Daar sta je dan met je goeie gedrag

[Bijdrage aan de congresbundel “Mannen, geweld, seksualiteit”, congres Driebergen, georganiseerd door o.a. de Vereniging voor Seksuologie en de Interfacultaire Werkgroep Homostudies.]

MET HET ZWEET in mijn handen zit ik achter de tekstverwerker. Er waren plannen genoeg om een stuk te schrijven over preventie en bestrijding van seksueel geweld. Een kleine inventaris van voorgestelde maatregelen moest daarin (zelfverdediging in de gymnastiekles in plaats van oefeningen op de evenwichtsbalk, een andere opzet voor ruimtelijke ordening zodat Hoog Catharijnes en Bijlmermetro’s tot het verleden kunnen gaan behoren); voorts een kritische noot over de tendens het strafrecht als bestrijdingsinstrument te gaan zien, want hoewel het eisen van straf vanzelfsprekend gerechtvaardigd is, mogen we niet verwachten dat daar enige preventieve werking van uitgaat. Plus een beschrijving van mogelijke tegenstellingen tussen de eisen van vrouwen- en flikkerbeweging op dit gebied (want waar de dames om betere parkverlichting en een ‘opener’ straatbeeld vragen, hopen flikkers in het schemerdonker juist aan hun trekken te komen), en de ingewikkelde vraag of “preventie” (het bestrijden van het voorkomen) eigenlijk wel te realiseren is. En dan, als toetje, nog een poging twee cruciale vragen aan te snijden: hoe kunnen we voorkomen dat mannen seksueel geweld plegen, met andere woorden, hoe we aan werkelijke preventie kunnen doen, en: hoe kunnen vrouwen (he en ho) en flikkers beter toegerust worden zich tegen seksueel geweld te verweren, oftewel hoe bestrijd je seksueel geweld. Maar niets van dat al. Een pijnlijke ervaring die ik in december had maakt het me onmogelijk nu zoiets te schrijven.

Theorieën op hun kop gezet, mijn ideeën door de war gehaald. Ik zal het u uitleggen.

Al jarenlang houd ik me bezig met seksueel geweld. Lees er veel over, schrijf stukken, hou lezingen, bedenk plannen. Ik ben op dat gebied zoals dat heet “zeer bewust”, en heb me inmiddels – met iets meer moeite – ook in mijn gedrag daarop ingesteld. Opmerkingen op straat kap ik af, handtastelijke heren kunnen op een mep rekenen, de hijger die me na maandenlange telefoontjes eens op kwam zoeken heb ik schreeuwend op straat nagezeten en ik heb braaf aangifte gedaan. Ook in de niet-zo-anonieme sfeer neemt mijn resoluutheid toe; als ik zin heb in iemand of juist niet zeg ik dat, en met vrijen doe ik wat ik lekker vind. Prachtig toch?

Nee dus. In december kwam een man met wie ik in een bestuur zit op bezoek om iets op te halen en “even wat bij te praten”. Een bekende dus, een PSP’er met wie ik redelijk op kon schieten en kortom iemand waarvoor ik niet op mijn hoede was (zoals in anoniemere contacten wel het geval is). En wat gebeurt er? U raad het al, de vent wordt opdringerig, verklaart zijn liefde, weigert mijn “nee” te horen en dringt aan, zinspeelt op verkrachting en neemt voorlopig alvast bezit van mijn huiskamer – hij installeert zich met een air van “mij krijg je niet meer weg”. 0p dat moment ging ik over op de automatische piloot en heb ik vijf uur lang niets anders gedaan dan vriendelijk blijven en proberen hem rustig te houden, wist hem toen eindelijk de deur uit te werken en stelde me al die tijd min of meer instinctief op bij het dichtstbijzijnde object dat ik als wapen zou kunnen gebruiken wanneer hij niet van zins bleek weg te gaan.

Pas toen hij weg was realiseerde ik me ten volle dat ik godbetere bang was geweest – een besef dat al die tijd nauwelijks tot me door had kunnen dringen, zo druk had ik het met vriendelijk blijven en geen “aanstoot” geven. Ook na afloop gedroeg ik me volmaakt klassiek: mijn eerste reactie was dat ik hem nooit meer wilde zien, de tweede dat ik “dus” uit dat bestuur wilde. Pas na een indringend gesprek met nuchterder dames drong tot me door dat dat wel erg makkelijk voor hem was en besloot ik de bal terug te kaatsen: hij d’ruit, of ik d’ruit; met als gevolg boze brieven over en weer, de installatie van een vertrouwenscommissie en veel commotie in de hogere regionen van de PSP.

De eerste weken bleef de vraag me maar achtervolgen of het wel eerlijk was tegenover hem om hem uit het bestuur te willen zetten, en of ik de zaak niet opblies. Het waren toch alleen maar gebaren, zinspelingen, opmerkingen? Nu, twee maanden later, zijn er – mede door de ingewikkelde afhandeling van de zaak, die nog altijd voortduurt en telkens weer herinneringen ophaalt – nog steeds periodes dat het gebeurde me eindeloos door het hoofd maalt en heb ik nachtmerries waarin de partijraad (waar het aftreden besproken zal moeten worden) me letterlijk dwingt me met hem te verzoenen middels een lange kus. En kon ik dus mijn oorspronkelijk geplande stuk niet uit de vingers krijgen.

*

OM DAN OVER te stappen van mijn persoonlijke sores naar de vraag wat het belang is van dit alles voor de gewaardeerde lezer/es: het heeft, zoals eerder vermeld, ook theoretisch nogal wat ondersteboven gehaald. Het maakte me bijvoorbeeld duidelijker dan welk betoog ooit had kunnen doen, dat maatregelen in de openbare sfeer wellicht eerder resultaat boeken dan wat voor remedies in de privésfeer dan ook. Een belangrijk verschil is immers dat intimidaties en bedreigingen in de openbare sfeer uitgaan van relatief onbekenden, van anonimiteit; dat maakt het stukken makkelijker om je, eenmaal – voor zover mogelijk – voorbereid op het onverwachte, teweer te stellen. Structurele maatregelen op het gebied van ruimtelijke ordening, arbeidsrecht, wetgeving en justitiële begeleiding maken het voorts eenvoudiger seksueel geweld te voorkomen cq. af te straffen, en helpen een communis opinio tot stand te brengen dat seksueel geweld “not done” is.

Wat aan voorstellen gelanceerd is om seksueel geweld in de privésfeer te bestrijden, is aanmerkelijk magerder. Ook daar worden hulpverlening en strafrecht ingezet. Beiden kunnen echter niet onder “preventie” worden geschaard, hooguit onder “afwikkeling”. Wat wel als middel ter bestrijding van seksueel geweld in de privésfeer wordt gezien, is economische zelfstandigheid (zie daarvoor o.a. de inleidingen op de overheidsconferentie over seksueel geweld van juli 1982).

Hoewel ik zeker geloof dat economische zelfstandigheid ook wat dit betreft belangrijk is, heb ik me altijd afgevraagd of daar niet te veel heil van verwacht wordt. Immers, het zou kunnen zorgen dat mannen met iets minder minachting naar vrouwen kijken (maar ten aanzien van al die economisch onafhankelijke flikkers valt daar niet veel van te merken), en het zou kunnen betekenen dat de dames zelf wat steviger in de schoenen staan en in ieder geval niet om financiële redenen in een schier onleefbare situatie hoeven te blijven hangen. Een financiële correctie op de ongelijkheid kan de machtsposities wellicht iets meer in evenwicht brengen; maar ik heb altijd getwijfeld of je via de weg van het geld iets aan de psychologie van de dames en heren kunt doen, mannen respect bij kunt brengen en vrouwen weerbaarheid.

En kijk mij nou: economisch zeer zelfstandig, en ook verder voldoende zelfrespect voor het dagelijks gebruik, kortom, een redelijk stevige dame – en zodra het ernst wordt vergeet ik alles en ga ik over op een pacificatie-strategie, je vijand te vriend proberen te houden. Waarom is mijn automatische piloot er een van vriendelijk blijven in plaats van bars roepen dat-ie op dient te rotten, waarom reageer ik tegen beter weten in ook later zo verdomd traditioneel, terwijl ik op straat iemand vol overgave de huid volscheld als de nood aan de vrouw is? Hoe moet dat dan met vrouwen die minder vaste grond onder de voeten hebben, minder weten over seksueel geweld, financieel en/of emotioneel afhankelijker zijn van hun aanvaller?

En de meest ingewikkelde vraag van al: hoe maak ik die vent, die nog altijd volhoudt dat hij “gewoon” op bezoek kwam en dat het “heel gezellig was” in godsnaam duidelijk waarom hij bedreigend was en waarom dat niet acceptabel is? Want al het praten en denken over seksueel geweld bevat telkens weer diezelfde blinde vlek: er wordt geredeneerd over wat ertegen te doen is, bedacht wat er niet klopt aan de huidige gang van zaken in de behandeling van seksueel geweld, gezocht waarom vrouwen reageren zoals ze reageren en er wordt slechts bij uitzondering gespeculeerd over de motieven van mannen om zich te gedragen zoals ze zich gedragen. Doorgaans komen op die laatste vraag vage abstracte antwoorden in de trant van “macht”, en lijkt de enige oplossing om mannen in dit opzicht te veranderen, te liggen in “het wijzigen van de machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen, hetero’s en homo’s”. Daarmee wordt het doel van de strijd tegen seksueel geweld dermate omvattend dat je op voorhand al moedeloos wordt.

De gerichtheid op vrouwen en flikkers en het trachten te verbeteren van hun situatie als strategie tegen seksueel geweld is niet zo vreemd. Het gaat om duidelijk herkenbare groepen. Ieder van hen kan slachtoffer worden; hun positie moet dan ook als geheel worden verbeterd om te voorkomen dat dat ook in werkelijkheid gebeurt. Bij beschermingsmaatregelen speelt een zekere logica mee dat het nooit kwaad kan om alle individuele leden van een groep waarin slachtoffers kunnen vallen, pogen te betrekken.

Maar kun je dat ook aan de daderkant doen? Kun je mannen als groep als daders aanmerken omdat een deel van hen zich schandelijk misdraagt? Mij lijkt niet. 0f zijn mannen als groep potentiële daders (en dus eigenlijk bijna even gevaarlijk als bewezen daders)? Al evenmin. 0f moet je, bij een bestrijdingsbeleid, binnen de groep mannen subgroepen aanwijzen waarop je je concentreert? Ik betwijfel sterk of dat kan. Is voorlichting over seksueel geweld (hoe vernederend het is om in elkaar geramd dan wel verkracht te worden) een methode, of zou dat het plegen van seksueel geweld voor sommigen juist aantrekkelijker maken? Ik sluit dat niet uit. Is het effectiever wanneer heteroseksuele mannen elkaar aanspreken op andermans gedrag en opvattingen dan wanneer flikkers en vrouwen pogen hen tot de orde te roepen, omdat in dat laatste geval de vermaning van een – in hun ogen – “mindere” komt? Helpt het om plegers van seksueel geweld maatschappelijk uit te stoten (door middel van een veroordeling, door ontslag, door het tijdelijk verbod hun functie uit te oefenen, door sociale isolatie etc.). of worden ze daar alleen maar rancuneuzer van?

Weten we eigenlijk wel genoeg over daders en hun achtergronden om werkelijk iets aan preventie te kunnen doen? Ik vraag me dat ernstig af.


Schrijf een reactie

E-mail adressen worden niet getoond noch aan derden doorgegeven.
Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *