Privacy is dood, leve het terrorisme!

Van het bewaken van burgerrechten naar het bewaken van burgers

We leven tegenwoordig onder het preventieparadigma. De gedachte dat iets of iemand in de toekomst mogelijkerwijs een terreurdaad kan uitvoeren, volstaat om nu al drastische tegenmaatregelen te nemen. Je kunt de gebeurtenissen immers niet afwachten, dan ben je simpelweg te laat. Je moet pro-actief en preventief optreden, alleen dan kun je terreur in de kiem smoren en voorkomen. Je kunt niet langer wachten tot je bewijzen in handen hebt. Je moet patronen zien en leren herkennen. Je moet mensen monitoren en afwijkingen in hun gedrag vastleggen. Je moet kunnen terugkijken in gegevens en tevens vooruit kunnen kijken. Je moet de misdaad en de terreur vóór zijn. Veiligheid voor alles!

We nemen derhalve maatregelen die in elk ander tijdsbestek als draconisch zouden worden bestempeld, en ze volgen elkaar in rap tempo op. We hebben preventieve fouillering mogelijk gemaakt (2003). We hebben overal camerabewaking. We hebben de algemene legitimatieplicht ingevoerd (januari 2005). We hebben de drempel fors verlaagd om persoonlijke gegevens op te vragen bij banken, supermarkten, verzekeringen, bibliotheken, verenigingen, telefoonmaatschappijen en internetproviders – dat mag nu elke agent doen, zonder bevel van de rechter (wet Vorderen Gegevens, juli 2005). We hebben in Europees verband de bewaarplicht geaccepteerd, waardoor de zogeheten verkeersgegevens van alle telecommunicatie van alle burgers moeten worden vastgelegd en bewaard: wanneer en met wie iedereen mailt, sms’t of chat met wie, benevens de lengte van een sms of mail (december 2005).

Het is nog niet genoeg. Via de OV-chipkaart die dit jaar wordt ingevoerd, kunnen de gangen van alle gebruikers van het openbaar vervoer nauwgezet worden vastgelegd. Er wordt gedacht aan het opslaan van ieders DNA-profiel. Via het aanstaande Burgerservicenummer kunnen alle bestanden die binnen de overheid over iemand bestaan, snel en makkelijk worden opgeroepen. We krijgen biometrische identiteitskaarten. Beveiligingscamera’s doen binnenkort aan gezichtsherkenning. Wij worden zo transparant als de adem van een onbevlekt zieltje.

De vraag of zulke maatregelen nog proportioneel zijn, of ze uitvoerbaar en effectief zijn, hoeveel macht de overheid zich ermee verwerft en of er nog enige controle mogelijk is hoe zorgvuldig ze worden uitgevoerd, lijkt niet relevant meer te zijn. Dat zulke maatregelen vaker wel dan niet indruisen tegen onze grondrechten is al helemaal niet aan de orde.Veiligheid voor alles, immers.

‘Privacy is de schuilplaats van het kwaad’

In de strijd tegen het internationaal terrorisme offeren we onze privacy met liefde op. Dat zou nog op een rationele uitruil van privésfeer versus lijfsbehoud kunnen lijken, maar het probleem zit intussen dieper: privacy is zelf een probleem geworden. De Amsterdamse korpschef Welten drukte die gedachte kernachtig uit: ‘Privacy is de schuilplaats van het kwaad.’ Nee, nu niet zeuren dat ‘het kwaad’ een curieuze term is voor een korpschef, die immers uitsluitend met de wet te maken heeft. Weltens uitspraak is om een andere reden opmerkelijk. Hij zegt in feite dat eenieder die zich iets aantrekt van zijn burgerrechten en die niet zonder meer transparant wil zijn, een handlanger wordt van terroristen en criminelen, al was het maar door hen de hand boven het hoofd te houden. Privacy fungeert in de ogen van het gezag als verlengstuk van de misdaad. Willen we het kwaad überhaupt kunnen blootleggen, dan moet die dekmantel eerst af. Weg met onze burgerrechten! Pas dan kunnen we mensen zien voor wat ze echt zijn en de bokken van de schapen scheiden.

In de nota Politie in Ontwikkeling (mei 2005) schetste de Raad van Hoofdcommissarissen haar ideaal. ‘De Nederlandse Politie kiest [ervoor] de controle op de (hoofd)infrastructuren te intensiveren om de mobiliteit van ‘kwaad’ te beperken en het tijdig te herkennen. Door op de infrastructuur virtuele toegangspoorten te creëren wordt de veiligheid van de burgers in woongebieden vergroot.’ De commissarissen willen overgaan tot geautomatiseerd toezicht op ‘knooppunten van de netwerken (ringwegen rond steden, overslagpunten, havens, luchthavens)’, ‘gericht op het opheffen van anonimiteit en onzichtbaarheid en het identificeren van “kwaad” in de vorm van potentiële en actuele bedreigingen van de veiligheid.’ Het gaat dan onder meer over het lezen van kentekens met behulp van camera’s (catch scan), ‘waarbij waarnemingen en registraties van personen en voertuigen worden vergeleken met uiteenlopende databestanden (bijvoorbeeld openstaande boetes, gestolen voertuigen, vermiste kentekenplaten, bekende verdachten).’

Ho. Wacht. Openstaande boetes? We hadden het toch over Het Kwaad? We gaven onze burgerrechten toch alleen maar op om Osama Bin Laden en zijn kornuiten te kunnen vangen? Om inslaande vliegtuigen en ontploffende metrowagons te voorkomen?

Welnee. Zo begon het alleen maar. De voorstellen voor de bewaarplicht – die trouwens dwars tegen alle bestaande privacywetgeving ingaan, maar daar liet geen enkele regering zich iets aan gelegen liggen, privacy is toch dood – werden ingeleid met verwijzingen naar WTC, Madrid en Londen, maar tegen de tijd dat ze werden ingevoerd werd allerwegen gezegd dat het zo’n handig middel is om ‘piraterij’ op te sporen. De film- en muziekindustrie hebben een fikse lobby opgezet om de richtlijn aanvaard te krijgen; wat begon als anti-terreurmaatregel eindigde als een maatregel tegen allerlei klein grut, tegen ‘normale’ overtredingen, maar met onveranderde grootse consequenties: alle burgers worden minutieus in de gaten houden. We leggen ene virtuele slotgracht om alle steden om verkeersboetes te incasseren.

Bin Laden is een godsgeschenk

En zo gaat het steeds. Roep drie keer ‘terrorisme’ en twee keer ‘veiligheid!’ en je krijgt elke maatregel erdoor, zo bewijst de praktijk van de afgelopen jaren. Waar eerder het bewaken van burgerrechten tegenwicht bood aan een al te invasieve overheid – let wel: onze burgerrechten zijn nu juist ontwerpen om de overheid op afstand te kunnen houden en ons bescherming te bieden tegen vrijpostigheid en opdringerigheid van het gezag – lijkt er tegenwoordig geen enkele rem of balans meer te zijn. De stap van het bewaken van burgerrechten naar het bewaken van burgers bleek verrassend klein, en ‘veiligheid’ was daarbij het scharnierpunt. Alle wetshandhavers die privacy maar een lastig obstakel vonden in de uitoefening van hun vak, mogen de terroristen op hun knietjes danken. Bin Laden is een godsgeschenk.

Maar met onze rechten zijn we meer kwijtgeraakt. Plichten van de overheid jegens ons, bijvoorbeeld. Zolang het proportionaliteitsbeginsel geldt – een maatregel mag slechts dan inbreuk maken op de rechten van burgers indien hij in verhouding tot het gezochte doel staat – moet een afweging van doel en middel worden gemaakt. Maar als het doel zo groot en omvattend, ja zo bijbels is als het Het Kwaad bestrijden, is elk middel vanzelf gerechtvaardigd. Dan kun je ineens al het telefoon- en internetverkeer van alle 450 miljoen Europeanen in de gaten houden om één enkele terrorist in de kiem te smoren. Dat de praktijk zal zijn dat de verkeersgegevens van die mensen worden gebruikt om te bezien of ze mp3’tjes of een film verspreiden, telt dan al niet meer.

De overheid hoeft ons ook geen verantwoording meer af te leggen en inzage te geven in de geboekte successen. Onder het zelfopgelegde preventieparadigma kan zij dat niet eens. Aanslagen die voorkomen zijn, terreurdaden die niet hebben plaatsgevonden, misdaden die niet zijn gepleegd, zijn niet in statistieken en rapportages onder te brengen. Zulke cijfers kunnen niet zakken of stijgen. Soms zullen de plannen van een handjevol Hofstadjongens die amateurterroristje wilden spelen wat moeten worden angehaucht, en klaar ben je: weer een brutale terreurdaad gepreventeerd! Zelfs een aanslag die wel plaatsvindt, is geen reden het beleid te herzien: de maatregelen moeten dan alleen nog strakker, nog strikter, nog fermer, nog preventiever. Getuige de grondslag van de bewaarplicht hoeven we niet eens meer verdacht te zijn om in de gaten gehouden te worden.

Wie van zijn privacy houdt, heult met de vijand

Intussen zit iedereen die zich wel zorgen maakt om burgerrechten en de oprukkende overheid er maar mooi mee. Veel meer dan vertraging weten we niet te bereiken. Dat zet weinig zoden aan de dijk. Bij het verzet tegen de bewaarplicht gooiden nota bene de verzamelde telefoonmaatschappijen en internet providers hun volledige gewicht in de schaal – en anders dan bijvoorbeeld de digitale burgerrechtenorganisatie Bits of Freedom hebben die wel geld – maar zelfs dat hielp geen sikkepit. Privacy is een vies woord geworden, een instrument van Het Kwaad. Wie van zijn privacy houdt, heult met de vijand.

Wat te doen? Misschien moeten we er veel meer op hameren dat de rechten die burgers hebben niet van god gegeven zijn: je verliest ze namelijk simpelweg als je achterover leunt, rechten behoud je alleen als je er geregeld voor vecht. Misschien moeten we het veel harder spelen en mensen expliciet vragen wie bereid is zijn burgerrechten in te leveren, onder welke omstandigheden. Hoeveel vrijheid en rechten zijn ze bereid op te geven voor veiligheid? Waar bestaat die behoefte aan veiligheid dan precies uit? Het incasseren van verkeersboetes? En – later, als het onvermijdelijke volgende voorstel voor verdere inperking van onze privacy op tafel ligt – wat de vorige maatregel dan in godsnaam heeft geholpen? Waarom hij genomen is als hij niet effectief bleek? Aftreden! Afrekenen!

Misschien moeten we overheden beter op hun beloften vastpinnen, zoals Simon Hania, technisch directeur van XS4ALL, al eens suggereerde. ‘U bewaart al onze data uit het oogpunt van terrorismebestrijding. Soit. Maar dan eisen wij ook dat er geen enkele aanslag meer plaatsvindt. Oh, er was er wel een? Dan doet u uw werk niet goed. Wegwezen. Nu.’ Misschien moeten we mensen eraan herinneren dat tegen de tijd dat ze teleurgesteld zijn over de effecten van hun inschikkelijkheid en hun bedwelming door het veiligheidsmantra, ze hun middelen om te protesteren al lang hebben opgegeven.

Of misschien moeten we privacy als handgeld gaan bezien. Wie iets inlevert, mag immers gerust iets terugverlangen – en zoals het nu gaat verliezen we diezelfde privacy zonder meer. In onderhandelingen maken we er tenminste nog iets van. In ruil voor onze privacy eisen we verantwoording, transparantie en doelmatigheid. U wilt tappen? Best. Maar dan willen wij statistieken zien hoe vaak de overheid tapt (dat weigeren ze nu te zeggen) en hoe vaak taps helpen om een zaak tot een einde te brengen. Dan willen we resultaten en inzicht. Weten wie er wat mee doet.

Maar misschien ook moeten we toegeven dat privacy dood is.


Aantal reacties: 17