Management by slander

IN HET BEDRIJFSLEVEN en de politiek is management by speech gemeengoed: praatjes om de gaatjes te verhullen. Het verschijnsel doet zich bij uitstek voor wanneer een bedrijf of partij in existentiële nood raakt. De boot is lek, het water stijgt, de passagiers vrezen te verzuipen; een gewoon mense zou dan denken aan hozen en gaten dichten, of desnoods aan een spoedcursus schoolslag en borstcrawl. Zo niet de manager by speech. Die bepaalt zich ertoe de inzittenden te vermanen dat de boot ondanks de schijn van het tegendeel heus solide is en dat zwemvesten nergens goed voor zijn; tevens zal die de luisteraars voorhouden dat de onderstroom volgens berekeningen van betrouwbare instanties volgend jaar ab-so-luut anders staat, dat men hard werkt aan de ontwikkeling van waterlongen en aanplakvinnen, en dat men voorts op korte termijn aanvangt met het kanaliseren van de oceaan zodat in het volgende decennium – erewoord – niemand meer hoeft te verdrinken.

Peppraatjes houden, via retoriek een beeld schetsen dat zich niet verhoudt tot de geconstateerde problemen, werknemers en burgerij verbaal masseren teneinde ze te laten instemmen met het gevoerde beleid ook al heeft dat geen enkel raakvlak met de praktijk. Vaak werkt het nog ook.

Roddel en achterklap in roulatie brengen is een vorm van management by speech die de laatste jaren flink in opkomst is. Tegenstanders kunnen er vrij moeiteloos onschadelijk mee worden gemaakt. In de VS volstaat het om achteloos tegen een paar journalisten te zeggen dat de presidentskandidaat ooit overspelig is geweest of bij een prostituée is gesignaleerd; de rel is daarmee een feit, de kandidaat bezoeldeld en de carrièe onherstelbaar gedeukt. Of de roddel waar is en of iemands seksuele en -liefdesleven ertoe doet wanneer je zijn of haar politieke gewicht wilt bepalen, is allang bijzaak geworden. Dat is: management bij slander.

*

NU TREKT MEN zich in Nederland gelukkig weinig aan van de eventuele overspeligheid van ministers, bankdirecteuren of beurskanonnen. Ze doen maar, de Privé kan daarover schrijven wat-ie wil maar zulke klikspanerij heeft hooguit binnenshuis repercussies (echtelijke rellen, kapot glaswerk en als-blikken-konden-doden blikken); tot iemands aftreden heeft het gelukkig nooit geleid. Wat overigens niet wil zeggen dat er hier geen standaardmethodes zijn om iemand, of iets, te besmeuren. Integendeel. Maar iemand van overspel betichten is niet effectief, da’s allang geen teken van normloosheid meer. Er zijn nationale taboes die beter ingezet kunnen worden. Nederlanders managen hun smaad door te beginnen over kinderporno, collaboratie in de oorlog of banden met de CentrumPartij.

Maar dan moet je het wel goed doen en enigszins beslagen ten ijs komen. Die kunst beheerst niet iedereen. Zo stuurde iemand van de week een brief aan B&W van Amsterdam, om hen te vermanen hun subsidie aan De Digitale Stad te heroverwegen: ‘DDS functioneert voor een groot deel als gratis “06-babbelbox”. Daarnaast dient DDS als aanbieder van obscure waar, zoals pornografie. (..) Er is sprake van indirecte steun door de gemeente Amsterdam aan de verspreiding van pornografie en zelfs zogenaamde “kinderporno”.’

De brief ging vergezeld van een handleiding om porno op Internet te vinden. Nu weet iedereen dat er op Internet porno te vinden is, in vrijwel alle soorten en maten, maar kinderporno? Nauwelijks. Iedereen die kinderporno aanbiedt is bovendien strafbaar; ook degenen die dat digitaal doen. Verschillende servers die dergelijke waar in woord of beeld aanboden, zijn op grond daarvan uit de lucht gehaald. Voorts kan elk medium gebruikt worden om porno te verspreiden: van centsprent tot gravure, van video tot telefoon, van boekdrukkunst tot fotokopieermachine. Wie naar Sodom wil vindt altijd wel een route en vele wegen leiden naar Gomorra, inclusief de digitale. De vraag is of je dat de wegenbouwer moet aanrekenen.

De briefschrijver, niet gehinderd door enige redelijkheid of kennis, insinueert er vrolijk op los: degenen die bezwaar maakten tegen zijn redenering waren volgens hem dus ‘voorstanders van kinderporno’ en de rest legde hij het nogmaals uit, getergd nu bijna: ‘Mijn argument is dat de voornaamste funktie van dds bestaat uit het verspreiden van “dirty talking = imbecile talking” via dds en daarnaast uit het verspreiden van porno, cq. kinderporno. Dat is geen vals argument. Dat is vaststellen van een feit, mijns insziens.’ Hij moet aangevoeld hebben dat de toevoeging ‘mijns inziens’ zijn eerder zo kordaat tot ‘feiten’ bestempelde uitspraken behoorlijk ondergroef, want hij wierp een tweede taboe in de strijd: ‘DDS is gewoon heel erg fout, zoiets als CD of CP ’86. Ik zou graag zien dat DDS in deze centrumdemocratische sfeer wordt getrokken, want dat zou erg terecht zijn.’

Toen hij daarna nog uitlegde dat hij de afgelopen maanden had besteed aan het speuren naar kinderporno op het net (‘Dat was niet mis! Groepen als alt.sex.pictures en alt.binaries.pictures.erotica.female staan vol met afbeeldingen van pik-in-kut … lesbische standjes en daartussendoor af en toe ook wat foto’s van blote kinderen’) rolden de DDS-bewoners helemaal om van het lachen. Ineens hadden ze hem herkend, deze briefschrijver: hij was het prototype van de man die in alle schappen van de supermarkt zoekt tot hij de Penthouse vindt, daar ijverig in bladert en vervolgens met verwilderde ogen tot het boodschappen doend publiek roept: ‘Kijk nou!! Kijk nou wat ik gevonden heb!! KIJK nou!!’ Maar niemand keek. Ze waren helemaal niet zo geïnteresseerd in porno als hij.

Het meest bizarre aan het geval is dat op Internet porno heel makkelijk te vermijden is. Stukken makkelijker zelfs dan bij het bladenrek in de supermarkt.


Schrijf een reactie

E-mail adressen worden niet getoond noch aan derden doorgegeven.
Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *