Geluk in de modder

VUILNISZAKKEN, ER MOETEN vuilniszakken mee. Op Dynamo regent het immers altijd, dat is ooit zo afgesproken, en waarmee kun je jezelf beter drooghouden dan een vuilniszak? Onderweg in de trein speel ik mijn favoriete spelletje: bepalen wie van de bepakt- en bezakten naar Landgraaf gaan en wie naar Eindhoven. Het Pinkpoppubliek ziet er gewoner uit dan dat van Dynamo. Ik raak aan de praat met Cees uit Groningen – goed gegokt – en wissel bandnamen en anekdotes met hem uit. Als we aankomen schijnt de zon zo fel dat ik blij ben dat ik ook mijn zonnebril heb ingepakt. De harde muziek is al van ver buiten de hekken hoorbaar. Ik ruik modder en snuif de geur verzaligd op: het is de lucht van muziekfestivals.

Overal staan tenten. Links die van de camping; rechts die van het festival zelf: tenten voor pizza’s, drank, t-shirts, cd’s, posters. En, ook rechts, een onmetelijk groot grasveld dat plaatselijk zompig is wegens de regenbui van de nacht ervoor. Hier passen honderdtwintigduizend mensen. Zoveel waren er in 1993, en omdat veel van hen per auto kwamen raakte Eindhoven tot in de verre omstreken verstopt en reikten de files tot in Duitsland.

Die enorme opstopping bracht twee dingen met zich mee. Metalfans die vastzaten braken onderweg hun biervoorraad al aan, trakteerden de medeburgers op hun muziek en sloegen tentjes op naast allerlei A-zoveels, zodat Dynamo die gedenkwaardige vrijdag honderd vierkante kilometer leek te beslaan en zich pas in de loop van het weekend samenbalde op vliegveld Welschap. Het was ineens metalfestival in heel Zuid-Oost Nederland in plaats van alleen in Eindhoven. En de media ontdekten tot hun schande dat ze iets immens over het hoofd hadden gezien: Dynamo, ooit begonnen op een parkeerplaats middenin Eindhoven, was inmiddels uitgegroeid tot Nederlands grootste popfestival, zonder dat de pers iets in de gaten had gehad. Er verschenen veel ingezonden brieven van Dynamo-fans die meesmuilend moesten lachen om de bezoekersaantallen van Pinkpop. Vijftigduizend, ‘t mocht wat. Dat deden wij beter: wij waren met dik tweemaal zoveel.

Niet alleen is Dynamo groter, het is bovenal leuk. Iedereen beaamt het: van platenmaatschappij tot pendelbuschauffeur, van politieagent tot festivalganger: Dynamo is bijzonder ontspannen. ‘Liever twintig bussen volgepropt met Dynamopubliek dan een ritje met voetbalfans,’ zeggen de buschauffeurs elk jaar opnieuw, en dat de politie op zo’n festival een handvol arrestaties verricht betekent niets: in een gewoon weekend zijn het er meer. De regels zijn minimaal doch doeltreffend: er mag geen glas mee het terrein op, en geweld wordt niet getolereerd. Verder doe je maar waar je zin in hebt. Terecht, want zelfs degenen die er vervaarlijk uitzien, betonen zich lammeren: afgezien van wat jonge-hondenspel gebeurt er niets. We zijn immers onder ons en waarom zou je je maten gaan jennen?

En ‘ons’ is breed, op Dynamo. Er lopen mannen die uit zo uit een Hell’s Angelshonk lijken weggeplukt, punkers met overal veel ijzer, en headbangers: dunne, meest lange jongens die goed met hun haar kunnen zwaaien. ‘Ons’ is een amalgaam van kaalgeschoren hardcore-fans, ouderwetse metalliefhebbers, stoere mevrouwen, schriele jongens, prachtig opgeschilderde fans van gothic en doom, en veel mensen met knielange wijde broeken en zware laarzen. (Kapsels met weggeschoren zijkanten zie je zelden meer, die haardracht lijkt definitief in handen van gabbers te zijn gevallen.) Het aardige is dat al die mensen zich mengen: er is nauwelijks kliekvorming, noch botsen subculturen zo sterk als op Pinkpop gebeurt, waar de britpop- of dancefans niet goed weten wat ze overkomt wanneer heftige bands als Biohazard of Gorefest het podium betreden.

Dynamo wordt allerwege geroemd vanwege zijn flexibiliteit: de honderden medewerkers en vrijwilligers zijn geen godjes voor een dag die streng op hun strepen staan, maar mensen die gul hun diensten verlenen. ‘Het is de best georganiseerde gruwelijke puinhoop die ik ken,’ menen de mensen van Rough Trade en Roadrunner. ‘Hier kan ik Peter Steele tenminste spreken,’ zegt Jan-Geert van de lokale radio. En ze zijn lief, bij Dynamo. Op welk ander festival deelt de organisatie gratis regenjassen uit aan de mensen die op het gehandicaptenpodium hun rolstoel langzaam in een minibadje zien veranderen?

Spaink op Dynamo (op het gehandicaptenverdiep).
Foto: Theo Audenaerd

DE ZON BLIJFT schijnen. Amorphis speelt. Ooit waren ze deathmetal, en het logge en zware daarvan hebben ze godlof niet helemaal van zich afgeschud. Het is rommelig druk en er is nog ruimte genoeg om het terrein te verkennen. Veel mensen scharrelen langs de kraampjes; alleen de eerste vijftig meter voor het hoofdpodium staat iedereen dicht opeen. Het is zelfs daar verhoudingsgewijs rustig.

Pas later die dag, bij Sick Of It All en Machine Head, pakt de massa voor het podium zich samen en staat er een zee van mensen te golven. Er wordt overdadig gecrowdsurfd: mensen werken zich omhoog in de meute en worden door tientallen handen naar voren doorgegeven, ze rollen en draaien over de hoofden totdat ze niet meer weten wat onder of boven is, duizelig van de muziek en hun bewegingen als ze zijn. De vangers bij de hekken vissen de surfers tussen die hoofden en armen uit en sleuren ze over de hekken heen, waarna ze even bijkomen en snel weer naar het veld teruglopen. Sommige mensen weten binnen het tijdsbestek van een veertig minuten durend optreden wel tien keer over het hek te surfen.

“Dat vangen is geweldig,” vertelt Karel van der Graaf. “Ik zeg meestal ‘welkom thuis!’ als ik ze op de grond zet. Die blik die ik van ze terugkrijg is onbetaalbaar: ze zijn volkomen extatisch, buiten zinnen van plezier. En dolgelukkig dat ze weer vaste grond onder de voeten hebben.” Karel van der Graaf – ja die – blijkt al jaren als vanger op Dynamo mee te helpen. Hij is tevens een vaste bezoeker van Waldrock, het kleine Friese zusje van Dynamo. ‘Ik vind dit een schitterend festival: al die mensen die woest en gevaarlijk willen lijken maar dat helemaal niet zijn. De saamhorigheid hier is geweldig. Daar zou een christen-democratencongres nog een puntje aan kunnen zuigen.” Hij grijnst er vals bij. Rik, een metalfan met veel haar en tatoeages, valt Van der Graaf om de hals. Hij vangt ook. Ze zijn vorig jaar vrienden geworden op Dynamo.

Backstage staan twee agenten bier te drinken en krijgt de burgemeester van Budel een rondleiding. Eindhoven gaat Welschap bebouwen en daarom moet Dynamo hier weg; Budel is de mogelijke nieuwe locatie. De burgemeester van die gemeente oriënteert zich nu. Het groepje kijkt ernstig – dit is werk – doch geïnteresseerd rond. Iets verderop loopt de zanger van Gorefest, Neerlands glorie op metalgebied, met zijn vriendin. Hij grabbelt naar haar hand, krijgt die en maakt dan een huppelpasje om in het ritme van haar pas te komen. In de maat lopen ze naar het veld om muziek te gaan kijken.

Gorefest. Hun meest imposante concert gaven ze hier: Dynamo 1993. Gorefest was de beste deathmetalband die Nederland toen te bieden had en speelde Dynamo plat; ze schrokken er zelf van, en Jan-Chris de Koeyer struikelde over z’n woorden van verbazing en animo. Maar z’n grunt had nergens onder te lijden en hun muziek stond als een bunker. Nog nooit waren er zoveel vangers aan het werk geweest of moesten er zoveel waterslangen ter verkoeling op het publiek worden gezet. Er werd een cd van dat optreden uitgebracht: The Eindhoven Insanity, waarvan de laatste minuten alleen bestaan uit het uitzinnige gejoel van honderdtwintigduizend mensen die niet wilden dat de band ophield. Eigenlijk moest Gorefest Nederland maar eens vertegenwoordigen op het songfestival (of, als het per se Nederlandstalig moet, de Osdorp Posse). Geheide winnaars!

‘s Avonds speelt Type O Negative; het is net donker. Als de schijnwerpers aangaan wordt het veld belicht: een onafzienbare mensenmassa, verwachtingsvolle gezichten voor zover het oog reikt. In de ruimte tussen veldhekken en podium staan behalve de vangers ook tientallen fotografen. Wanneer Steele het podium op komt richten vijftig, zestig toestellen zich op hem en laten hem niet meer los: die man trekt camera’s aan als stroop vliegen. De muziek is hard, erg hard. De mensenzee zingt mee bij Type O‘s grote hits: Christian Woman en Black No. 1; natuurlijk, dat gebeurt bij elk Type O optreden, maar nu is het imposant in plaats van klef. Tachtigduizend mensen die meegevoerd worden door de muziek….

Helemaal vooraan staat een meisje tegen het hek gedrukt. Ze is een haring in een ton: achter en opzij wordt er geduwd, en zelfs boven haar is het druk: de crowdsurfers worden over en langs haar heen over het hek geschoven. Haar gezicht is nat. Ze buigt steeds naar voren, haar armen om het hoofd gevouwen; een van de vangers gebaart regelmatig naar haar, bezorgd of het allemaal wel goed gaat? En dan knikt ze verzaligd: het gaat goed, het gaat prima, het kan niet beter met haar gaan. Ze geniet. Dat ze haar handen om haar hoofd slaat is niet uit angst ofzo: het is omdat het haar bijna teveel wordt van mooi en onvergetelijk en dat Type O daar staat en zij zo vlakbij is en ze kan alles horen en zien en de muziek is zo… zo… zo… – en ze vouwt haar handen weer om haar hoofd en houdt zichzelf vast.

Geluk in de modder, dat is het.

Het kost de organisatie moeite, maar later weten ze het toch nog te laten regenen. (Tradities zijn er om in ere gehouden te worden.) De regen en het getrap veranderen het terrein in een ommezien in blubber. Het gehandicaptenpodium is onbereikbaar geworden, het staat midden in een moeras. Mijn stoel loopt vast in de bagger, maar er zijn zat vriendelijke mensen die aanbieden te duwen. Als ik thuis ben moet mijn rolstoel in bad, om het geluk er af te schrobben.


Schrijf een reactie

E-mail adressen worden niet getoond noch aan derden doorgegeven.
Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *