Requiem voor een garage

Kom je thuis van een paar dagen buitenland, worden je buren gesloopt. Vanmorgen schoof ik, nog nasuizend van de reis, de vitrage open om te zien waar die herrie toch vandaan kwam: het heien van de nieuwe flats hiertegenover is immers al maandenlang voorbij. Tot mijn schrik zag ik de overburen vermaald worden. Heel grondig: met zo’n gebekte rupsbandenmachine die dak, muren en stutten in een paar uur tijd weghapt en in afvoercontainers uitbraakt.

Het was een garage met een oud woonhuis ernaast. Dat de gemeente het bouwsel weg wilde hebben was bekend, er kwamen mooie koopflats aan met water eromheen. Die plannen riepen veel verzet op: er zat gif in de grond, dat tegen alle regels in een bak in het kanaal zou worden gedumpt, de flats werden minstens twee verdiepingen hoger dan afgesproken, met als gevolg dat het licht in veel bestaande huizen volledig wordt weggenomen. Er is jarenlang geprocedeerd en de wijk won meestal. De gemeente – of de deelraad, tegenwoordig weet je nooit meer met wie je van doen hebt – veranderde dan prompt de regels.

Toen ik midden vorige week vertrok was de garage nog in vol bedrijf. Hij bracht leven in de straat. Er werkten meestal vier tot vijf mannen uit alle windstreken: Zuid-Amerikanen en Noord-Afrikanen, zo op ‘t oog. De baas versleet ik voor nurks totdat ik hem begon te groeten, sindsdien knikte hij vriendelijk terug. Er was altijd wat te zien: van de politie die weer eens poolshoogte kwam nemen (kijken of er illegalen werkten, dacht ik dan altijd) tot klanten die een scène schopten als de rekening hoog was uitgevallen of hun auto nog niet klaar was. Ze lieten zich nergens door van slag brengen, de mannen van de garage.

‘s Zomers zaten ze op klapstoeltjes in de zon, ‘s winters drentelden ze in en uit, en eens per twee jaar schilderden ze de buitenboel krakend wit. Een tijdje deden ze in old-timers en stonden er geregeld zwaar verchroomde Amerikaanse sleeën geparkeerd. Ze hielden een oogje in het zeil: als er vreemd volk aan deuren morrelde of ander onraad was, zagen zij dat. Toen er eens rook uit mijn ramen kwam – broodjes vijftien minuten op vol in de magnetron bakken is niet zo’n goed idee – belden ze meteen aan om te waarschuwen.

En nu werden ze gesloopt. Het hing in de lucht, de nieuwe en te hoge flat schuin achter ze had zes weken geleden de nok bereikt. De garage zou worden uitgekocht maar ze procedeerden nog, geloof ik.

Ik haastte me naar buiten en keek geschrokken naar de machine die de garage aan flarden hapte. Er stonden overal mensen met meewaren te kijken. Een straatgenoot vertelde me dat de boel vrijdag was ontruimd, er waren nog wat machines en bakken met gereedschap afgevoerd.

Een man kwam naast me staan kijken. ‘Tsja,’ zei hij, ‘het moest er eens van komen, he,’ of woorden van gelijke strekking. Ik uitte mijn verbazing over de toch zo plotselinge sloop. ‘Nu ja, ze wisten het al lang,’ zei hij. ‘Dat maakt het niet minder vervelend,’ zei ik, ‘bovendien was die garage het oog van de straat, ik zal ze missen.’ Hij zweeg even. ‘Het huis werd illegaal bewoond,’ zei hij. ‘De bouw van die flats zelf is nu ook niet bepaald netjes gelopen,’ verzuchtte ik, terugdenkend aan de bizarre inspraakprocedure waarbij de buurt alles mocht behalve inspreken en de gemeente dwars tegen bestemmingsplannen en wat dies meer zij inging. De man zei nog iets dat erop neerkwam dat alles volgens de regels was gegaan. Ik antwoordde dat de gemeente de regels daartoe dan ook had aangepast.

Ik keek nog eens naar de man. Een mij onbekend gezicht. ‘Woont u hier?’ vroeg ik. ‘Nee,’ zei hij. Ik bleef hem aankijken. ‘Ik ben van de deelraad,’ vulde hij na een korte aarzeling aan. De motivatie achter zijn ogenschijnlijk zo spontaan aangeknoopte gesprekje was plots glashelder. De man stond hier om de effecten van de besluiten te aanschouwen en de eventuele onlustgevoelens van straatgenoten door tegenspraak de kop in te drukken. Wat slim. En wat kortzichtig. Alsof de straatbewoners die zo verschrikt hadden staan kijken die sloop plots met instemming zouden bezien door zijn zalvende woorden. Alsof we zulke kalmerende woorden niet gedurende die hele inspraakperiode en alle rechtszaken hadden gehoord.

Ik deed een stapje weg bij de man van de deelraad en keek nog even naar het slopen. Dag garage. Dag inspraak.

[Update: De garagehouder is twee maanden na de sloop van zijn levenswerk overleden.]

Schrijf een reactie

E-mail adressen worden niet getoond noch aan derden doorgegeven.
Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *

Hou me per e-mail op de hoogte van nieuwe reacties op dit artikel.
      (U kunt zich hier abonneren zonder zelf te hoeven reageren.)