelen, is het de hoogste tijd dat zij hun monopolie daarop loslaten en zich uitspreken tegen pogingen andersoortige toegang tot zulke middelen koste wat het kost te beperken. Zij zullen, heel Nederlands, op z'n minst moeten pleiten voor een gedoogbeleid - oftewel een vorm van zwarte handel moeten toestaan, bijvoorbeeld in de vorm van internetverkoop of andere buitenlandse handel - of, liever nog, erop moeten aandringen dat farmaceutische bedrijven een Drion-achtige pil ontwikkelen en dat de overheid die toelaat. Er is immers een duidelijke markt voor.

Laten artsen dat na, dan wordt hun aversie tegen een ontwikkeling waarbij zijzelf in de rol van poortwachter van de dood worden gecast, licht hypocriet. Je kunt niet tegelijkertijd zowel aan je monopolie vasthouden als je afwenden van de groeiende vraag van mensen naar een enigszins fatsoenlijke dood. Zeker niet terwijl de maatschappij de wens de dood in eigen hand te mogen nemen, in toenemende mate als legitiem bestempelt.

foto presentatie

Discussie met Rob Jonquière, directeur van de NVVE


Vervolg speech

De rechtszaak tegen Philip Sutorius - een huisarts die zijn 86-jarige patiënt Brongersma, die oud, zwak, het leven zat en eenzaam was, hulp bij zelfmoord verleende - heeft de laatste week veel aandacht in de pers getrokken. De experts die vorige week voor de rechtbank getuigden, hadden grote aarzeling om lijden dat geen medische grondslag heeft, zoals bij Brongersma het geval was, te erkennen als grond voor hulp bij zelfdoding.

Het Chabot-arrest spreekt echter andere taal. In de zaak Chabot was sprake van een vrouw die haars inziens ondraaglijk en uitzichtloos leed omdat haar beide kinderen waren overleden en zij geen leven zonder haar kinderen kon en wilde opbouwen. Er was evident geen medische grond voor haar lijden: dat was zuiver sociaal en psychisch. De Hoge Raad verklaarde op 21 juni 1994 dat "de oorzaak van lijden niet afdoet aan de mate waarin dit wordt ervaren", daarmee psychisch en somatisch lijden feitelijk op een lijn stellend.

Minister Korthals van Justitie had dan ook apert ongelijk toen hij naar aanleiding van de kwestie Brongersma publiekelijk stelde dat "iemand medische klachten [moet] hebben om voor euthanasie of hulp bij zelfmoord in aanmerking te komen" (de Volkskrant, 23 november 2000). Deze misleidende voorstelling van zaken, gevoegd bij Korthals' expliciete opdracht aan het Openbaar Ministerie om hoger beroep in te stellen nadat Sutorius in eerste aanleg was vrijgesproken, laat slechts één conclusie toe. Korthals probeert, net als minister van Justitie Hirsch Ballin eerder in 1993 en 1994 deed, de grondslagen voor euthanasie en hulp bij zelfmoord te vernauwen en bestaande jurisprudentie ongedaan te maken. Hirsch Ballin wilde euthanasie slechts toestaan aan zieken die al in een terminaal stadium verkeerden, Korthals wil een psychische grondslag voor het verlenen van legale hulp bij zelfmoord uitbannen en is als de dood voor de pil van Drion.

In 1984 verklaarde de Hoge Raad Chabot schuldig aan hulp bij zelfmoord (zonder strafoplegging) omdat hij procedureel niet juist gehandeld zou hebben: Chabot had een onafhankelijke tweede deskundige moeten consulteren, een psychiater, om uit te sluiten dat de doodswens zijn patiënte door (psychische) ziekte was beïnvloed.

Sutorius heeft precies dat gedaan wat Chabot had nagelaten. Hij heeft zich eerst persoonlijk vergewist van Brongersma's weloverwogen en consistente doodswens en heeft hij geconstateerd dat de man in eigen ogen ondraaglijk en uitzichtloos leed, en dat er geen perspectief op verbetering bestond. Daarna heeft hij een psychiater geraadpleegd, de heer Noll. Die oordeelde dat Brongersma geestelijk gezond was en dat zijn doodswens diep geworteld en overtuigend was. Ten slotte heeft Sutorus een tweede huisarts geconsulteerd - de heer Wassenberg, een arts wiens opvattingen over euthanasie bekend staan als betrekkelijk streng. Ook Wassenberg deelde na onafhankelijk onderzoek de mening dat hulp bij zelfdoding in dit specifieke geval gerechtvaardigd was. Sutorius verleende die hulp daarna, menend volledig in de geest van de eisen gesteld in het Chabot-arrest te handelen. Flip Sutorius was zelfs zo argeloos dat hij zijn neef en advocaat in een aantal geruchtmakende euthanasiezaken, Eugène Sutorius, niet om raad vroeg. Eugène zou Philip overigens gelijk hebben gegeven dat ingrijpen juridisch gerechtvaardigd is, vermoed ik.

Niettemin besloot het Openbaar Ministerie Sutorius te vervolgen. In eerste instantie volgde volledige vrijspraak, op 30 oktober 2000. Het OM tekende beroep aan. Advocaat-generaal Egbert Myjer liet in het hoger beroep weten dat hij rechtstreeks in opdracht van VVD-minister van Justitie Benk Korthals had gehandeld, die hem had gezegd dat vrijspraak van Sutorius onacceptabel was: vrijspraak zou immers impliceren dat we bij de 'pil van Drion' uitkomen. In de hervatting van het hoger beroep op 8 november zei diezelfde openbaar aanklager in zijn pleit dat "er een brede maatschappelijk discussie moet komen over de vraag of oude mensen die levensmoe zijn, recht hebben op hulp bij zelfdoding." (Volkskrant, 9-11-2001).

Hier is sprake van een perverse travestie in rollen. Het is niet aan de minister om te besluiten waar en wanneer het OM in beroep gaat: die beslissing is een juridische, geen politieke. De minister van Justitie heeft zich tevens buiten lopende rechtszaken te houden. Omgekeerd is het in het geheel niet aan het OM om op te roepen tot een politiek debat, en zeker niet om dat in de rechtszaal te doen. Het OM dient zich te laten leiden door de wet en door de jurisprudentie. Oproepen tot een publiek debat tot de taak des ministers.

Kennelijk hebben Myjer en Korthals in de zaak Sutorius van stoel gewisseld, met als effect dat beiden zich voor het debat diskwalificeren. Uit dit boompje wisselen van minister Korthals en het OM valt voorts maar één conclusie af te leiden: het proces tegen Sutorius is een politiek proces. De man moet hangen.

Niet alleen heeft Philip Sutorius zich aan de nauw omschreven voorwaarden van het Chabot-arrest gehouden, ook was er ontegenzeggelijk sprake van ontluistering in de zin van het Schoonheim-arrest uit 1984. Sutorius heeft er in de publiciteit nooit veel nadruk op gelegd en heeft, heel chic en dapper, zichzelf er nimmer mee trachten vrij te pleiten, maar Brongersma kreeg steeds meer last van hinderlijke en soms gênante kwalen: hij had last van ernstige evenwichtsstoornissen en van incontinentie. Vooral dat laatste vond hij uitermate vernederend. Die kwalen waren niet de voornaamste reden waarom Brongersma dood wilde - zijn hoofdmotief was zijn grote eenzaamheid, zijn ouderdom en zijn algehele uitputting -, maar zijn fysieke achteruitgang maakte hem wel degelijk angstig. Die was de voorbode van de nabije afhankelijkheid en onttakeling, een steeds dichterbij komende toestand die de trotse Brongersma met afgrijzen vervulde.

Wat Sutorius zelf betreft, het tragische aan de slepende zaak tegen hem is dat de man zich heel eenvoudig had kunnen indekken, maar dat uit onschuld of eerlijkheid niet heeft gedaan. Er is regelmatig sprake van een 'grote leugen' rond de dood van oude mensen, een leugen die transparant werd toen huisarts Frank-Pieter Wibaut in de openbaarheid trad door middel van een publicatie in Medisch Contact. In zijn artikel wees Wibaut op de willekeur van het Openbaar Ministerie. Hij opende zijn bijdrage met de stelling dat "de juridische afhandeling van hulp aan patiënten die 'klaar met leven' zijn van geval tot geval [varieert]: soms wordt geen enkele actie ondernomen, soms dreigt veroordeling wegens moord. Kennelijk tast Justitie de grenzen af tussen stervenshulp, euthanasie en moord." Wibaut beschreef in zijn bijdrage de omstandigheden van twee gevallen waarin hijzelf "hulp bij zelfdoding aan niet-zieke bejaarden die door lichamelijk verval en verlies van partners 'klaar met leven' waren" had verleend. Die twee zaken speelden zich af in precies dezelfde periode als waarin Sutorius Brongersma had geholpen, maar in tegenstelling tot Sutorius was Wibaut van alle rechtsvervolging ontslagen. Willekeur, derhalve.

Nauwgezette lezing van Wibauts artikel en bestudering van de overlijdensaktes van zijn twee patiënten maakt echter duidelijk waarom hij niet vervolgd werd. De eerste patiënt was hoogbejaard, zwaar verlamd en afatisch. Dat is het soort fysiek lijden waar het Openbaar Ministerie dol op is en dat euthanasie en hulp bij zelfmoord vrijwel altijd rechtvaardigt. In het geval van de tweede patiënt, eveneens hoogbejaard, was er geen sprake van een groot en aanwijsbaar fysiek feilen, maar Wibaut gaf in zijn dossier tal van kleine dingen aan: ze raakte immobiel, haar gezichtsvermogen ging achteruit, het rondscharrelen op haar kamer kostte haar steeds meer moeite, ze viel telkens. Wibaut somde al deze kleine feilen uitgebreid op, compleet met medische terminologie.

Dat nu is de Grote Leugen. Zoals je vroeger pas kon scheiden als er sprake was van bewezen overspel en beide echtgenoten daarom op voorhand afspraken dat zij de rechtbank een leugen zouden voorschotelen om zo hun huwelijk ontbonden te kunnen krijgen, is er nu een grote leugen werkzaam bij hulp bij zelfmoord bij ouderen. De arts die een imposante lijst aandoeningen kan opnoemen - zelfs al zijn dat aandoeningen die iedereen boven de vijfenzestig qualitate qua heeft - gaat vrijuit. De arts die zich daar niet op beroept, omdat zulk feilen niet het werkelijke motief vormden, krijgt het Openbaar Ministerie op zijn dak. Als Sutorius in zijn overlijdensrapport en zijn motivering voor zijn hulp bij zelfmoord aan Brongersma nu maar veel -itussen en -oses had genoemd (voor de hand liggend in Brongersma's geval waren minstens geweest: myopathie, osteoporose, artritis, multiple incontinentie en vertigo en met een beetje pech had hij vast ook last van myasthenia gravis en tinnusitis,) was er niets gebeurd.

Sutorius is voor de rechtbank beland vanwege zijn eerlijkheid. Dát is zijn tragedie, en daarmee werkt het Openbaar Ministerie de grote leugen in de hand.

*

Uit eigen ervaring weet ik dat rechtszaken uitermate slopend zijn en altijd langer duren, meer beslag op je leggen en enerverender zijn dan je op voorhand zou denken. Die achtergrond is echter niet bepalend geweest voor mijn keus van de eregast van vanmiddag. Die keuze is door iets anders ingegeven.

Zoals ik onder vrienden al aankondigde: het is mij een grote eer het eerste exemplaar van mijn boek te mogen overhandigen aan een eerlijk man. Aan een huisarts die aandachtig luisterde naar zijn patiënt, die met hem naar oplossingen zocht en merkte dat die er niet was. Iemand die zich daarna grondig van de legitimiteit van zijn eventuele ingrijpen vergewiste, door twee deskundigen om een second opinion te vragen en naging of hij van hen het groene licht kreeg. Iemand die kortom naar eer en geweten en naar beste vermogen handelde. Flip Sutorius.

[Waarna Flip Sutorius het eeerste exemplaar van mijn boek kreeg.]


Copyright Karin Spaink.
Deze tekst wordt uitsluitend
voor persoonlijk gebruik aangeboden.