Wees welkom bij mijn zelfmoord

[Gepubliceerd in Doodgewoon, blad over de dood, lente 1995.]

DAT ER NA mijn dood niets is, laat me koud. De dood is een zaak die uitsluitend de levenden aangaat; het zijn de nabestaanden die het er moeilijk mee hebben en zij die, omdat ze leven, sympathiseren met aanstaande nabestaanden en aanstaande doden.

Wat mij dwars zit, is hoe het zou zijn tijdens het sterven. Doodgaan geeft niet, dat doen we tot nader order allemaal en aan alles dient een eind te komen, maar wat me altijd erg heeft tegengestaan is de gedachte dat je in je eentje zou moeten sterven. Ik vermoed dat ik, als het zover is, eenvoudig angstig zou zijn. Niet vanwege beelden van hel & verdoemenis – ik ben agnostisch opgevoed, dat scheelt immens – maar omdat alles op dat moment ophoudt. Doodgaan is vreselijk definitief. En daarom per definitie onbekend terrein. Zoals Rudy Kousbroek schreef: ‘De dood bestaat nu al zo lang en nooit is er iets over uitgelekt. Je leest of hoort, uit de eerste hand, alleen maar over ontsnappingen eraan.’ 1 Ik zou mensen om me heen willen hebben die me kalmeerden als dat nodig blijkt.

*

OOIT ZAG IK, en dat leek me het summum van zieligheid, een straatviolist in de Kalverstraat. Het was een koude winternamiddag, de winkels waren dicht, de straat was donker en vrijwel verlaten. De man stond Ravels Bolero te spelen. Alleen. Elk ander muziekstuk was tot daar aan toe geweest; de omstandigheden waren triest genoeg om alleen daarvan al een acute oprisping van medelijden te krijgen. Misschien speculeerde hij daar zelfs op, uit inzamelingsoverwegingen. Maar dat hij in zijn eentje juist de Bolero speelde, was hartverscheurend.

Ik kan maar één erger beeld verzinnen: wanhopig zijn, tot zelfmoordwillens-en-wetens toe, en dan niemand in de buurt hebben om je angst te helpen stelpen. Stel je voor. Je wilt niet meer, je kunt niet meer, om wat voor reden ook, en je besluit dat het genoeg is geweest. Die beslissing lucht op. Je maakt een plan. Je schrijft afscheidsbrieven en moet daar soms wat bij huilen. Je denkt er onophoudelijk over na, maar de gedachte laat zich niet wegwrikken. Je wilt oprecht dood. Het plan dient uitgevoerd: je beklimt derhalve een flatgebouw, zoekt een treinspoor uit, zet het gif klaar, knoopt een strop, verzamelt aspirines en medicijnen, scherpt de scheermesjes, dicht alle tochtgaten van de garage. Van voorbereiding ga je over op uitvoering, en nog steeds is er geen enkele aarzeling. En dan, ook al wil je en ben je overtuigd van je beslissing, is er ineens – dat kan niet anders – ergens die ene seconde, terwijl je allang valt of je je bewustzijn voelt vervagen, die ene seconde waarin je je realiseert dat je niet terug kunt, nu niet, nooit meer niet. Die seconde groeit uit tot een monument van eeuwigheid: de allerlaatste, onherroepelijke ervaring. Volgens mij is dat een moment van volslagen paniek. En hoe ik ook het recht op zelfmoord voorsta, dat moment zou ik eenieder die mij lief is willen besparen.

*

‘OVERIGENS IS DE kans groot dat jij strafbaar zou zijn. Wegens nalatigheid ofzo, of medeplichtigheid.’

‘Dat kan allemaal best waar zijn, maar niemand zou alleen moeten hoeven sterven,’ zei ik. ‘Zeker jij niet. Jui­st jij niet – niet als een hond, weggekropen in een steegje, alleen met je draken, niemand die je de worsteling met hen kan verzachten. Dood moeten is tot daar aan toe, maar dat jij alleen zou moeten sterven vind ik onverdraaglijk. Je -‘

‘Daar heb je dan kennelijk de meest afschuwelijke romantische ideeën over,’ zei je. ‘Dood gaan is niet leuk om te zien, dood gaan is bloederig en met rochels en stuipen en gaat doorgaans gepaard met er eng en erg naar uitzien. Dood gaan is geen Love Story met jou in de rol van ontroostbare echtgenoot en ik zieltogend op bed, maar Hellraiser. Dood gaan is een trashy video. Vies en gemeen en hard, met valse kleuren.’

‘Nou en? Dat weet ik, en dat doet er absoluut niet toe. Ik ben niet bang voor hoe je dood zou gaan. Het enige dat ik wil is erbij zijn, je vast mogen houden. Vasthouden en vastgehouden worden is het enige dat de dood hanteerbaar kan maken… Als je weg moet is dat al erg genoeg, en dan moet je ook goed weg, asjeblieft niet in opperste paniek.’

‘O ik snap het al,’ zei je dan. ‘Je denkt zeker dat je me halverwege zou kunnen bekeren, kunt ompraten; dat je me vast kunt houden. Hier kunt houden.’

‘Nee. Dat zou ik nooit doen. Of denken.’

‘Of je wilt erbij zijn omdat je je dan als achterblijver niet buitengesloten voelt. Jezelf niet schuldig hoeft te voelen. Omdat je er dan van wist, en samen met mij in een fijn complotje zat. Het gaat verdomme niet om jou, om wat je eventueel had kunnen doen of had kunnen laten. Ik zou heus niet om jou dood willen, ik zou om mezelf dood willen, snap dat dan – het gaat om mij. Om eindelijk niet meer te hoeven en niets meer te moeten. Om te mogen.’

‘Daarom juist! Dat jij dood zou willenmoeten, daar gaat het om. Ik zou het liever niet willen, ik heb je duizend keer liever hier, met draken en al, heus, maar als jij niet meer kunt, dan kun je niet meer. Als jij wilt dan wil je dat; daar ga­ ik niet over. Dan mag je. Ik had alleen zo innig graag dat je dat niet alleen moet hoeven te doen… Alleen moeten sterven is erger dan de dood zelf.’

‘Welnee,’ zei jij, ‘ik wilde dan toch juist dood?’ 2

*

VREEMD GENOEG HEEFT de gedachte aan zelfmoord een uiterst geruststellend, ja zelfs opwekkend effect op me. Hoe erg ik het leven of mezelf soms ook vind en hoe bar de toekomst zich ook uitstrekt, zelfmoord plegen kan altijd nog en hoeft daarom niet per se nu. Misschien later, als de zaken er nog desolater voor staan – en die gedachte volstaat om me weer een paar weken op de been te houden en de wanhoop in het gezicht te blijven zien. Om de dood uit te stellen. ‘Zonder de gedachte aan zelfmoord,’ schreef de Roemeen Cioran, ‘had ik mezelf allang van kant gemaakt’. Hier past alleen instemmend geknik.

Ik heb daarnaast altijd geloofd dat ik niet vanzelf dood zou gaan, dat wil zeggen: niet per ongeluk, niet onbedoeld. Dat blijkt een bekende illusie te zijn, die door veel mensen wordt gekoesterd en die voortkomt uit de wens het lot in eigen hand te hebben. De gedachte van een gewenste of gekozen dood houdt rechtstreeks verband met de behoefte de auteur te zijn van je eigen leven, zelf het moment te bepalen waarop het verhaal afloopt en eigenhandig het woordje ‘einde’ te mogen schrijven.

Om die reden stelt Patricia de Martelaere dat zelfmoord in de eerste plaats een esthetische daad is: ‘Het is het verlangen naar volledigheid, naar voltooiïng, naar afwerking van het eigen leven, om het eindelijk als eindprodukt te kunnen voorleggen aan de overlevenden’. We verbeelden ons dat we doodgaan ter besluit van het leven, om het ‘af’ te maken; de dood voorgesteld als logisch, noodzakelijk en rechtvaardig einde. Maar in werkelijkheid, constateert De Martelaere, ‘sterven we op weg om onze kinderen van school te halen, in bad, luisterend naar een cultureel programma op de radio, of in bed met een vrouw die niet de onze is. Wij sterven altijd, zo lijkt het, op de meest ongelegen ogenblikken. En alles wat we per se nog moesten doen, alles wat we absoluut nog hadden willen zeggen, zal gewoon ongedaan blijven, en ongezegd. Ons leven wordt door de dood onderbroken, niet beëindigd.’ 3

Zulk weggerukt worden is uiterst onbevredigend. Het doet abrupt aan, slordig; al te rafelig, zou je haast zeggen. En bovendien eng. Want er is niemand om je handje vast te houden terwijl je het onaffe met het niets verwisselt.

*

JUIST DE COMBINATIE van niet alleen willen sterven en de esthetische hang het auteurschap over het eigen leven uit te oefenen, is naar ik vermoed een reden waarom euthanasie op een paradoxale populariteit kan bogen en in ieder geval aanzienlijk bespreekbaarder is dan zelfmoord. De meeste mensen willen niet dood, nog niet, doodgaan is eigenlijk iets voor later; maar als er geen ontkomen meer aan is en dat ongrijpbare later schrikbarend snel dichterbij komt, dan liever zo. Wie euthanasie pleegt, weet zich ervan verzekerd dat er intimi binnen handbereik zijn, en kan – binnen door de ziekte opgelegde marges – zelf uitmaken wanneer hij of zij vindt dat het genoeg is geweest. Je eigen dood regisseren is een lichte vorm van wraakneming op het noodlot.

Maar zelf moet ik er niets van hebben, van euthanasie. Mijn schrijversdrang is daarvoor te sterk: in mijn plot loop ik eerder af dan een arts zou mogen goedkeuren, en ik zou niet afhankelijk willen zijn van andermens’ instemming met mijn beslissing dienaangaande. Wanneer ik volgens mijn eigen criteria niet prettig genoeg kan leven en verbetering uitgesloten lijkt, hoef ik niet meer. Wil ik niet meer. En om te sterven, heb ik geen arts nodig – een flinke overdosis cocaïne of heroïne, pillen, pistolen, doorgesneden aderen zijn even effectief; mogelijkheden te over. 4

Wie ik wel nodig heb, zijn mijn vrienden. Niet om hen tot erfgenaam van mijn famous last words te maken, maar omdat ik vrees bang te zijn. Het liefst zou ik laat op een avond een vergiftigde bonbon laten wegsmelten in de aanwezigheid van enkele zeer dierbaren – en zowel de avond als de lievelingsmensen zijn daarbij cruciaal. Ik stel me dat voor als een benijdenswaardige zelfmoord. Een dood om jaloers op te zijn.

Noten:

  1. Rudy Kousbroek, ‘Mijn dood’, in: De vrolijke wanhoop, uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 1993, pag. 8.
  2. Karin Spaink, ‘Lichamen’, in: Stokken en stenen, uitgeverij van Gennep, Amsterdam 1993, pag. 151-152.
  3. Patricia de Martelaere, ‘De levenskunstenaar. Naar een esthetica van de zelfmoord’, in: Een verlangen naar ontroostbaarheid, uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 1993, pag. 94 en pag. 95.
  4. Voor uitgebreide en serieuze informatie over hoe je zelfmoord kunt plegen en debatten over oorzaken, redenen, voors & tegens ervan, verwijs ik naar de newsgroup alt.suicide.holiday en naar hun Suicide Methods File.

Aantal reacties: 6