Lente & Pavlov

Van seizoenen weet Max waarschijnlijk niks, maar de lente vindt ze duidelijk geweldig. Ineens is buiten vol geuren, beweging en leven. Het is er ineens warmer en langer licht. Je kunt nu heerlijk op de tegels liggen zonnen, naar hartelust jagen op vliegen en vogels, geduldig de wacht houden bij die ene deurpost waar een muizenholletje achter verscholen zit – er is zoveel te doen!

Ze ontpopt zich als een ware buitenkat. Deels is het vast opluchting. Toen ze hier elf maanden geleden kwam wonen, was het buiten maandenlang warm en lekker – en natuurlijk reuze spannend. Maar nadat ze hier gewend was geraakt, werd het langzamerhand allejezus koud. Ging dat nou heus steeds erger worden? Hoe ouder zij, hoe kouder? Je mocht toch hopen dat er een ondergrens aan die buitentemperatuur was…

Dus Max is opgelucht: buiten is ineens weer uitnodigend. Ze rent bomen in en uit. Ze komt van ergens op de daktuin aanstormen als ze mij hoort, houdt dan patsboem stil op de richel, staart me kort aan, maakt een geluidje – ‘Eh!’ – en sjeest weer weg. Ze draaft van links naar rechts door de tuin. Soms onderbreekt ze haar galop plotseling, zonder reden, en verstopt zich achter een uitbottende plant. Of nu ja, zij denkt dat ze dan verstopt is.

Dat ik nu ook vaker in de tuin ben, vindt ze prettig. Ze zit vaak ergens in de buurt, onder mijn stoel of zo, of onderbreekt haar strooptochten voor een korte pitstop: ze wil een onderhoudsbeurt, een geruststellende aanhaling. Ze volgt me voorts aandachtig bij het tuinieren. Da’s immers ook een van haar liefhebberijen: ze mag graag in de aarde wroeten en aan planten ruiken. (Max is sowieso een treehugger. Ik heb haar al een paar keer in innige omhelzing met een boom betrapt.)

Vandaag plantte ik wat nieuwe aanwinsten en groef wat gaten in de grond. Ze sloeg me nauwlettend gade. Gut, wat efficiënt, zo’n schepje! Zodra ik een gat klaar had, bestudeerde ze dat en moest ze er even met haar poot in hengelen. De wormen die ik onderwijl vond, verstopte ik heimelijk. Ze heeft er namelijk al twee keer eentje voor me gevangen en die netjes in de keuken gedeponeerd. (Ik vrees het moment dat ik er eentje op of in bed aantref.)

*

Max is sowieso onderzoekend aangelegd. De onderkant van alle tafels en stoelen in huis zijn inmiddels uitgebreid bevoeld en bestudeerd, en van alles wil ze weten wat erachter, erin, erboven of eronder zit. De kier tussen de kussens op de bank is mateloos fascinerend, evenals de luchtgaten in de spouwmuur buiten. Kun je daar met je poot in of tussen? Wat zit er aan de andere kant? Elke kast die opengaat moet ze verkennen. Ze wil weten waar licht vandaan komt en hoe het nu komt dat als ik aan een koordje trek, het donker wordt. Ze kan nooit over het muurtje rechts in de tuin lopen zonder even haar poot in de kier tussen die twee rechtopstaande betonnen platen te steken.

Je kunt het aan haar zien. Eerst kijkt ze alleen, geïntrigeerd, maar dan verandert er iets. Haar kopje gaat steeds schever: aan de mate van schuinstand kun je aflezen of ze inderdaad iets gaat proberen. Zodra ze haar kopje meer dan 45 graden laat hellen, is ze geobsedeerd: ze is iets aan het inschatten. Bij 90 graden – haar hoofd staat dan in een haakse hoek op haar nek – gaat ze geheid iets doen. Wat precies, weet ik niet (zij wellicht ook nog niet) maar íets, dat is zeker.

Zo kijkt ze ook naar de andere katten. Zolang haar hoofd min of meer waterpas is, is er niks aan de hand; maar zodra ze in scheefstand gaat weet ik dat ze iets wil proberen. ‘Hij slaapt. Handig. Hm, ik zóu nu natuurlijk even… “ En prompt gaat die kop scheef. ‘Zal ik?…’

Max haat het als ik in haar gezicht blaas. Zodra ik zie dat Max scheefhoofdig overweegt een van haar huisgenoten lastig te vallen, waarschuw ik met Pavloviaanse lucht. ‘Puffffff!!’ doe ik, meters verderop gezeten, terwijl ik haar streng aankijk. Max bindt ogenblikkelijk in. De geplande sprong wordt afgeblazen, de poot verstijft in de lucht. ‘Meh-meh-meh,’ sputtert ze terug, met het typische geluid dat katten maken wanneer ze zijn betrapt en allerijl een smoes verzinnen. Even blaast ze denkbeeldig mijn kant op: ‘Pff. Jij denkt ook rare dingen over me! Ik wou helemaal niet… Ik wou alleen maar….Pfff! Nou, jij je zin.’

Honden voelen zich in zo’n geval betrapt en gedragen zich schuldig. Katten proberen jou de schuld te geven.


Aantal reacties: 3

  1. HenK ≡ 26 Mar 2011 ≡ 04:41

    Een gemeend “met plezier gelezen”, Karin.
    Bedankt!

  2. Spaink ≡ 26 Mar 2011 ≡ 05:48

    Graag gedaan, en ik ben blij dat je hier nog steeds passant bent :)

  3. Elmo ≡ 26 Mar 2011 ≡ 11:19

    voor mijn kat neem ik graag de schuld op me…
    waar zouden we zijn zonder die heerlijke huisgenoten ?

Schrijf een reactie

E-mail adressen worden niet getoond noch aan derden doorgegeven.
Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *